Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0156

Datum uitspraak2008-09-02
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsGroningen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/29087
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / China / geen zicht op uitzetting
Gelet op de informatie die verweerder in de pleitnota heeft neergelegd en de brief van 28 augustus 2008, waarin verweerder de door de rechtbank aan verweerder voorgelegde vragen heeft beantwoord, is verweerder er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn mogelijk is. Uit deze informatie blijkt immers dat, hoezeer ook verweerder zich inspant om tot een oplossing te komen, tot op heden nog geen concreet resultaat is bereikt, noch binnen afzienbare termijn is te verwachten. De verwachting van verweerder dat inspanningen tot een veranderde houding zouden leiden, is nog immer niet uitgekomen. Nu verweerder heeft geantwoord dat geen uitsluitsel gegeven kan worden over de vraag of op korte termijn verandering in de houding van de Chinese autoriteiten is te verwachten, moet worden aangenomen dat verweerder thans niet (meer) de verwachting heeft van een veranderde houding van de Chinese autoriteiten binnen een redelijke termijn. Ook de bespreking op 22 augustus 2008 heeft kennelijk niet tot een dergelijk resultaat geleid. Weliswaar zal het onderwerp ter sprake worden gebracht bij het bezoek aan China van de minister president in oktober 2008, maar er is geen enkele aanwijzing dat dit tot concrete resultaten op afzienbare termijn zal leiden. Beroep gegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer Zaaknummer: Awb 08/29087 Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende: [eiser], geboren op [1970], van Chinese nationaliteit, V-nummer: 272.107.6503, eiser, gemachtigde: mr. D. de Vries, advocaat te Leeuwarden. 1. Ontstaan en loop van het geschil 1.1. De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 21 april 2008 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt tot op heden voort. 1.2. Eiser heeft tegen het voortduren van de bewaring op 12 augustus 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 18 augustus 2008 heeft eiser de gronden van beroep aangevuld. 1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken - daaronder begrepen de inlichtingen met betrekking tot de (voortgang van de voorbereiding van de) verwijdering van eiser - aan de rechtbank en aan eiser toegestuurd. 1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 25 augustus 2008. Eiser is aldaar niet verschenen. Evenmin is zijn gemachtigde verschenen, met kennisgeving. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen R.L.F. Zandbelt. Ter zitting is het onderzoek geschorst. 1.5. Bij brief van 25 augustus 2008 heeft de rechtbank verweerder verzocht de in die brief opgenomen vragen te beantwoorden. 1.6. Bij brief van 28 augustus 2008 heeft verweerder de vragen van de rechtbank beantwoord. 1.7. Bij brief van 1 september 2008 heeft eiser gereageerd op de brief van verweerder van 28 augustus 2008. 1.8. Partijen hebben toestemming gegeven voor het afdoen van de zaak zonder (nadere) behandeling ter zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2. Rechtsoverwegingen 2.1. Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring reeds eerder heeft getoetst en dat daarbij is komen vast te staan dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring rechtmatig zijn. Derhalve staat thans slechts ter beoordeling of het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd is. 2.2. Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Daartoe heeft eiser verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 20 juni 2008, Awb 08/18668 (LJN: BD5011). Uit die uitspraak blijkt dat de Chinese autoriteiten sinds april 2007 in het geheel geen laissez passers meer hebben verstrekt aan zich in bewaring bevindende Chinezen, ook niet aan (enigszins) gedocumenteerde Chinezen. Weliswaar is het aan de vreemdeling om voldoende inspanningen te verrichten om in het bezit te komen van reis- en/of identiteitsdocumenten, echter nu vaststaat dat de Chinese autoriteiten geen laissez passers verstrekken aan zowel ongedocumenteerde als gedocumenteerde Chinezen, bestaat er geen reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De diverse vormen van diplomatiek overleg tussen de Nederlandse en de Chinese autoriteiten hebben nog niet tot enige concrete toezegging geleid van de Chinese autoriteiten en op grond hiervan kan niet worden aangenomen dat de Chinese autoriteiten binnen een redelijke termijn zullen overgaan tot afgifte van laissez passers ten behoeve van de uitzetting van Chinese vreemdelingen. De enkele verwachting van verweerder dat de inspanningen van de Nederlandse bewindspersonen tot op heden én in de komende periode tot een veranderde houding van de Chinese autoriteiten zullen leiden, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van reëel zicht op uitzetting voor Chinese vreemdelingen die niet in het bezit zijn van een paspoort. Nu geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat, is het voortduren van de bewaring onrechtmatig. 2.3. Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Verweerder stelt zich op het standpunt dat wel degelijk sprake is van zicht op uitzetting en heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 6 augustus 2008, 200805059/1. Niet is betwist dat eiser zelf niets onderneemt. Eiser heeft verklaard niet over documenten te beschikken, maar tijdens de asielprocedure is gebleken dat eiser met zijn eigen paspoort China heeft verlaten. Uit het vertrekgesprek blijkt dat eiser weigert mee te werken. Eiser verleent derhalve geen medewerking. Verweerder handelt voortvarend, zo rappelleert verweerder regelmatig. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder verwezen naar de tijdens de behandeling van het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Maastricht, ter zitting van 21 augustus 2008 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) door verweerder overgelegde pleitnota. Een afschrift daarvan heeft verweerder ter zitting van 25 augustus 2008 overgelegd. 2.4. In de pleitnota die verweerder ter zitting heeft voorgelezen en die naar mededeling van verweerder dezelfde is als overgelegd tijdens de eerder genoemde zitting van 21 augustus 2008 van de AbRS, staat – samengevat – het volgende. Op 9 mei 2008 heeft een overleg plaatsgevonden tussen de meest betrokken bewindspersonen. Op 27 mei 2008 is bij het bezoek van de Chinese onderminister van Justitie aan Nederland de wijze waarop de Chinese autoriteiten documenten verstrekken onderwerp van gesprek geweest tussen genoemde onderminister en de Nederlandse staatssecretaris van Justitie en de minister van Justitie. Voorts vindt nog steeds afstemming plaats tussen de verschillende departementen om te komen tot een samenspel op verschillende beleidsterreinen om meer effect te sorteren. Daarover is onder meer op 17 juli 2007 (lees: 2008) interdepartementaal overleg gevoerd, welk overleg nog een vervolg zal krijgen. Op 10 augustus 2008 heeft de minister-president tijdens een gesprek met de Chinese premier aandacht gevraagd voor de situatie rond de terugkeer van illegale Chinese migranten. Hierbij is – volgens de pleitnota – van belang dat de minister-president namens de verschillende ministeries een groot aantal te bespreken punten aangereikt had gekregen, die niet alle binnen de beschikbare tijd aan de orde konden worden gesteld. Dat juist de situatie rond de terugkeer van illegale Chinese migranten wel aan de orde is gesteld, kan dan ook worden gezien als een bevestiging dat ook door de minister-president het belang van de situatie wordt onderschreven. In oktober 2008 zal de minister-president een officieel bezoek aan China brengen, waarbij overleg zal worden gevoerd met de Chinese premier. Nederlandse en Chinese ambtenaren werken intussen aan de uitwerking van de door beide bewindspersonen gewenste oplossing. Op 22 augustus 2008 heeft de plaatsvervangend directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek een onderhoud gehad met de Chinese ambassadeur. Daarnaast zal de vaste kamercommissie in bespreking gaan met de Chinese ambassadeur over het onderwerp. Indien die zich voordoen, zullen ook andere mogelijkheden worden benut om dit onderwerp te bespreken. Diplomatieke processen vergen enige tijd, ook als het belang duidelijk wordt onderkend. Verweerder sluit echter zeker niet uit dat binnenkort een verandering zal optreden, anderzijds moet niet worden uitgesloten dat daarvoor nog meerdere contactmomenten nodig blijken op ambtelijk en consulair niveau en mogelijk ook op het niveau van bewindspersonen, aldus de pleitnota. 2.5. De rechtbank heeft het aangewezen geacht naar aanleiding van die pleitnota vragen aan verweerder voor te leggen. Op 28 augustus 2008 heeft verweerder de vragen van de rechtbank schriftelijk beantwoord. In de brief heeft verweerder er allereerst op gewezen dat sprake is van inspanningen op hoog niveau om de Chinese autoriteiten tot een andere werkwijze te bewegen bij de afhandeling van aanvragen om een laissez passer, ingediend door de Nederlandse overheid ten behoeve van (veronderstelde) Chinese onderdanen. Aangegeven is dat de Nederlandse overheid de huidige handelswijze, waarbij de doorlooptijd zeer is opgelopen en al geruime tijd geen vervangende reisdocumenten zijn afgegeven aan de Nederlandse overheid, niet acceptabel acht. Door de Nederlandse staat wordt sinds 1 april 2008 een uiterste inspanning betracht en verweerder verzoekt de rechtbank dan ook om, gezien de grote inspanning die wordt gepleegd, de staat in de gelegenheid te stellen om de uitkomsten daarvan af te wachten. Er is een diplomatiek proces gaande om met de Chinese autoriteiten te komen tot afspraken over een verbeterde werkwijze. Verweerder vindt dat de inhoud van de besprekingen in dit stadium geen onderdeel kunnen uitmaken van een openbare zitting. Verweerder gaat er van uit dat, zeker gezien de geleverde inspanningen, resultaat zal worden geboekt en dat in afwachting daarvan de voortduring van de maatregel gerechtvaardigd is. In het gedeelte van de brief van 28 augustus 2008 met de antwoorden van verweerder op de door de rechtbank gestelde vragen, welk gedeelte de rechtbank integraal zal weergeven, staan zowel de vragen van de rechtbank als de antwoorden van verweerder vermeld. De tekst luidt als volgt: “Vraag 1 Onder 3. van de pleitnota staat vermeld: “Nederlandse en Chinese ambtenaren werken intussen aan de uitwerking van de door beide bewindspersonen gewenste oplossing”. Kunt u toelichten waar door de ambtenaren aan wordt gewerkt en waaruit de door beide bewindspersonen gewenste oplossing bestaat? Antwoord: De door de Nederlandse overheid gewenste oplossing is uiteraard een situatie waarin de doorstroom en afhandeling van door de Nederlandse staat ingediende spoediger lp-aanvragen dan thans het geval is. Wat de door de Chinese autoriteiten voorgestane oplossing [is] kan in dit stadium niet met zekerheid worden gezegd. Vraag 2 Wat is de uitkomst van het overleg tussen de plaatsvervangend directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek en de Chinese ambassadeur op 22 augustus 2008? Antwoord: De uitkomsten van het overleg van de plaatsvervangend directeur van de Dienst terugkeer en vertrek op de Chinese vertegenwoordiging op 22 augustus 2008 heeft geen concrete verandering of toezegging tot gevolg gehad. Vraag 3 Is de datum bekend waarop de vaste kamercommissie in bespreking gaat met de Chinese ambassadeur en zo ja, welke datum betreft het? Antwoord: De vaste kamercommissie heeft nog geen datum genoemd voor haar bespreking met de Chinese vertegenwoordiging. Vraag 4 Heeft verweerder nog de verwachting dat binnenkort een verandering zal optreden in de thans bestaande situatie? Zo ja, waar is die verwachting op gebaseerd en op welke termijn zal die verandering plaatsvinden? Antwoord: De Staatssecretaris kan geen uitsluitsel geven over de vraag of op korte termijn verandering in de houding van de Chinese autoriteiten is te verwachten. De bespreking op 22 augustus heeft niet een dergelijk resultaat gehad. In ieder geval zal [er] ruimte zijn om dit onderwerp ter sprake te brengen bij het bezoek aan China van de Minister President in oktober.” 2.6. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef, Vw 2000 kan een vreemdeling slechts in bewaring worden gesteld met het oog op de uitzetting. Dit betekent dat het voortduren van de bewaring in strijd is met de wet op het moment dat er geen zicht op uitzetting van eiser meer is. 2.7. Vaststaat dat de Chinese autoriteiten sinds april 2007 tot heden, derhalve sinds zeventien maanden, geen laissez passers aan ongedocumenteerde en (deels) gedocumenteerde Chinese vreemdelingen hebben verstrekt. Onder deze omstandigheid is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat uitzetting van eiser desondanks daadwerkelijk en binnen een redelijke termijn mogelijk is. 2.8. In de uitspraak van 28 juli 2008, 200804914/1 (LJN: BD9574), heeft de AbRS overwogen dat op dit moment de maximale inspanning wordt geleverd om te komen tot de terugname door China van eigen onderdanen. Voorts is overwogen dat deze activiteiten weliswaar nog niet tot een concrete toezegging van de zijde van de Chinese autoriteiten hebben geleid over de afgifte van laissez passers, maar de inspanningen van de Nederlandse bewindspersonen tot op heden en in de komende periode zullen, aldus de staatssecretaris, naar verwachting tot een veranderde houding leiden. Onder deze omstandigheden bestaat volgens de AbRS thans geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt. In de door verweerder aangehaalde uitspraak van 6 augustus 2008, 200805059/1 (LJN: BE1058), heeft de AbRS het in de uitspraak van 28 juli 2008 neergelegde oordeel bevestigd. 2.9. Gelet op de informatie die verweerder in de hiervoor genoemde pleitnota heeft neergelegd en de brief van 28 augustus 2008, waarin verweerder de door de rechtbank aan verweerder voorgelegde vragen heeft beantwoord, is verweerder er echter naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn mogelijk is. Uit deze informatie blijkt immers dat, hoezeer ook verweerder zich inspant om tot een oplossing te komen, tot op heden nog geen concreet resultaat is bereikt, noch binnen afzienbare termijn is te verwachten. De verwachting van verweerder dat inspanningen tot een veranderde houding zouden leiden, is nog immer niet uitgekomen. Nu verweerder heeft geantwoord dat geen uitsluitsel gegeven kan worden over de vraag of op korte termijn verandering in de houding van de Chinese autoriteiten is te verwachten, moet worden aangenomen dat verweerder thans niet (meer) de verwachting heeft van een veranderde houding van de Chinese autoriteiten binnen een redelijke termijn. Ook de bespreking op 22 augustus 2008 heeft kennelijk niet tot een dergelijk resultaat geleid. Weliswaar zal het onderwerp ter sprake worden gebracht bij het bezoek aan China van de minister president in oktober 2008, maar er is geen enkele aanwijzing dat dit tot concrete resultaten op afzienbare termijn zal leiden. 2.10. Uit het voorgaande volgt dat het voortduren van de bewaring in strijd is met de wet. Het beroep is gegrond en de bewaring dient te worden opgeheven. De rechtbank ziet aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding aan eiser voor de dagen die hij met ingang van de dag na de datum waarop de uitspraak (Awb 08/17915) in het laatste volgberoep is gedaan – zijnde 6 juni 2008 – ten onrechte in bewaring heeft doorgebracht. Eiser komt een bedrag toe van 86 maal € 70,- voor de van 7 juni 2008 tot en met 31 augustus 2008 in een huis van bewaring doorgebrachte dagen en – gezien de met ingang van 1 september 2008 verhoogde normbedragen voor schadevergoeding – een bedrag van € 80,- voor één in een huis van bewaring doorgebrachte dag. In totaal wordt aan eiser een bedrag van € 6.100,-,- toegekend. 2.11. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank worden bepaald op € 322,- (1 punt voor het beroepschrift). 3. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring per direct; - wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 6.100,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 322,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden. Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.M. Eleveld als griffier op 2 september 2008. Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open. Afschrift verzonden: