
Jurisprudentie
BF0178
Datum uitspraak2008-09-04
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/9919
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/9919
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ranov / strijd met discriminatieverbod art.26 IVBPR?
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreft het hier een voor de toetsing aan artikel 26 van het IVBPR relevant onderscheid op grond van “andere status”. Een pardonregeling heeft doorgaans betrekking op vreemdelingen die al langere tijd feitelijk maar zonder geldige titel hier te lande verblijven. Het doel van zo’n pardonregeling is dan om het verblijf van die vreemdelingen te legaliseren. Met betrekking tot de Regeling is van belang dat deze zich weliswaar richt op vreemdelingen die destijds een asielaanvraag hebben ingediend, maar daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het gaat om vreemdelingen wier asielaanvraag is afgewezen. Vervolgens hebben deze vreemdelingen doorlopend in Nederland verbleven en hebben zij veelal een of meer – vaak ook reguliere - vervolgaanvragen ingediend. Het karakter van de initiële aanvraag boet daarmee aan relevantie in. Vanuit deze optiek is de doelgroep van de Regeling zeer wel te vergelijken met de groep vreemdelingen die eveneens vóór 1 april 2001 vergeefs een reguliere aanvraag hebben gedaan en vervolgens doorlopend in Nederland hebben verbleven en daarbij eveneens veelal een of meer reguliere vervolgaanvragen hebben ingediend. Voor de in de Regeling opgenomen beperking van de doelgroep die voor verblijf in aanmerking kan komen dient derhalve in het licht van artikel 26 van het IVBPR een rechtvaardigingsgrond aanwezig te zijn. In het bestreden besluit is geen rechtvaardigingsgrond genoemd. De – enkele – verwijzing naar het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 is daartoe onvoldoende. Verder wordt weliswaar benadrukt dat de Regeling expliciet beperkt is tot een speciale doelgroep, maar daarbij is niet aangegeven om welke reden dat is gebeurd en of die reden kan worden gezien als een rechtvaardigingsgrond in het licht van artikel 26 van het IVBPR. Bij zijn heroverweging in bezwaar zal verweerder deze motivering alsnog moeten geven. Daarbij dient tevens aandacht te worden besteed aan de vraag of het gekozen middel – in de vorm van de Regeling zoals deze thans tot stand is gekomen – geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken en of daarbij overigens is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreft het hier een voor de toetsing aan artikel 26 van het IVBPR relevant onderscheid op grond van “andere status”. Een pardonregeling heeft doorgaans betrekking op vreemdelingen die al langere tijd feitelijk maar zonder geldige titel hier te lande verblijven. Het doel van zo’n pardonregeling is dan om het verblijf van die vreemdelingen te legaliseren. Met betrekking tot de Regeling is van belang dat deze zich weliswaar richt op vreemdelingen die destijds een asielaanvraag hebben ingediend, maar daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het gaat om vreemdelingen wier asielaanvraag is afgewezen. Vervolgens hebben deze vreemdelingen doorlopend in Nederland verbleven en hebben zij veelal een of meer – vaak ook reguliere - vervolgaanvragen ingediend. Het karakter van de initiële aanvraag boet daarmee aan relevantie in. Vanuit deze optiek is de doelgroep van de Regeling zeer wel te vergelijken met de groep vreemdelingen die eveneens vóór 1 april 2001 vergeefs een reguliere aanvraag hebben gedaan en vervolgens doorlopend in Nederland hebben verbleven en daarbij eveneens veelal een of meer reguliere vervolgaanvragen hebben ingediend. Voor de in de Regeling opgenomen beperking van de doelgroep die voor verblijf in aanmerking kan komen dient derhalve in het licht van artikel 26 van het IVBPR een rechtvaardigingsgrond aanwezig te zijn. In het bestreden besluit is geen rechtvaardigingsgrond genoemd. De – enkele – verwijzing naar het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 is daartoe onvoldoende. Verder wordt weliswaar benadrukt dat de Regeling expliciet beperkt is tot een speciale doelgroep, maar daarbij is niet aangegeven om welke reden dat is gebeurd en of die reden kan worden gezien als een rechtvaardigingsgrond in het licht van artikel 26 van het IVBPR. Bij zijn heroverweging in bezwaar zal verweerder deze motivering alsnog moeten geven. Daarbij dient tevens aandacht te worden besteed aan de vraag of het gekozen middel – in de vorm van de Regeling zoals deze thans tot stand is gekomen – geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken en of daarbij overigens is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 08/9919
Uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2008
inzake
[verzoeker],
geboren op [1965],
van Turkse nationaliteit,
verblijvende te Rotterdam,
verzoeker,
gemachtigde W. Kaldenberg,
tegen
de staatssecretaris van Justitie,
te Den Haag,
verweerder,
gemachtigde mr. Y.E.A.M. van Hal.
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2008 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet” dan wel “persoonlijke bijzondere omstandigheden” dan wel “conform beschikking minster” afgewezen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Op 18 maart 2008 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank, wegens het aan het bezwaar onthouden van schorsende werking, verzocht om hangende de bezwaarschriftprocedure een voorlopige voorziening te treffen.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 september 2008, waar verzoeker noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bezwaar tegen het primaire besluit op grond van het bepaalde in artikel 73, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 geen schorsende werking heeft, zodat verzoeker op grond van het bestreden besluit uit Nederland kan worden verwijderd. Verzoeker heeft daarom belang bij de beoordeling van het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2008 een redelijke kans van slagen heeft en gaat daarbij uit van de volgende feiten. Verzoeker is op 2 oktober 1992 Nederland ingereisd zonder een geldig visum of een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 19 augustus 1997 heeft hij zich tot de Nederlandse autoriteiten gewend voor het doen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf met als doel “arbeid als zelfstandige”. Die aanvraag is afgewezen. Het verzoek van 29 november 1999 om in aanmerking te komen voor de witte illegalen-regeling is eveneens afgewezen. Op 11 oktober 2004 heeft verzoeker een aanvraag gedaan tot verlening van een verblijfsvergunning met als doel “verblijf voor onbepaalde tijd als geprivilegeerde”. Ook die aanvraag is afgewezen. Op 28 december 2005 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning met als doel “arbeid als zelfstandige”. Ook deze aanvraag is afgewezen. Ter zake van alle genoemde afgewezen aanvragen is verzoeker uitgeprocedeerd. Op 2 januari 2008 is onderhavige aanvraag gedaan.
4. Gelet op de gebruikte forumlering dient de onderhavige aanvraag naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met gebruikmaking van de verweerder toekomende discretionaire bevoegdheid genoemd in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarbij heeft verzoeker primair verzocht de aanvraag te toetsen aan de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet zoals thans neergelegd in onderdeel B14/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Regeling).
5. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen wegens het feit dat verzoeker niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Verzoekers beroep op vrijstelling van het vereiste bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf op grond van de Regeling is door verweerder verworpen, aangezien verzoeker geen vreemdeling is die vóór 1 april 2001 een asielaanvraag heeft ingediend en derhalve niet behoort tot de speciale doelgroep waarvoor de Regeling is ontworpen.
6. In bezwaar heeft verzoeker – kort weergeven – gesteld dat het juist is dat hij nooit een asielaanvraag heeft ingediend, maar hij heeft wel vóór 1 april 2001 een reguliere aanvraag ingediend en verkeert net als asielzoekers sindsdien in dezelfde deplorabele positie. Volgens verzoeker is het in strijd met de discriminatieverboden neergelegd in artikel 14 van het van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) om de groep die voor verblijf op grond van de Regeling in aanmerking kan komen te beperken tot slechts vreemdelingen met een asielgerelateerd verleden.
7. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Regeling moet worden gezien als begunstigend beleid, gebaseerd op de discretionaire bevoegdheid van verweerder, en dat het verweerder derhalve vrijstond een regeling in het leven te roepen zoals de Regeling thans luidt.
8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
9. In onderdeel B14/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is de Regeling neergelegd. Ingevolge paragraaf B14/5.2 van de Vc 2000 wordt een vergunning gegeven aan de vreemdeling:
a. wiens eerste asielaanvraag vóór 1 april 2001 is ingediend, dan wel die zich reeds vóór 1 april 2001 bij de IND of vreemdelingenpolitie heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag;
b. die sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven; en
c. die, voor zover toepasselijk, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsaanvaarding op grond van de regeling.
10. Ingevolge artikel 14 van het EVRM moet het genot van de rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
11. Ingevolge artikel 26 van het IVBPR zijn allen gelijk voor de wet en hebben allen zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.
12. In tegenstelling tot artikel 14 van het EVRM, waarin het daarin genoemde discriminatieverbod is gerelateerd aan de rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, bevat artikel 26 van het IVBPR een zelfstandig discriminatieverbod. Verzoeker kan derhalve ter zake van de toetsing van zijn aanvraag aan de Regeling een beroep doen op het discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR.
13. De onder a. genoemde voorwaarde beperkt de groep vreemdelingen die in aanmerking kan komen voor verblijf op grond van de Regeling tot alleen vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een asielaanvraag hebben ingediend. Deze groep moet ingevolge de onder b. genoemde voorwaarde bovendien sindsdien ononderbroken in Nederland hebben verbleven. De vraag rijst dan of de genoemde beperking van de Regeling tot vreemdelingen die destijds een asielaanvraag hebben ingediend een verboden onderscheid oplevert ten opzichte van vreemdelingen die eveneens vóór 1 april 2001 maar dan een reguliere aanvraag hebben ingediend en sindsdien ononderbroken in Nederland hebben verbleven.
14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreft het hier een voor de toetsing aan artikel 26 van het IVBPR relevant onderscheid op grond van “andere status”. Een pardonregeling heeft doorgaans betrekking op vreemdelingen die al langere tijd feitelijk maar zonder geldige titel hier te lande verblijven. Het doel van zo’n pardonregeling is dan om het verblijf van die vreemdelingen te legaliseren. Met betrekking tot de Regeling is van belang dat deze zich weliswaar richt op vreemdelingen die destijds een asielaanvraag hebben ingediend, maar daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het gaat om vreemdelingen wier asielaanvraag is afgewezen. Vervolgens hebben deze vreemdelingen doorlopend in Nederland verbleven en hebben zij veelal een of meer – vaak ook reguliere - vervolgaanvragen ingediend. Het karakter van de initiële aanvraag boet daarmee aan relevantie in. Vanuit deze optiek is de doelgroep van de Regeling zeer wel te vergelijken met de groep vreemdelingen die eveneens vóór 1 april 2001 vergeefs een reguliere aanvraag hebben gedaan en vervolgens doorlopend in Nederland hebben verbleven en daarbij eveneens veelal een of meer reguliere vervolgaanvragen hebben ingediend. Voor de in de Regeling opgenomen beperking van de doelgroep die voor verblijf in aanmerking kan komen dient derhalve in het licht van artikel 26 van het IVBPR een rechtvaardigingsgrond aanwezig te zijn.
15. In het bestreden besluit is geen rechtvaardigingsgrond genoemd. De – enkele – verwijzing naar het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 is daartoe onvoldoende. Verder wordt weliswaar benadrukt dat de Regeling expliciet beperkt is tot een speciale doelgroep, maar daarbij is niet aangegeven om welke reden dat is gebeurd en of die reden kan worden gezien als een rechtvaardigingsgrond in het licht van artikel 26 van het IVBPR. Bij zijn heroverweging in bezwaar zal verweerder deze motivering alsnog moeten geven. Daarbij dient tevens aandacht te worden besteed aan de vraag of het gekozen middel – in de vorm van de Regeling zoals deze thans tot stand is gekomen – geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken en of daarbij overigens is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
16. Gelet op het voorgaande kan niet gezegd worden dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft, zodat er aanleiding is het verzoek toe te wijzen.
17. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;
• waarde per punt € 322,00;
• wegingsfactor 1.
18. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 145,00 dient te vergoeden.
19. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De voorzieningenrechter,
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen zolang nog niet is beslist op het door hem ingediende bezwaarschrift;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 145,00;
- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 322,00;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.
Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. P.M. de Kruif als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2008.