
Jurisprudentie
BF0227
Datum uitspraak2008-09-05
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6024 WAO + 08/2930 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6024 WAO + 08/2930 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WAO-toe te kennen. Geschiktheid eigen werk. Beroep ingesteld door werkgever. Eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Nader besluit. Zelfstandige beoordeling WAO-aanspraken, niet gebonden aan vaststellingen in kader ZW.
Uitspraak
06/6024 WAO
08/2930 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 september 2006, 05/1213 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Aan het geding in hoger beroep heeft voorts als partij deelgenomen [naam werknemer], wonende te [woonplaats werknemer] (hierna: werknemer).
Datum uitspraak: 5 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.
Desgevraagd heeft werknemer meegedeeld als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen. Daarbij heeft hij geen toestemming verleend om zijn medische gegevens aan appellant ter kennis te brengen.
Appellant heeft op 20 november 2006 en 16 januari 2007 nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 4 januari 2008 een aan hem gerichte brief van de gemachtigde van appellant van 19 december 2007 met daarbij gevoegd een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 december 2007,
rolnr. C0600121, overgelegd.
Het Uwv heeft een gewijzigd besluit op bezwaar van 13 mei 2008 overgelegd.
Daartoe door de Raad in de gelegenheid gesteld, heeft namens werknemer
mr. R.M.M.M. Schreuders, advocaat te Nieuwstadt, een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2008.
Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach. Werknemer is – met kennisgeving – niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Werknemer was werkzaam als boekverkoper bij [naam boekhandel]., gevestigd te Nijmegen en tot 17 mei 2004 de rechtsvoorganger van appellant, toen hij zich op 12 oktober 2003 ziek meldde wegens maag- en spanningsklachten als gevolg van een onoplosbaar arbeidsconflict. De verzekeringsarts K. Lemmers heeft in een rapport van 17 augustus 2004 aangegeven dat bij psychiatrische observatie van werknemer sprake was van een normaal goed gecompenseerd psychisch toestandsbeeld, dat er geen aanleiding was om enige persoonlijkheidsproblematiek te veronderstellen en dat appellant fysiek gezond was. Lemmers concludeerde dat het duiden van beperkingen niet aan de orde was omdat er bij werknemer geen sprake was van ziekte of gebrek. Volgens Lemmers was er sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid en bestond er een substantieel risico op psychische surmenage bij tewerkstelling bij appellant. Wel achtte Lemmers werknemer geschikt voor zijn eigen werk bij een andere werkgever. Vervolgens weigerde het Uwv bij besluit van 29 september 2004 aan werknemer met ingang van 11 oktober 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) om reden van geschiktheid voor eigen werk bij de eigen of een andere werkgever.
2.1. In de bezwaarprocedure wees appellant op een nieuwe ziekmelding van werknemer begin november 2004 en op een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 12 oktober 2003. Voorts wees appellant ter hoorzitting op een deskundigenoordeel van het Uwv van 7 april 2005, waarin is vastgelegd dat werknemer op 14 janauri 2005 ongeschikt was voor zijn werk als verkoper boekhandel.
2.2. Het Uwv verklaarde bij besluit van 6 juli 2005 (hierna: besluit 1) onder verwijzing naar rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 september 2004 ongegrond. In besluit 1 is onder andere aangegeven dat uit laatstgenoemd rapport naar voren komt dat werknemer niet arbeidsongeschikt is te achten voor de maatmanfunctie op grond van beperkingen voortkomende uit ziekte of gebrek.
3.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak - onder toekenning van een vergoeding van proceskosten aan appellant ten bedrage van € 80,50 - het op 13 juni 2005 ingestelde beroep van appellant tegen de fictieve weigering van het Uwv een besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 29 september 2004 niet-ontvankelijk. Voorts verklaarde de rechtbank dit beroep, dat zij met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht achtte tegen besluit 1, ongegrond. Daarbij veroordeelde de rechtbank het Uwv in de proceskosten van werknemer.
3.2. De rechtbank heeft ter onderbouwing van de proceskostenveroordeling ten behoeve van appellant in een geval als het onderhavige gewezen op de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2002 (USZ 2002, 275) en heeft voorts de gewichtsfactor “zeer licht” toegekend.
3.3. De rechtbank heeft voorts wat betreft besluit 1 overwogen dat het Uwv op grond van de beschikbare verzekeringsgeneeskundige rapporten terecht heeft vastgesteld dat ten aanzien van werknemer geen beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO golden. Voorts kende de rechtbank niet die betekenis toe aan de ziekmelding van werknemer op 11 november 2004 welke appellant daaraan gaf, nu uit de brief van de bedrijfsarts van 24 november 2004 bleek dat werknemer niet arbeidsongeschikt was. Wat betreft het door appellant vermelde deskundigenbericht overwoog de rechtbank dat dit niet zag op de datum in geding en daarnaast dat daarin niet was aangegeven op grond waarvan werknemer arbeidsongeschikt werd geacht.De rechtbank oordeelde ten slotte, dat werknemer, nu geen sprake was van ziekte of gebrek, reeds daarom geen aanspraak kon maken op een WAO-uitkering en dat om die reden de vraag of werknemer geschikt was voor zijn eigen werk bij zijn eigen of een andere werkgever niet meer relevant is.
4.1. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte bezwaren in essentie herhaald. Voorts keerde appellant zich tegen de hoogte van de hem toegekende vergoeding van proceskosten en stelde hij dat de procedure vanwege de lange duur daarvan een schending inhoudt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951,154; 1990,156 (EVRM).
4.2. Het Uwv heeft op 13 mei 2008 het in rubriek I vermelde gewijzigde besluit op bezwaar (besluit 2) genomen, waarbij – onder verwijzing naar het eveneens in rubriek I van deze uitspraak vermelde arrest – is bepaald dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer op 12 september 2003 was ingetreden en dat het einde van de wachttijd al op 10 september 2004 was bereikt. Voorts wijzigde deze verschuiving van het einde van de wachttijd niet het in besluit 1 neergelegde standpunt van het Uwv over het recht van appellant op een WAO-uitkering.
5.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat besluit 2, ofschoon dit is genomen naar aanleiding van een bezwaar tegen een ander besluit dan aan de orde bij besluit 1, in verband met de in besluit 2 opgenomen en binnen de grondslag en reikwijdte van besluit 1 vallende beslissing wat betreft zijn uitkomst (tevens) ten opzichte van besluit 1 moet worden aangemerkt als een gewijzigd besluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. Voorts stelt de Raad vast dat besluit 2 niet tegemoet komt aan het beroep van appellant tegen besluit 1, zodat het beroep van appellant tegen besluit 1, gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.
5.2. De Raad is voorts van oordeel dat, nu besluit 2 uitgaat van een eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant welke één maand eerder is gelegen dan de dag waarvan in besluit 1 is uitgegaan en dientengevolge ook het einde van de wachttijd één maand is teruggelegd, reeds daarom besluit 1 in rechte geen stand kan houden met als gevolg dat ook de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard, niet in stand kan blijven.
5.3.1. Wat betreft besluit 2 stelt de Raad vast dat de beschikbare medische gegevens, waaronder in het bijzonder die welke zijn vastgelegd in de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de gezondheidstoestand van werknemer op de datum in geding die is aangenomen bij besluit 1 wezenlijk afweek van die op de bij besluit 2 in aanmerking genomen datum.
5.3.2. Gelet op 5.3.1 en in lijn met zijn uitspraak van 13 februari 2007 (LJN AZ8505) ziet de Raad, mede in aanmerking genomen het in artikel 18, eerste lid, van de WAO neergelegde arbeidsongeschiktheidsbegrip, geen aanleiding over besluit 2 anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan over besluit 1, zoals weergeven in 3.3. Het in hoger beroep door appellant overgelegde en in rubriek I van deze uitspraak vermelde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bindt, anders dan de gemachtigde van appellant ter zitting heeft betoogd, het Uwv bij het nemen van besluit 2 reeds niet omdat dit arrest is gewezen in een arbeidsrechtelijk geschil tussen appellant en werknemer, waarbij het Uwv geen partij was. Bovendien wijst de Raad erop dat, gezien zijn jurisprudentie, het Uwv in het kader van de WAO zelfstandig beoordeelt of een betrokkene in aansluiting op het doorlopen van de wettelijke wachttijd arbeidsongeschikt is en daarbij niet gebonden is aan vaststellingen op grond van de Ziektewet of het Burgerlijk Wetboek welke betrekking hebben op de periode van de wettelijke wachttijd. Het ter zitting door de gemachtigde van appellant gedane beroep op de uitspraak van de Raad van 3 januari 1989 (RSV 1989, 179) gaat niet op omdat in dat berechte geval– anders dan in de onderhavige aangelegenheid – juist wel werd aangenomen dat sprake was van ziekte of gebrek in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Ook de overige door appellant in geding gebracht stukken, waaronder die betreffende een aanvullende adviesaanvraag van 16 oktober 2006 van de Raad van Bestuur van de Centrale Organisatie Werk en inkomen aan het Uwv inzake een ontslagaanvraag van appellant voor werknemer, leiden de Raad niet tot een ander oordeel. In dit advies, dat overigens niet ziet op de datum in geding, is immers geen sprake van een wezenlijk andere visie omtrent de medische situatie van werknemer dan het aan besluit 2 ten grondslag gelegde medische oordeel van het Uwv.
5.4. Wat betreft de bij de aangevallen uitspraak toegekende vergoeding van proceskosten in verband met het beroep tegen de in 3.1. bedoelde fictieve weigering overweegt de Raad dat het enkele feit dat op dit (onderdeel van het) beroep van appellant niet aanstonds door de rechtbank is beslist maar ongeveer 15 maanden na het instellen van dit beroep, niet meebrengt dat daardoor de voor een dergelijk beroep in lijn met de jurisprudentie van de Raad aangehouden wegingsfactor “zeer licht” zou dienen te worden bijgesteld.
5.5. Wat betreft het beroep van appellant op schending van de redelijke termijn, waarbij appellant, gelet op het verhandelde ter zitting op het oog heeft zowel het aandeel van het Uwv in de bezwaarfase als het aandeel van de rechtbank in de beroepsfase, stelt de Raad vast dat de redelijke termijn in het onderhavige geval is aangevangen op 18 oktober 2004, zijnde de datum waarop het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 september 2004 door het Uwv is ontvangen. Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel, dat gelet op de totale duur van de procedure tot aan de in rubriek III van deze uitspraak vermelde dag van uitspreken van zijn uitspraak op het onderhavige hoger beroep, reeds geen sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.6. Het in 5.1. tot en met 5.5. overwogene leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep tegen besluit 1 gegrond is, dat besluit 1 dient te worden vernietigd en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard.
Het beroep voorzover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2 dient daarentegen ongegrond te worden verklaard.
5.7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden, in aanvulling op de reeds bij de aangevallen uitspraak aan appellant toegekende vergoeding van proceskosten ten bedrage van € 80,50 begroot op € 563,50 voor verleende rechtsbijstand in beroep en voorts op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.207,50. De Raad acht het voorst aangewezen het Uwv te veroordelen in de proceskosten van de werknemer in hoger beroep. Deze worden begroot op € 161,50 voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt besluit 1;
Verklaart het mede tegen besluit 2 gericht geachte beroep ongegrond;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.207,50, en in de proceskosten van werknemer in hoger beroep tot een bedrag groot € 161,50, beide bedragen te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2008.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) A. Wit.
GdJ