Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0138

Datum uitspraak2008-07-10
Datum gepubliceerd2008-09-09
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 07/4854 AKW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Terugvordering. Eisers betoog dat verweerder uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het bezwaar tegen de terugvordering ook had moeten beslissen op het bezwaar tegen de intrekking, kan niet slagen. Verweerder heeft over de perioden waarop de terugvordering ziet een intrekkingsbesluit genomen. De omstandigheid dat verweerder nog niet op het bezwaar tegen dat besluit heeft beslist maakt niet dat het terugvorderingsbesluit de vereiste juridische grondslag ontbeert.


Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 07/4854 AKW uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen: [eiser], wonende te Marokko, eiser, gemachtigde: mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder, gemachtigde: mr. A. Marijnissen. 1. Procesverloop Bij besluit van 8 januari 2007 heeft verweerder de uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) over het tweede kwartaal 1997 tot en met het tweede kwartaal 2001 en over het eerste kwartaal 2002 tot en met eerste kwartaal 2006 tot een bedrag van € 10.360,06 van eiser teruggevorderd. Bij besluit van 1 november 2007 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar voor zover dit is gericht tegen de terugvordering ongegrond verklaard en voor zover dit is gericht tegen de invordering (wijze van terugbetalen) gegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser bij brief van 12 december 2007 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2008, alwaar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. De rechtbank heeft vervolgens ter zitting het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat (het besluit tot toekenning van) de kinderbijslag bij besluit van 1 november 2006 over de perioden in geding is herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat eiser heeft nagelaten te melden dat zijn dochter, [dochter eiser], gedurende de betreffende perioden bij haar moeder (ex-echtgenote van eiser) woonachtig is geweest en eiser niet heeft aangetoond dat hij zijn dochter gedurende die perioden in belangrijke mate heeft onderhouden. De rechtbank overweegt allereerst dat voor zover in beroep ook gronden zijn aangevoerd tegen de herziening (intrekking) van de uitkering, de rechtbank op deze gronden niet zal ingaan nu de bestreden beslissing enkel betrekking heeft op de terugvordering. Namens eiser is voorts betoogd dat het terugvorderingsbesluit juridische grondslag ontbeert aangezien verweerder nog niet heeft beslist op zijn bezwaar tegen het intrekkingsbesluit. Als gevolg staat niet vast staat dat hij ten onrechte kinderbijslag heeft ontvangen. Hoewel het gelet op de nauwe verwevenheid van de terugvordering van de uitkering met de herziening en intrekking van het besluit tot toekenning daarvan zeker in de rede had gelegen dat verweerder uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het bezwaar tegen de terugvordering ook had beslist op het bezwaar tegen de intrekking, kan dit betoog niet slagen. Bij besluit van 1 november 2006 heeft verweerder immers over de perioden waarop de terugvordering ziet een intrekkingsbesluit (‘moederbeslissing’) genomen. De omstandigheid dat verweerder nog niet op het bezwaar tegen die beslissing heeft beslist - de rechtbank begrijpt dat dit te wijten is aan een administratieve omissie - maakt niet dat het terugvorderingsbesluit de vereiste juridische grondslag ontbeert. Immers, verweerder heeft voorafgaand aan het terugvorderingsbesluit van 8 januari 2007 een intrekkingsbesluit genomen waarvan de werking, gelet op artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), niet is geschorst door het door eiser daartegen gemaakte bezwaar. Dat, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft betoogd, de heroverweging van het intrekkingsbesluit gevolgen heeft voor de onderhavige terugvordering indien die heroverweging er toe leidt dat verweerder geheel of gedeeltelijk van de intrekking afziet, staat hiervan los. Overigens heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting te kennen gegeven dat thans spoedig op het bezwaar tegen de intrekking zal worden beslist. Evenmin kan slagen eisers betoog dat verweerder niet gerechtigd is kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal 1997 terug te vorderen nu meer dan vijf jaren zijn verstreken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in deze aansluiting dient worden gezocht bij hetgeen in het Burgerlijk Wetboek (hierna; BW) is bepaald met betrekking tot de verjaringstermijn van terugvorderingen van onverschuldigd betaalde uitkeringen. Ter zake is van belang artikel 3:309 waarin wordt bepaald dat de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Op grond hiervan kunnen onverschuldigde betalingen tot 20 jaar worden teruggevorderd mits binnen vijf jaar nadat de onverschuldigde betaling bekend is geworden de terugvordering plaatsvindt. Aan de onderhavige terugvordering ligt ten grondslag het feit dat verweerder er in 2006 mee bekend is geworden dat eiser heeft nagelaten te melden dat zijn dochter bij haar moeder verbleef en eiser niet heeft kunnen aantonen in het onderhoud van zijn dochter te hebben voorzien. Gelet hierop en gegeven het feit dat verweerder bij besluit van 8 januari 2007, derhalve ruim voordat bedoelde vijf jaren zijn verstreken, tot terugvordering is overgegaan is van verjaring van de onderhavige rechtsvordering geen sprake. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan in beroep is betoogd, niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de AKW op grond waarvan verweerder kon besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De enkele stelling in beroep dat een terugvordering van meer dan € 10.000,- onevenredig ingrijpend is nu eiser en zijn gezien met een remigratie-uitkering van (slechts) € 576,- per maand moeten rondkomen, is onvoldoende. Van belang acht de rechtbank voorts dat eiser met verweerder is overeengekomen maandelijks € 100,- op de vordering af te lossen. Dit is neergelegd in een besluit van 18 februari 2008 waartegen eiser geen rechtsmiddel heeft aangewend. Eiser heeft in beroep tot slot betoogd dat verweerder ten onrechte geen kosten van rechtsbijstand heeft vergoed in verband met het deel van het bezwaar dat gegrond is verklaard. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank evenwel terecht niet tot vergoeding overgegaan. Immers, door of namens eiser is, anders artikel 7:15, derde lid, van de Awb voorschrijft, geen verzoek tot vergoeding van de kosten ingediend voordat op het bezwaar is beslist. De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 10 juli 2008 door mr. C. F. de Lemos Benvindo, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. De griffier, De rechter, Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. afschrift verzonden op: Coll. DOC:B