
Jurisprudentie
BF0168
Datum uitspraak2007-07-21
Datum gepubliceerd2008-09-09
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13.497.329-2007
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-09
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13.497.329-2007
Statusgepubliceerd
Indicatie
EAB Duitsland. Overlevering ter executie van onherroepelijk vonnis toegestaan. Geen garantie art. 12 OLW nodig nu voldoende vast staat dat veroordeelde zijn verdedigingsrecht heeft kunnen uitoefenen. O.p. voert onschuldverweer en bestrijdt veroordeelde te
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.497.329-2007
RK nummer: 07/3778
Datum uitspraak: 27 juli 2007
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 juni 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op
28 september 2005 door de Hoofdofficier van Justitie, verbonden aan het Openbaar Ministerie (Staatsanwaltschaft) te Oldenburg, Duitsland.
Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1968,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Noord-Holland Noord’,
Huis van Bewaring ‘Zwaag’ te Zwaag,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 juli 2007. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. G. Szegedi, advocaat te Rotterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt een bevel tot inhechtenisneming ten grondslag, uitgevaardigd door de officier van justitie te Oldenburg en gedateerd 17 november 2004 (dossiernummer 116 Js 68/01 VRs).
Dit bevel heeft betrekking op een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, gewezen door het Amtsgericht Cloppenburg op 12 juli 2001 (dossiernummer 3 Ls 116 Js 68/01 (10/01))
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. Het vonnis is sinds 15 oktober 2004 in kracht van gewijsde, zo vermeldt het EAB.
De officier van justitie mevrouw D. Schiereck-Bohlmann verklaart in een aan het Amsterdams parket gerichte brief d.d. 26 juni 2007 dat dit vonnis betrekking heeft op twee feiten. In deze brief worden de feiten nader omschreven. Hiermee voldoet het EAB aan de in artikel 2, tweede lid, onder e van de OLW daaraan gestelde vereisten.
Deze feiten zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage 1 aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB en in genoemde brief. Een door de griffier gewaarmerkt afschrift van deze brief wordt als bijlage 2 aan deze uitspraak gehecht.
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet op de hoogte te zijn van het tegen hem gewezen vonnis.
De rechtbank dient in dat geval te beoordelen of de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aan de orde is.
De officier van justitie heeft in bovengenoemde brief verklaard dat de opgeëiste persoon na zijn veroordeling door het Amtsgericht Cloppenburg van 12 juli 2001 beroep heeft ingesteld tegen het vonnis. Dit beroep is op 21 september 2004 door het Landgericht Oldenburg afgewezen. Hiermee is het vonnis van het Amtsgericht Cloppenburg in kracht van gewijsde gegaan. De strafzaak kan in Duitsland niet opnieuw worden behandeld, aldus genoemde officier van justitie.
In een aanvullende brief d.d. 10 juli 2007 verklaart de officier van justitie te Oldenburg dat de opgeëiste persoon de behandeling van zijn strafzaak door het Amtsgericht persoonlijk heeft bijgewoond en dat hij zich op dat moment in voorlopige hechtenis bevond. Na de behandeling van de zaak heeft de opgeëiste persoon kans gezien te ontvluchten. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft hij niet bijgewoond, aldus de Duitse officier van justitie.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de persoon die bij vonnis van het Amtsgericht Cloppenburg op 12 juli 2001 is veroordeeld voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, zijn verdedigingsrecht in voldoende mate heeft kunnen uitoefenen en dat een garantie als bedoeld in artikel 12 OLW niet behoeft te worden gegeven.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Turkse nationaliteit heeft.
4. Strafbaarheid
4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft één van beide feiten aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Uitgaande van het nationale recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Eén van de feiten valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Op dit feit is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Het tweede feit is zowel naar het recht van Duitsland als naar Nederlands recht strafbaar.
Op dit feit is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
valsheid in geschrift.
In dit verband merkt de rechtbank – wellicht ten overvloede – op dat in eerdergenoemde brief (bijlage 2 bij deze uitspraak) beschreven staat dat de opgeëiste persoon uit een politiecel is ontvlucht. Voor zover het EAB ziet op dit feit dient de overlevering hiervoor te worden geweigerd, nu dit in Nederland geen strafbaar feit oplevert.
5. Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten.
Hij heeft bevestigd dat hij de persoon is op wie de vordering van de officier van justitie betrekking heeft, maar met klem bestreden dat hij de persoon is die door de uitvaardigende justitiële instantie wordt gezocht en die voor de in het EAB genoemde feiten is veroordeeld.
De raadsman heeft verzocht de overlevering te weigeren nu de dactyloscopische sporen waarover de Nederlandse justitie beschikt niet zijn vergeleken met in Duitsland van de veroordeelde afgenomen vingerafdrukken en derhalve niet vast staat dat de opgeëiste persoon ook de persoon is op wie het vonnis van het Amtsgericht Oldenburg betrekking heeft.
De officier van justitie heeft primair gevorderd de overlevering toelaatbaar te verklaren en het identiteitsonderzoek in Duitsland te laten plaatsvinden, subsidiair verzocht de behandeling van de vordering aan te houden in afwachting van de resultaten van de vergelijking tussen de verschillende dactyloscopische sporen.
De rechtbank heeft ten aanzien van het gevoerde verweer het volgende overwogen.
De opgeëiste persoon heeft getracht zijn onschuld aan te tonen door te beweren dat hij niet degene is op wie het vonnis van het Amtsgericht Cloppenburg betrekking heeft. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen. Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan beide feiten, is niet gebleken.
In zoverre faalt het verweer.
Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de officier van justitie tot aanhouding van de zaak teneinde dactyloscopisch onderzoek te laten plaatsvinden, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank gaat er vanuit dat er van de veroordeelde in Duitsland vingerafdrukken zijn genomen en dat deze bewaard zijn gebleven. In dat geval is het eenvoudig om te onderzoeken of de opgeëiste persoon inderdaad de veroordeelde is. Het ware wenselijk geweest dat een dergelijk eenvoudig onderzoek reeds had plaatsgevonden. De vraag of de stukken van het EAB als ongenoegzaam moeten worden beoordeeld, nu dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden en de behandeling moet worden aangehouden teneinde het onderzoek alsnog te laten plaatsvinden, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Immers, het onderzoek kan – na overlevering – direct in Duitsland gebeuren. Gelet op het grote aantal zaken is het niet mogelijk om de zaak op korte termijn weer op zitting te behandelen. Rekening houdend met de aard van het verweer is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon niet gebaat is bij uitstel en zal zij om die reden direct uitspraak doen. Het gewenste onderzoek kan dan direct na overlevering in Duitsland plaatsvinden, indien de opgeëiste persoon persisteert bij zijn verweer dat hij niet de veroordeelde is.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW
Uit de stukken blijkt dat de feiten waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld gedeeltelijk in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.
Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:
Slechts een deel van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht is op Nederlands grondgebied gepleegd. Het gehele opsporingsonderzoek heeft zich in de verzoekende lidstaat, althans niet in Nederland, afgespeeld en de justitiële autoriteiten (politie, Openbaar Ministerie en zittende magistratuur) hebben zich steeds met die feiten bezig gehouden.
De verdovende middelen waren bestemd voor de Duitse markt en de opgeëiste persoon is in Duitsland voor de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, reeds veroordeeld.
Het voorgaande brengt met zich mee dat op grond van de goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitse autoriteiten de voorkeur geniet boven de eventuele overname van de strafzaak door Nederland, aldus de officier van justitie.
De raadsman heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten acht de rechtbank de vordering niet onredelijk en is zij van oordeel dat de officier van justitie op de door hem aangevoerde gronden in redelijkheid tot zijn vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet bedoelde weigeringsgrond.
7. Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikelen 2, 5, 7 en 13 van de Overleveringswet.
9. Beslissing
WIJST AF het verzoek tot aanhouding.
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Hoofdofficier van Justitie, verbonden aan het Openbaar Ministerie (Staatsanwaltschaft) te Oldenburg, Duitsland, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
VERSTAAT dat de overlevering niet wordt verzocht voor de in het EAB genoemde ontvluchting.
Aldus gedaan door
mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,
mrs. M. van Mourik en A.R.P.J. Davids, rech¬ters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif¬fier,
en direct uitgesproken ter openbare zitting van 27 juli 2007.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.