Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0179

Datum uitspraak2008-09-02
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4389 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Overschrijding inkomstengrens? Onkostenvergoeding? Schending vertrouwensbeginsel?


Uitspraak

07/4389 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2007, 06/1833 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 2 september 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2008. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. OVERWEGINGEN Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Bij besluit van 12 februari 2002 is de lopende bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) van appellant ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat hij over inkomsten beschikte boven de voor hem toepasselijke bijstandsnorm inclusief toeslag. Bij besluit van 23 februari 2006 is, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 12 februari 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 23 februari 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De Raad stelt voorop dat hier ter beoordeling voorligt de periode vanaf de datum van intrekking van de bijstand (1 februari 2002) tot en met de datum van het primaire besluit (12 februari 2002). De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant ten tijde in geding beschikte over in aanmerking te nemen middelen die de geldende bijstandsnorm overschreden. Daarbij neemt de Raad als vaststaand aan dat appellant in december 2001 en januari 2002 inkomsten uit arbeid boven de geldende bijstandsnorm heeft ontvangen. Appellant heeft voorts in februari 2002 verklaard dat de werkzaamheden (alsmede de daaruit voortvloeiende inkomsten) de komende maanden zouden toenemen. Gelet hierop heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet langer verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. De intrekking van de bijstand berust derhalve op goede gronden. Het feit dat appellant destijds aan het College kenbaar heeft gemaakt dat het hem praktisch leek om de betaling van de bijstand voorlopig op te schorten, kan hier niet aan afdoen. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellant dat de betalingen uit hoofde van zijn hoofdredacteurschap bij het [naam tijdschrift]hierna: [naam tijdschrift]) - achteraf bezien - geheel als onkostenvergoeding moeten worden beschouwd. De Raad merkt in dat verband nog op dat, nog daargelaten dat aanvankelijk anders is verklaard (zo gaf appellant in zijn brief van 7 februari 2002 nog aan dat hij verwachtte circa f 150,-- per maand aan deze werkzaamheden over te houden), naar vaste rechtspraak voor de toepassing van de Abw niet alleen rekening wordt gehouden met expliciet als inkomen aangeduide en als zodanig ontvangen middelen. Uit de artikelen 7 en 42 van de Abw - gelezen in onderlinge samenhang - kan immers worden afgeleid dat bij de vaststelling van het recht op bijstand, en meer in het bijzonder bij de beoordeling van de inkomenspositie van de belanghebbende, niet alleen het feitelijk ontvangen inkomen in beschouwing wordt genomen, maar ook het inkomen waarover deze redelijkerwijs kan beschikken (zie onder meer de uitspraak van 17 april 2001, LJN AJ9794). Naar het oordeel van de Raad ligt het in de rede dat een hoofdredacteur van een vakblad als [naam tijdschrift] naast een onkostenvergoeding een redelijke beloning bedingt voor door hem te verrichten werkzaamheden ten behoeve van genoemd vaktijdschrift. Bijstand wordt in beginsel verleend in aanvulling op hetgeen men zelf aan inkomsten uit arbeid verwerft en bij het in mindering brengen van die inkomsten op de van toepassing zijnde bijstandsnorm zal ten aanzien van de belanghebbende onder meer acht moeten worden geslagen op het bepaalde in artikel 42 van de Abw. Een en ander brengt mee dat het College bij de vaststelling van de inkomenspositie van appellant per 1 februari 2002 terecht naast andere inkomsten - ook - een bedrag wegens werkzaamheden voor het [naam tijdschrift] heeft betrokken. Dat, tot slot, van de zijde van de gemeente voorafgaand aan de primaire besluitvorming afspraken met appellant zouden zijn gemaakt omtrent de (voorlopige) voortzetting van de bijstand vindt geen steun in gedingstukken. Ook anderszins is niet gebleken van uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd jegens appellant gedane toezeggingen, waarop een in rechte te honoreren verwachting in de door appellant bepleite zin kan worden gebaseerd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel treft derhalve geen doel. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, met aanvulling van gronden, dient te worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 september 2008. (get.) R.H.M. Roelofs. (get.) M. Pijper. OA