
Jurisprudentie
BF0201
Datum uitspraak2008-11-04
Datum gepubliceerd2008-11-04
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01780/07
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-11-04
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01780/07
Statusgepubliceerd
Indicatie
Art. 365b.1 Sv, ondertekening arrest. De aanvulling op het verkorte arrest is bij ontstentenis van het lid van de Enkelvoudige Kamer dat het arrest heeft gewezen – in strijd met art. 365b.1 Sv – niet ondertekend door de voorzitter van het Hof, maar door de voorzitter van de strafsector. De opvatting dat door dat niet-naleven van art. art. 365b.1 Sv een zodanig essentieel vormvoorschrift is geschonden, dat dit nietigheid van de bestreden uitspraak meebrengt, is onjuist.
Conclusie anoniem
Nr. 01780/07
Mr. Bleichrodt
Zitting 2 september 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 4 augustus 2006 de verdachte ter zake van "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en verder de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Mr. M. Zuurbier, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1 Het eerste middel klaagt dat art. 365b, eerste lid, Sv is geschonden nu de aanvulling op het verkorte arrest bij ontstentenis van de raadsheer die het verkorte arrest heeft gewezen niet is ondertekend door de voorzitter van het Gerechtshof (maar door de sectorvoorzitter strafrecht) hetgeen nietigheid meebrengt.
3.2 De stukken van het geding houden het volgende in:
(i) De Enkelvoudige Kamer heeft de zaak in hoger beroep behandeld op de terechtzitting van 21 juli 2006;
(ii) Op die datum is geen mondelinge uitspraak gedaan, maar is op de voet van art. 426, vijfde lid (oud) Sv bepaald dat de uitspraak zou plaatsvinden op de terechtzitting van 4 augustus 2006(1);
(iii) Nadat op die datum het verkorte arrest was uitgesproken, is tijdig beroep in cassatie ingesteld.
(iv) De aanvulling op het verkorte arrest, gedateerd 1 juni 2007, is ondertekend door een ander dan het lid van de Enkelvoudige Kamer, te weten door mr. M. Otte, die toen voorzitter van de strafsector was.(2)
3.3 Art. 365b, eerste lid, Sv houdt in:
"1. De aanvulling bedoeld in art. 365a, tweede lid, wordt ondertekend door een van de rechters die het verkorte vonnis hebben gewezen of bij hun ontstentenis door de voorzitter van het gerecht.
(...) "
3.4 Ingevolge art. 415 Sv is genoemde bepaling van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding voor het gerechtshof. De tekst van art. 365b Sv wijst in de richting van een afdoening van de zaak door een meervoudige kamer. Uit de parlementaire geschiedenis van de wet, waarbij het verkorte vonnis is geïntroduceerd en art. 365b Sv is ingevoegd(3), blijkt ook dat de wetgever in het bijzonder het oog had op uitspraken van de meervoudige kamer. Die wet strekte ertoe de praktijk van het kop-staartvonnis met al zijn onderlinge variaties, te vervangen door de regeling van het verkorte vonnis en de aanvulling daarop. Voor wat betreft de categorie van zaken die in eerste aanleg of in appèl enkelvoudig worden afgedaan, zijn, zo stelde de regering, geen wezenlijke veranderingen aangebracht, behoudens de mogelijkheid tot het gebruik in appèl van een zogenaamd stempelvonnis.(4)
3.5 Vóór de inwerkingtreding van genoemde wet was ook ten aanzien van door de politierechter gewezen schriftelijke vonnissen de kop-staartpraktijk, anders dan mijn uiteraard beperkte ervaring leerde, kennelijk wijd verbreid.(5) Zoals gezegd was het de bedoeling om aan die praktijk een einde te maken en wel, naar moet worden aangenomen, over de hele linie. De vraag kan worden opgeworpen of nadien het schriftelijk vonnis van de politierechter, respectievelijk het schriftelijk arrest van de enkelvoudige kamer van het hof als bedoeld in art. 426, lid 5, Sv een vonnis of arrest moest zijn dat aan alle eisen voldoet(6), of dat de enkelvoudige kamers voortaan ook gebruik konden maken van de faciliteit van de verkorte uitspraak in het geval dat zij besloten tot het wijzen van een schriftelijk vonnis of arrest. Voor zover ik zie, blijkt uit de wetsgeschiedenis niet dat die kwestie onder ogen is gezien, terwijl zoals gezegd de regering ten aanzien van de procedure door de enkelvoudige kamer geen wezenlijke veranderingen beoogde. Niettemin meen ik dat de - praktische - mogelijkheid tot het voorshands opmaken van alleen een verkort vonnis of arrest inderdaad bestaat, aangezien (voor wat betreft de appèlrechter) nu eenmaal noch in art. 415 Sv noch elders in Boek 3 titel II Sv op dit punt een uitzondering wordt gemaakt voor de enkelvoudige kamer, zodat de art. 365a en 365b Sv op overeenkomstige wijze kunnen worden toegepast.(7)
3.6 Terug naar het middel. Sinds de laatste herziening van de rechterlijke organisatie kent het gerecht strikt genomen geen voorzitter meer, doch een voorzitter van het gerechtsbestuur, die de titel van president draagt. Maar aangenomen zal kunnen worden dat voor wat betreft art. 365b Sv het thans om die functionaris gaat. Tot dat bestuur behoren verder de sectorvoorzitters, die, net als de president, rechterlijk ambtenaar moeten zijn die met rechtspraak zijn belast (art. 15 RO).
3.7 In de parlementaire geschiedenis van de wet waarbij onder meer art. 365b Sv is ingevoegd, is geen aanknopingspunt te vinden voor de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat uitsluitend de president zelf en niet bijvoorbeeld een vice-president/ sectorvoorzitter als fungerend president de aanvulling op het verkorte arrest zou kunnen ondertekenen. Die opvatting zou ook tot problemen kunnen leiden, evenals bijvoorbeeld het standpunt dat alleen de president zelf de last tot toevoeging van een raadsman kan geven in de gevallen als bedoeld in art. 41 Sv. Dat zou bij ziekte of ontstentenis van de president immers een onaanvaardbare vertraging van de afdoening van de strafzaak na het instellen van een rechtmiddel, en dus een schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM kunnen meebrengen. Hetzelfde geldt voor de in art. 41 Sv bedoelde situatie, want zonder dat in rechtsbijstand voor de verdachte is voorzien, kan de behandeling van de desbetreffende zaak vanzelfsprekend niet aanvangen.
3.8 Voordat het verkorte vonnis tot stand komt moet over alle relevante punten zijn beraadslaagd en beslist. Het enige wat ten tijde van de uitspraak nog niet hoeft te zijn gerealiseerd is de weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen.(8) Maar wel moet al zijn beslist welk bewijsmateriaal dient ter motivering van de bewezenverklaring.
Een van de redenen waarom de bewezenverklaring al in het verkorte vonnis of arrest moet zijn opgenomen is, dat dit, aldus de nota naar aanleiding van het verslag betreffende wetsvoorstel 23 989, de rechter ertoe dwingt de bewijsvoering zorgvuldig te bezien en zijn standpunt terzake te bepalen.(9)
3.9 Mevis merkt in dit verband het volgende op: "Het feit dat over de aanvulling niet meer nader beraadslaagd hoeft te worden, maar de aanvulling slechts de weergave is van beraad dat heeft plaatsgevonden, maakt het mogelijk om in art. 365b Sv een voorziening te treffen voor het geval geen der rechters die over de zaak hebben gezeten voor de ondertekening van die aanvulling beschikbaar is. Zo een mogelijkheid ontbreekt in art. 365 ten aanzien van het verkorte vonnis."(10)
3.10 De toelichting op het middel stelt dat art. 365b Sv een uitzondering maakt op de regel dat alleen de rechter(s) die aan het gehele onderzoek ter zitting hebben deelgenomen aan de beslissing meewerken en dat daarom met het verzuim dat de stellers ontwaren bij de naleving van die bepaling, een zo essentiële vorm is geschonden dat dit nietigheid meebrengt. Zoals uit het voorgaande volgt is het uitgangspunt van de redenering onjuist. Degene die de aanvulling ondertekent, neemt geen beslissingen in de zaak maar ondertekent het stuk waarin de inhoud van de door de beslisser geselecteerde bewijsmiddelen is weergegeven (uitgetypt). Ware het anders, dan zou ten aanzien van een arrest van de meervoudige kamer ook niet kunnen worden volstaan met de ondertekening van de aanvulling door een van de rechters.
3.11 Inderdaad heeft de regering de verwachting uitgesproken dat de situatie dat geen van de rechters die op de zaak hebben gezeten in staat is de aanvulling op het vonnis te tekenen, zich hoogst zelden zal voordoen, waarbij had zij kennelijk het geval voor ogen had dat het verkorte vonnis of arrest was gewezen door een meervoudige kamer.(11) Dat doet echter niets af aan het principe. Aanvaard is dat onder omstandigheden de aanvulling wordt ondertekend door een ander dan een van bedoelde rechters. Zoals opgemerkt vergewist die rechter zich ervan dat de weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen overeenstemt met de door de beslissende rechter gemaakte selectie. Onjuist lijkt mij dan ook op zichzelf de stelling in de toelichting op het middel dat een niet door "de juiste rechter" opgemaakte en ondertekende aanvulling "op zijn minst" gelijk moet worden gesteld met een in het geheel niet ondertekende aanvulling (zo begrijp ik althans de desbetreffende zin, die niet helemaal goed loopt). In het laatste geval blijkt immers helemaal niet door wie de aanvulling is opgemaakt en gezien. Dat zou in beginsel iedereen kunnen zijn.
3.12 Mijn conclusie is dat een redelijke toepassing van art. 365b Sv meebrengt dat niet alleen de president zelf in een geval als het onderhavige de aanvulling kan ondertekenen maar ook degene die als fungerend president optreedt, zoals hier klaarblijkelijk de sectorvoorzitter. Dat voor dat optreden een "kenbare grond" zou moeten bestaan en/of een kenbare (mandaterings-)regeling, zoals het middel nog stelt, lijkt mij niet nodig, daargelaten de vraag of de verdachte zich op het ontbreken daarvan zou kunnen beroepen.
3.13 Het middel faalt.
4.1 Het tweede middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden. Het beroep in cassatie is ingesteld op 9 augustus 2006, terwijl de stukken van het geding op 8 juni 2007 op de Griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dat brengt mee dat de termijn die voor de inzending is gesteld, is overschreden. Bovendien zal niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep arrest kunnen worden gewezen.
4.2. Het middel is dus terecht voorgesteld.
4.3 Echter, in aanmerking genomen de duur van de overschrijding en de opgelegde straf, een voorwaardelijke vrijheidsstraf, kan de Hoge Raad mijns inziens met de constatering van bedoeld verzuim volstaan.
5. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding zouden behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Er was ter terechtzitting uitvoerig feitelijk verweer gevoerd.
2 Uit verkregen inlichtingen is gebleken dat het desbetreffende lid van de Enkelvoudige Kamer gedurende lange tijd ernstig ziek is geweest en pas begin 2008 zijn werkzaamheden heeft hervat.
3 Wet van 26 september 1996, Stb. 487.
4 Kamerstukken II, 1994-1995, 23 989, nr. 3, blz. 11-12.
5 A. den Hartog in Melai, aantek. 2 op art. 379 Sv (suppl. 91), onder verwijzing naar het rapport van P.A.M. Mevis "Ingekort en weggelaten".
6 Niet helemaal duidelijk is of Corstens (Het Nederlands strafprocesrecht, 5e dr., blz. 783) op dit standpunt staat waar hij ten aanzien van het schriftelijk vonnis van de Politierechter schrijft: "Zo'n schriftelijk vonnis moet aan de gewone eisen die aan vonnissen van meervoudige kamers worden gesteld, voldoen. "
7 Voor de Politierechter voorziet art. 367 Sv in overeenkomstige toepassing van art. 365a e.v. Sv.
8 Volgens rechtspraak van de Hoge Raad mogen vanwege de nauwe samenhang met de rest van de bewijsvoering nadere bewijsoverwegingen of de bespreking van bewijsverweren eventueel ook in de aanvulling worden opgenomen. Maar over de inhoud van die reactie moet uiteraard ook al zijn beslist.
9 Kamerstukken II, 1994-1995, 23 989, nr 6, blz. 4.
10 Melai, Wetboek van Strafvordering aantek. 3 op art. 365b Sv.
11 Kamerstukken II, 1994-1995, 23 989, nr. 6, blz. 9.
Uitspraak
4 november 2008
Strafkamer
nr. S 01780/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 augustus 2006, nummer 23/000689-06, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel bevat de klacht dat het bestreden arrest nietig is, omdat de aanvulling op het verkorte arrest bij ontstentenis van het lid van de Enkelvoudige Kamer dat het arrest heeft gewezen - in strijd met art. 365b, eerste lid, Sv - niet is ondertekend door de Voorzitter van het Hof, maar door de voorzitter van de strafsector.
2.2. Het middel faalt. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat door het bedoelde niet naleven van art. 365b, eerste lid, Sv een zodanig essentieel vormvoorschrift is geschonden, dat dit de nietigheid van de bestreden uitspraak meebrengt. Die opvatting is onjuist.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 november 2008.