Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0233

Datum uitspraak2008-08-27
Datum gepubliceerd2008-09-11
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5404 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bezwaar tegen inkomensoverzicht niet-ontvankelijk verklaard. Een inkomensoverzicht is niet gericht op rechtsgevolg en derhalve geen besluit in de zin van Awb.


Uitspraak

07/5404 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2007, 07/594 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 augustus 2008. I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Bilthoven. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 25 juni 2008 waar partijen, appellant na voorafgaand schriftelijk bericht, niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2.1. De Raad verwijst voor een meer uitgebreide weergave van de feiten naar hetgeen daarover in de aangevallen uitspraak is vermeld en volstaat hier met het volgende. 2.2. Aan appellant zijn met twee besluiten van 29 november 2006 met ingang van 6 september 2006 een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering toegekend. Met een zogenoemd ‘inkomensoverzicht 20 december 2006’ (hierna: inkomensoverzicht) heeft het Uwv appellant meegedeeld welk bedrag aan uitkering hij die maand op zijn rekening ontvangt en op welke wijze dat bedrag is berekend. Appellant heeft tegen dat inkomensoverzicht bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 22 januari 2007 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het inkomensoverzicht geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar kan worden gemaakt. 3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het inkomensoverzicht niet is gericht op rechtsgevolg en derhalve geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat het Uwv het bezwaar van appellant tegen dat inkomensoverzicht terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 4. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. 5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. 5.2. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend, en overweegt daartoe het volgende. 5.3. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Onder een rechtshandeling wordt verstaan: een handeling die is gericht op rechtsgevolg. Het inkomensoverzicht kan slechts als besluit in de zin van 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt, als en voor zover het is gericht op rechtsgevolg. 5.4. De Raad stelt vast dat het inkomensoverzicht een specificatie is van een betaling aan appellant ter uitvoering van de besluiten van 29 november 2006. Het enkele feit dat het inkomensoverzicht, anders dan die besluiten, specifiek betrekking heeft op de hoogte van de betaling in de maand december 2006, kan niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van een zelfstandig rechtsgevolg. De Raad merkt hierbij nog op dat niet is gesteld of gebleken dat het inkomensoverzicht tevens een wijziging van het aan appellant toegekende recht op uitkeringen bevat. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het inkomensoverzicht niet is gericht op rechtsgevolg en dat het mitsdien niet als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. 5.5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75, eerste lid, van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008. (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) M.J.A. Reinders. HD