
Jurisprudentie
BF0166
Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/3791 WWB-VV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/3791 WWB-VV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Hoogte bijstandsuitkering. Rekening houden met inkomsten uit verkoop van participaties Obligatiefonds? Term "beschikken": bezit feitelijk kunnen aanwenden voor noodzakelijke kosten van bestaan. Hypotheeklasten. Voorlopige voorziening.
Uitspraak
08/3791 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Naam verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
in verband met het hoger beroep van:
verzoekster
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 20 mei 2008, 07/1039 en 08/368 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoekster
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidhorn (hierna: College)
Datum uitspraak: 9 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. M. Degelink, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens verzoekster heeft mr. Degelink tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2008. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Degelink. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Aangezien de voorzieningenrechter van oordeel is dat de onderhavige zaak, gezien de complexiteit ervan, ongeschikt is voor de behandeling door één rechter, wordt geen gebruik gemaakt van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid.
Voorts wordt vastgesteld dat, voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de beslissing in de hoofdzaak.
2. Aan de aangevallen uitspraak worden de volgende feiten ontleend:
“Verzoekster heeft haar huidige woning, [adres] te [woonplaats], in 2002 gekocht voor een bedrag van € 259.413,00. Zij heeft deze woning in 2002 gefinancierd met een zogenaamde meerwaardehypotheek van de Postbank. De meerwaardehypotheek van de Postbank is een beleggingshypotheek met een zogenaamde “overwaardeconstructie”. Deze hypotheekvorm is opgebouwd uit een aflossingsvrije hypothecaire lening (van € 259.413,00) en inzet van eigen vermogen in twee beleggingsfondsen. Uit het eerste beleggingsfonds wordt, door de verkoop van deelnemingsrechten, maandelijks geld onttrokken. Dit geld wordt gebruikt om de maandelijkse rentelasten geheel of gedeeltelijk te financieren. Het tweede beleggingsfonds wordt gebruikt om kapitaal op te bouwen waarmee aan het eind van de overeenkomst de hypotheek geheel of gedeeltelijk kan worden afgelost. Verzoekster heeft een eigen vermogen van € 125.000,00 (afkomstig uit de overwaarde van haar woning in [plaatsnaam]) ingebracht:
- € 100.000,00 daarvan (het inkomensaanvullingsdeel), wordt belegd in het Postbank Obligatiefonds en wordt gebruikt om een gedeelte van de maandelijkse rentelasten van € 1.124,13 per maand te financieren. Dat maandelijkse aanvullingsbedrag bedraagt € 655,00. Verzoekster dient zelf nog de resterende € 469,13 uit haar inkomen te betalen;
- € 25.000,00 (het kapitaalopbouwdeel) wordt belegd in Postbank beleggingsfondsen en wordt gebruikt om aan het eind van de looptijd (30 jaar) de hypotheek af te lossen. De Postbank heeft een pandrecht op de obligaties en de aandelen.”.
Partijen hebben de juistheid van deze feiten niet betwist, waarbij wordt aangetekend dat in de zich onder de stukken bevindende Meerwaardeovereenkomst een aanvullingsgedeelte van € 108.343,-- en een kapitaalopbouwgedeelte van € 16.657,-- wordt genoemd.
2.1. Verzoekster is een alleenstaande ouder met twee in 1996 respectievelijk 2000 geboren kinderen. Verzoekster heeft op 4 juni 2007 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend in aansluiting op de haar tot en met 1 juli 2007 verleende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.
2.2. Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat verzoekster zelf in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien omdat zij op de aanvraagdatum over een vermogen van € 93.092,34 beschikte zodat de voor haar geldende vermogengrens van € 10.490,-- werd overschreden. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2007 gegrond verklaard en verzoekster over de periode van 3 juli 2007 tot 10 september 2007 een aanvullende bijstandsuitkering om niet toegekend. Aan het besluit van 29 januari 2008 wordt het volgende ontleend:
“Gevolgen voor de bijstandsverlening Dat betekent dat aan mevrouw [naam verzoekster] met terugwerkende kracht met ingang van
3 juli 2007 tot 10 september 2007 een aanvullende bijstandsuitkering om niet wordt toegekend. Op basis van het advies van de commissie hadden wij de bijstand in de vorm van een lening kunnen verstrekken en daarbij nog aanvullende verplichtingen kunnen stellen, zoals de verkoop van de woning binnen een jaar. Maar gezien de korte periode van bijstandsverlening zien wij hiervan af. Bij de vaststelling van de hoogte van de uit te betalen bijstand zal rekening worden gehouden met de inkomsten uit obligaties van € 655,-- per maand voor de woonlasten, de alimentatie die u voor uw beide kinderen ontvangt en de heffingskortingen van de belastingdienst. Het vermogen stellen wij vast op € 93.092,34 inclusief het bedrag van € 92.775,83, waarover mevrouw [naam verzoekster] op dit moment nog niet redelijkerwijs kan beschikken.
Het verstrekte voorschot van € 180,-- zal verrekend worden met de nog uit te betalen bijstand over bovengenoemde periode.
Beëindiging uitkering In ieder geval vanaf 10 september 2007 bestaat er geen recht meer op bijstand, omdat mevrouw [naam verzoekster] dan beschikt over inkomsten boven de norm vanwege haar parttime werkzaamheden als huiswerkbegeleidster. Mevrouw [naam verzoekster] dient nog wel de rechtmatigheidonderzoeksformulier over de maanden juli, augustus en september 2007 in te leveren. Het onder andere niet voldoen aan deze verplichting zou mogelijk kunnen leiden tot een eerdere beëindigingdatum.”
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - voor zover van belang - het beroep tegen het besluit van 29 januari 2008 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter was van oordeel dat het maandelijkse aanvullingsbedrag van € 655,-- dat de Postbank op de girorekening van verzoekster bijschrijft en dat vervolgens door de Postbank ter betaling van de rentelasten wordt geïncasseerd, moet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB. Daarbij is in aanmerking genomen dat de maandelijkse inkomensaanvulling uit de opbrengst van de maandelijkse verkoop van de obligaties uit het Postbank Obligatiefonds voortvloeit en bedoeld is om een deel van de rentelasten van de hypothecaire lening van verzoekster te dekken. Het resterende gedeelte van de rentelasten (€ 469,13) dient verzoekster uit haar overige inkomen aan de Postbank te betalen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het College het maandelijkse bedrag van € 655,-- op grond van het bepaalde in artikel 19, eerste en tweede lid, van de WWB terecht in aanmerking genomen bij de vaststelling van de aan verzoekster te verlenen bijstand. De voorzieningenrechter heeft voorts geoordeeld dat uit de afschriften van de girorekening van verzoekster blijkt dat zij alimentatie voor haar beide kinderen heeft ontvangen zodat dat het College ook daarmee terecht rekening heeft gehouden.
4. Verzoekster heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Zij heeft gesteld dat het bedrag van € 655,-- dat maandelijks op haar rekening wordt gestort, geen inkomen is in de zin van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het bedrag is immers de opbrengst van de maandelijkse verkoop van de participaties uit het obligatiefonds. Voorts heeft verzoekster betoogd dat zij redelijkerwijs niet kan beschikken over het bedrag van € 655,-- omdat dit uitsluitend bedoeld is om een gedeelte van de rentelasten van haar hypotheek te voldoen. Ten slotte heeft verzoekster betwist dat zij voor haar beide kinderen alimentatie ontvangt. Zij heeft gesteld dat zij slechts voor haar in 1996 geboren zoon alimentatie ontvangt en niet voor haar in 2000 geboren dochter. Voor haar dochter ontving zij tot augustus 2007 van een vriend slechts een onverplichte bijdrage in de algemene kosten van onderhoud.
5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
5.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
5.2. De participaties in het Postbank Obligatiefonds en de beleggingen in het “Kapitaalopbouwfonds” vormen op zich een bestanddeel van het vermogen van verzoekster. Het tussen partijen bestaande geschil spitst zich toe op de vraag of gezegd kan worden dat verzoekster op en na 3 juli 2007 redelijkerwijs kan beschikken - in de zin van artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB - over de opbrengt van € 655,-- uit de maandelijkse verkoop van participaties uit het Obligatiefonds.
5.3. Volgens vaste rechtspraak moet, mede gelet op artikel 11 van de WWB, de term beschikken zó worden uitgelegd, dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk te kunnen aanwenden teneinde in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.
5.3.1. Vaststaat dat verzoekster in het kader van de met de Postbank gesloten Meerwaardehypotheek met haar ingelegde vermogen onder meer participaties heeft gekocht in het Postbank Obligatiefonds, dat het ingelegde vermogen alsmede de daarop behaalde rendementen aan de Postbank zijn verpand en dat verzoekster niet vrij over haar binnen de hypotheek belegde vermogen kan beschikken. Verzoekster heeft zich voorts verplicht om er voor te zorgen dat op haar girorekening steeds voldoende saldo aanwezig is om de rente van haar hypotheek te kunnen voldoen. Ten slotte is de Postbank bevoegd, indien verzoekster de rente van haar hypotheek niet tijdig betaalt, de aandelen van verzoekster te (doen) verkopen en de opbrengst daarvan te innen ter betaling van hetgeen verzoekster aan de Postbank verschuldigd is, onverminderd het recht van de Postbank om bij het tekortschieten door verzoekster het verschuldigde geheel op te eisen.
5.3.2. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat, gelet op het onder 5.3.1 overwogene, niet kan worden gezegd dat verzoekster het litigieuze bedrag van € 655,-- feitelijk kan aanwenden teneinde in andere noodzakelijke kosten van het bestaan dan de rentelasten van haar hypotheek te voorzien. Aangezien verzoekster maandelijks in totaal € 1.124,13 als rente voor haar hypotheek moet betalen, terwijl de voor haar geldende norm met toeslag in juli 2007 € 1.121,57 bedroeg, acht de voorzieningenrechter het vooralsnog voldoende aannemelijk dat verzoekster ten tijde in geding van belang en ook thans nog feitelijk in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert in die zin dat zij niet over voldoende middelen beschikt om te voorzien in andere noodzakelijke kosten van bestaan dan woonlasten. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter voldoende termen aanwezig om te bepalen dat bij wijze van voorlopige voorziening het College aan verzoekster voorschotten verstrekt tot een bedrag van € 655,-- totdat door de Raad in de bodemprocedure is beslist en dit met ingang van de datum van ontvangst van het verzoek om voorlopige voorziening door de Raad, zijnde 25 juni 2008.
5.4. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om ook een voorlopige voorziening te treffen ter zake van de vergoeding ten behoeve van het onderhoud van de dochter van verzoekster, [L.], omdat deze wordt betwist. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze vergoeding blijkens de stukken al geruime tijd (jaren) wordt ontvangen en ook nog in augustus 2007 onder de noemer alimentatie op de girorekening van verzoekster is gestort.
5.5. Bevorderd zal worden dat de Raad de hoofdzaak zo spoedig mogelijk zal behandelen.
5.6. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. Ten slotte dient het griffierecht ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening te worden vergoed.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe, in die zin dat wordt bepaald dat het College aan verzoekster met ingang van 25 juni 2008 voorschotten ingevolge de WWB verstrekt tot een bedrag van € 655,-- per maand totdat door de Raad in de bodemprocedure zal zijn beslist;
Veroordeelt het College in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Zuidhorn;
Bepaalt dat de gemeente Zuidhorn aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 september 2008.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) W. Altenaar.
OA