
Jurisprudentie
BF0174
Datum uitspraak2008-09-02
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4390 WWB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4390 WWB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen belang meer. Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep.
Uitspraak
07/4390 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2007, 06/1815 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 2 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2008. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij uitspraak van heden met registratienummer 07/4389 WWB heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 21 juni 2006, 06/1833 bevestigd. Daarmee is de intrekking van de bijstand van appellant per 1 februari 2002 in rechte onaantastbaar geworden.
1.2. Op 19 februari 2002 heeft appellant een aanvraag ingediend om toelating tot de voorbereidingsfase voor startende zelfstandigen als bedoeld in artikel 8, zesde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 18 augustus 2003 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen positieve verwachting bestaat ten aanzien van een succesvol ondernemerschap van appellant. Het College had zich daarbij laten leiden door een advies ingewonnen bij Friedeberg Consultancy BV. Bij datzelfde besluit werd overwogen dat appellant wegens de intrekking van de bijstand niet meer tot de doelgroep van artikel 8, zesde lid, van de Abw behoorde.
1.3. Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft het College onder wijziging van de motivering het tegen het besluit van 18 augustus 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de bijstand van appellant per 1 februari 2002 is ingetrokken en dat hij reeds om die reden niet voor toelating tot de voorbereidingsperiode voor startende zelfstandigen in aanmerking kwam.
2. Bij uitspraak van 8 december 2005 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 26 augustus 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 augustus 2004 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen.
2.1. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het College bij besluit van 2 maart 2006 opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2003 beslist. Daarbij zijn de bezwaren van appellant wederom ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. De Raad stelt allereerst aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat appellant - inmiddels - alsnog de door hem beoogde begeleiding naar zelfstandig ondernemerschap, naar de Raad begrijpt met behoud van bijstand, vanwege de gemeente heeft ontvangen. Dit doet de vraag rijzen of en in hoeverre appellant thans nog een rechtens te honoreren belang heeft bij een inhoudelijk oordeel omtrent het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.
5.2. De Raad is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Appellant heeft uiteindelijk verkregen wat hij aanvankelijk met de indiening van zijn bezwaar- en beroepschriften beoogde te bereiken. Aantoonbare schade aan de zijde van appellant is niet gesteld noch is daarvan anderszins gebleken.
5.2.1. Hetgeen appellant ten aanzien van de in zijn ogen slechte organisatie van de toenmalige afdeling CAZ van de gemeente heeft aangevoerd maakt dit niet anders, aangezien dit op zichzelf losstaat van de aan de geschil ten grondslag liggende materiƫle rechtsvraag. Volledigheidshalve merkt de Raad nog op dat een en ander onverlet laat dat appellant, gelet op het bepaalde in hoofdstuk 9 van de Awb, desgewenst een officiƫle klacht bij het College had kunnen indienen.
5.2.2. Gelet op het voorgaande dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.3. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 september 2008.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
OA