
Jurisprudentie
BF0136
Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/580596-07 en 06/820350-08
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/580596-07 en 06/820350-08
Statusgepubliceerd
Indicatie
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 21 oktober 2007 schuldig heeft gemaakt aan brandstichting in een container in het Centrum in 't Harde en het plegen van openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen een container aan de Sportlaan in 't Harde. Er is sprake van gezamelijk handelen. Dat verdachte niet zelf de molotovcocktail in de kledingcontainer heeft gegooid, maakt dan ook niet dat verdachte dat niet kan worden aangerekend. Immers, niet is gebleken dat verdachte zich aan de handelingen heeft onttrokken dan wel zich heeft willen onttrekken. Verdachte kan dan ook tevens verantwoordelijk worden gehouden voor de handelingen van zijn medeverdachten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen personen.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
Parketnummer: 06/580596-07 en 06/820350-08
Uitspraak d.d. 9 september 2008
tegenspraak / dnip / onip (parketnummer 06/580596-07)
tegenspraak / dip / onip (parketnummer 06/820350-08)
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte A],
geboren te [plaats] op [1991],
wonende te [adres en plaats].
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 augustus 2008.
Voeging meerdere dagvaardingen
Ter terechtzitting heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 06/580596-07 en 06/820350-08 tegen verdachte aangebrachte zaken.
De tenlastelegging
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
Parketnummer 06/580596-07
1.
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2007 tot en met 22 oktober 2007 te 't Harde, gemeente Elburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/bij een (kunststof) container (geplaatst nabij het pand gelegen aan het Centrum 3 (en/of het winkelcentrum), immer heeft hij, verdachte, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, toen (aldaar) opzettelijk:
- bij die container papier (gestoken in (een) met benzine gevulde (bier)flesje(s)) (met een aansteker) aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), en/of
- (vervolgens) die/dat (bier)flesje(s) met voornoemde inhoud (en voorzien van brandend papier) in die container gegooid/geworpen, en/of
- benzine, althans een brandbare vloeistof in die container gegoten en/of met een aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen),
ten gevolge waarvan die container en/of de inhoud van die container geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat pand en/of (een) belendend(e) perce(e)l(en),
in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2007 tot en met 22 oktober 2007 te 't Harde, gemeente Elburg, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in/bij een (kunststof) container (geplaatst nabij het pand gelegen aan het Centrum 3 (en/of het winkelcentrum), terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat pand en/of (een) belendend(e) perce(e)l(en), althans gemeen gevaar voor goederen te duchten was, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, toen (aldaar) opzettelijk:
- meerdere, althans één, (bier)flesje(s) heeft/hebben gevuld met benzine, in ieder geval met een brandbare vloeistof, en/of
- (de hals van) die/dat (bier)flesje(s) heeft/hebben gevuld/voorzien met/van (een prop) papier, in ieder geval met/van een brandbare stof, en/of
- met die/dat (bier)flesje(s) met voornoemde inhoud is/zijn gegaan naar het pand gelegen aan/nabij het Centrum 3 en/of het winkelcentrum, en/of
- (vervolgens) bij een container (aan/nabij het Centrum 3 en/of het winkelcentrum) het papier (gestoken in die/dat met benzine gevulde (bier)flesje(s)) (met een aansteker) heeft/hebben aangestoken,in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft/hebben gebracht met (een) brandbare stof(fen), en/of
- (vervolgens) die/dat (bier)flesje(s) met voornoemde inhoud (en voorzien van een brandend papier) in die container heeft/hebben gegooid/geworpen, en/of
- benzine, althans een brandbare vloeistof in die container heeft/hebben gegoten en/of met een aansteker heeft/hebben aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft/hebben gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2007 tot en met 22 oktober 2007 te 't Harde, gemeente Elburg, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Centrum, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen en of meerdere container(s), welk geweld bestond uit het het gooien en/of deponeren van een brandende molotovcocktail, althans van (een) brandende (vloei)stof(fen) in die container(s);
art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2007 tot en met 22 oktober 2007 te 't Harde, gemeente Elburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere container(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] en/of [naam] Bloemenshops BV en/of Stichting Wereldwinkel en/of [Kapsalon] en/of Blokker B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
(incident 2, pag. 174)
art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
2.
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2007 tot en met 22 oktober 2007 te 't Harde, gemeente Elburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/bij een (kleding)container (op/aan de Sportlaan), immers heeft/hebben (is/zijn) verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk,
- meerdere, althans één, (bier)flesje(s) gevuld met benzine, in ieder geval met een brandbare vloeistof, en/of
- (de hals van) die/dat (bier)flesje(s) gevuld/voorzien met/van (een prop) papier, in ieder geval met/van een brandbare stof, en/of
- met die/dat (bier)flesje(s) met voornoemde inhoud gegaan naar die (kleding)container, en/of
- (vervolgens) bij die container het papier (gestoken in die/dat met benzine gevulde (bier)flesje(s)) (met een aansteker) aangestoken,in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), en/of
- (vervolgens) die/dat (bier)flesje(s) met voornoemde inhoud (en voorzien van een brandend papier) in die container gegooid/geworpen, ten gevolge waarvan die container (en/of de inhoud van die container) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die container en/of de inhoud van die container, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2007 tot en met 22 oktober 2007 te 't Harde, gemeente Elburg, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Sportlaan, in elk
geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een (kleding)container, welk geweld bestond uit het gooien en/of deponeren van een brandende molotovcocktail, althans van (een) brandende (vloei)stof(fen) in die container;
art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2007 tot en met 22 oktober 2007 te 't Harde, gemeente Elburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een (kleding)container en/of de inhoud van die container, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam B.V.]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
(incident 1, pag. 138)
art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
Parketnummer 06/820350-08
hij op of omstreeks 12 september 2007 in de gemeente Oldebroek met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Raadhuisplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal stompen en/of slaan tegen het gezicht en/of de nek en/of het (achter)hoofd, in ieder geval tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer];
art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op of omstreeks 12 september 2007 in de gemeente Oldebroek tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht en/of de nek en/of het (achter)hoofd, in ieder geval tegen het (boven)lichaam heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] (oog)letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
(dossiernr. PL0617/08-201159)
art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 2 primair (parketnummer 06/580596-07) ten laste gelegde. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging brand heeft gesticht in de kledingcontainer aan de Sportlaan in 't Harde. De officier van justitie acht niet bewezen dat daarbij gemeen gevaar voor goederen is ontstaan nu de container los op een parkeerplaats stond en dus niet in de nabijheid van gebouwen, auto's of andere goederen.
De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gemeen gevaar van goederen ten aanzien van de brandstichting in de kledingcontainer.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet gebleken is dat door de brandstichting in de kledingcontainer aan de Sportlaan in 't Harde op 21 oktober 2007 gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. Niet is gebleken dat de kledingcontainer zodanig gesitueerd was dat door het stichten van brand in deze container een dergelijk gevaar te duchten was. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair (parketnummer 06/580596-07) ten laste gelegde.
De bewijsmotivering (voetnoot 1)
A. De vaststaande feiten.
T.a.v. parketnummer 06/580596-07:
Op 21 oktober 2007 zijn door verdachte en zijn medeverdachten, [medeverdachte B], [medeverdachte C] en [medeverdachte D], bij het huis van [medeverdachte B] in Elburg vier zogenoemde molotovcocktails gemaakt. Verdachte en zijn medeverdachten zijn daarna in de auto van [medeverdachte D] gestapt en zijn via het industrieterrein van Elburg naar 't Harde gereden. Verdachte en zijn medeverdachten hadden de molotovcocktails meegenomen. Onderweg hebben verdachte en zijn medeverdachten een aantal molotovcocktails tot ontploffing gebracht.
T.a.v. parketnummer 06/820350-08
Op 12 september 2007 was verdachte met een groep vrienden, waaronder medeverdachte [medeverdachte C], op de kermis in Oldebroek. [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) was eveneens met een groep vrienden op de kermis in Oldebroek. Tussen de vriendengroep van verdachte en de vriendengroep van [slachtoffer] is onenigheid ontstaan, naar aanleiding waarvan deze laatste groep besloten heeft de kermis te verlaten en naar huis te gaan. De groep van verdachte is de groep van [slachtoffer] gevolgd, waarna wederom ruzie is ontstaan en geslagen is.
B. Het standpunt van het openbaar ministerie.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 subsidiair (parketnummer 06/580596-07) en het onder 1 (parketnummer 06/820350-08) ten laste gelegde. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de brandstichting en het plegen van openlijk geweld in de nacht van 21 oktober 2007 en 22 oktober 2007 op het standpunt gesteld dat sprake was van tezamen en in vereniging handelen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben immers tezamen bij het huis van [medeverdachte B] molotovcocktails gemaakt en zijn vervolgens met de molotovcocktails op pad gegaan. Onderweg hebben verdachte en zijn medeverdachten de molotovcocktails tot ontploffing gebracht. Daarbij was het naar het oordeel van de officier van justitie min of meer toevallig wie, waar en wanneer een molotovcocktail tot ontploffing bracht. Nadat de molotovcocktails in de kledingcontainer en in de container bij het winkelcentrum tot ontploffing waren gebracht hebben verdachte en medeverdachten samen naar het effect ervan gekeken. Later zijn ze gezamenlijk terug gegaan om te kijken of er nog brand was. Niet is gebleken dat verdachte dan wel een van zijn medeverdachten zich aan de gang van zaken heeft onttrokken dan wel heeft willen onttrekken.
Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het causaal verband tussen het teweegbrengen van de ontploffing in de container bij het winkelcentrum en de grote brand in de nacht van 21 en 22 oktober 2007 in het winkelcentrum in 't Harde juridisch niet aantoonbaar is.
Ten aanzien van het openlijk geweld gepleegd op 12 september 2007 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit de aangifte en uit de getuigenverklaringen blijkt dat verdachte deel uitmaakte van de groep die ruzie heeft gekregen met de vriendengroep van [slachtoffer]. Nu verdachte deel uitmaakte van de groep en zich niet aan de groep heeft onttrokken op het moment dat de vechtpartij is ontstaan, is verdachte daarmee medeverantwoordelijk voor het handelen van de groep, ook al heeft hij daarbij niet alle handelingen verricht.
C. Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich allereerst op het standpunt dat geen sprake is van brandstichting door verdachte in de container bij het winkelcentrum in 't Harde in de nacht van 21 en 22 oktober 2007. Verdachte ontkent immers een molotovcocktail in die container te hebben gegooid. Door verdachte is wel een nitraatje gegooid, maar dat is in de richting van de container gegooid en niet in de container. Bovendien is het gooien van een nitraatje niet ten laste gelegd, zodat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair ten laste gelegde (parketnummer 06/580596-07). Voorts kan ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde het bestanddeel "met een of meer anderen" niet worden bewezen. Bij dit incident is immers geen sprake van gezamenlijk handelen, nu verdachte alleen uit de auto is gestapt en het nitraatje heeft gegooid. De medeverdachten waren daar niet bij en hebben geen uitvoeringshandelingen verricht. Bovendien kan, gelet op het voorgaande, niet worden bewezen dat verdachte een molotovcocktail in de container heeft gegooid. Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde kan evenmin bewezen worden dat bij dit feit sprake was van gezamenlijk en in vereniging handelen. Ten slotte stelt de raadsman dat ten aanzien van feit 1 geen causaal verband aantoonbaar is tussen de handelingen van verdachte en zijn medeverdachten en de brand in het winkelcentrum in 't Harde diezelfde avond. Zo heeft verdachte onder meer verklaard dat hij om 21:30 uur thuis was, terwijl de brand in het winkelcentrum eerst om 1:43 uur is gemeld. Gezien deze tijdspanne is het dan ook zeer wel mogelijk dat die brand een andere oorzaak heeft.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde (parketnummer 06/580596-07) heeft de raadsman eveneens gesteld dat geen sprake is van gezamenlijk handelen door verdachte en zijn medeverdachten. Ten aanzien van dit feit zijn door verdachte geen uitvoeringshandelingen verricht zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (parketnummer 06/820350-08) heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte geweld heeft gebruikt. Dit blijkt niet uit de getuigenverklaringen zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
D. Beoordeling van de tenlastelegging.
De rechtbank acht voor het bewijs de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
T.a.v. feit 1 en feit 2 subsidiair (parketnummer 06/580596-07):
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij 21 oktober 2007 in de schuur bij [medeverdachte B] was en dat daar door [medeverdachte B] en [medeverdachte C] molotovcocktails werden gemaakt. [medeverdachte D] was ook aanwezig in de schuur bij [medeverdachte B]. Een van de molotovcocktails is door verdachte en medeverdachten achter de flat van [medeverdachte B] tot ontploffing gebracht. Daarna zijn verdachte en zijn medeverdachten in de auto van [medeverdachte D] gaan rijden. Verdachte heeft verklaard dat ze naar 't Harde zijn gereden. Daar heeft [medeverdachte B] een molotovcocktail in een kledingcontainer van het Leger des Heils gegooid. Vervolgens zijn zij naar het winkelcentrum van 't Harde gereden en is verdachte uitgestapt omdat hij moest plassen.
Verdachte heeft bij de politie verklaard (voetnoot 2) dat hij op 21 oktober 2007 samen met medeverdachten in de auto van [medeverdachte D] naar het winkelcentrum in 't Harde is gereden. [medeverdachte D] reed achter het winkelcentrum langs om te zien of er nog bekenden van hem stonden. Zij zijn in de buurt van het winkelcentrum gestopt bij een kledingcontainer van het Leger des Heils. [medeverdachte B] is uit de auto gestapt en verdachte bleef in de auto zitten. Vervolgens hoorde verdachte een behoorlijke knal. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte B] zei dat hij een molotovcocktail in de container had gegooid. Vervolgens stapte [medeverdachte B] weer in de auto en reden ze weer verder. Verdachte vroeg toen aan [medeverdachte D] om even te stoppen omdat hij moest plassen. Nadat [medeverdachte D] was gestopt is verdachte uit de auto gestapt. Hij is toen naar een paaltje gelopen dat bij het winkelcentrum stond.
[medeverdachte B] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 3) dat hij op 21 oktober 2007 tezamen met [medeverdachte D], [medeverdachte C] en verdachte in de schuur onder zijn flat was. Daar kwamen ze op het idee om molotovcocktails te maken. Voorts hebben ze vier bierflesjes gevuld met benzine en hebben ze papier in de flesjes gedaan. Vervolgens zijn ze met zijn vieren met de auto van [medeverdachte D] gaan rijden. Eerst hebben ze in Elburg rond gereden en daarna zij ze naar het winkelcentrum in 't Harde gegaan. [medeverdachte B] heeft verklaard dat hij alleen is uitgestapt en een brandende molotovcocktail in een container heeft gegooid. Later hoorde hij dat het een kledingcontainer was. Hierna zijn ze naar de andere kant van het winkelcentrum gereden, waar een kapper, de Blokker, de Wereldwinkel en een bloemenzaak zitten. Verdachte stapte uit en ging plassen tegen de muur van het magazijn van de Blokker. [medeverdachte B] heeft verklaard dat hij [medeverdachte C] hoorde zeggen "Kijk eens wat hij doet!". Voorts heeft [medeverdachte B] verklaard dat hij zag dat verdachte een brandende molotovcocktail in een container gooide. Hierna zijn [medeverdachte B], verdachte en de medeverdachten een rondje gaan rijden en weer teruggegaan naar genoemde kledingcontainer, deze rookte iets. [medeverdachte B] heeft verklaard dat ze daarna weer naar de Blokker zijn gegaan en dat hij zag dat de container die daar stond helemaal in de fik stond. [medeverdachte B], verdachte en de medeverdachten kwamen tot de conclusie dat het ding wel uit zou branden en zijn naar huis gegaan.
[medeverdachte D] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 4) dat hij op 21 oktober 2007 met [medeverdachte C], verdachte thuis heeft opgehaald en dat ze vervolgens naar [medeverdachte B] zijn gereden. Door verdachte en zijn medeverdachten zijn in de woning van [medeverdachte B] molotovcocktails gemaakt. Vervolgens zijn ze een stukje gaan rijden en hebben ze eerst in Elburg een tweetal molotovcocktails tot ontploffing gebracht. Daarna zijn ze naar het winkelcentrum in 't Harde gegaan. [medeverdachte D] heeft verklaard (voetnoot 5) dat op een parkeerplaats in 't Harde door [medeverdachte B] een molotovcocktail in een kledingcontainer is gegooid. Verdachte en zijn medeverdachten zijn daarna weer verder gereden en kwamen bij [kapper] uit. Daar is verdachte uit de auto gestapt. [medeverdachte D] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte een brandende molotovcocktail in de container gooide. Er kwam vuur tussen de kleppen uit. Hierna zijn verdachte en zijn medeverdachten weer terug naar de kledingcontainer gereden en vervolgens zijn ze weer terug naar de container bij het winkelcentrum gereden. Daarna zijn verdachte en medeverdachten naar huis gereden.
[medeverdachte C] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 6) dat hij op 21 oktober 2007 in de schuur bij [medeverdachte B] met [medeverdachte B], [medeverdachte D] en verdachte vier molotovcocktails heeft gemaakt van lege bierflessen en brandbare vloeistof. Deze molotovcocktails hebben ze meegenomen in de auto. In Elburg zijn er twee aangestoken en weggegooid. Voorts heeft [medeverdachte C] verklaard (voetnoot 7) dat zij naar het winkelcentrum in 't Harde zijn gereden. Daar heeft [medeverdachte B] een molotovcocktail aangestoken en in een kledingcontainer gegooid. Hierna zijn verdachte en medeverdachten naar de Blokker aan de andere kant van het winkelcentrum gereden. Verdachte stapte daar uit de auto en liep naar een grote container, die tegen de muur van de Blokker aanstond. [medeverdachte C] heeft verklaard dat hij ineens een soort geluid hoorde, alsof er iets in de brand vloog. [medeverdachte C] zag dat er rook uit de container kwam. Verdachte liep hard naar de auto en sprong er in. Verdachte riep tegen [medeverdachte D] dat hij snel moest gaan rijden. Toen ze wegreden zag [medeverdachte C] flitsen en rook uit die container komen.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte heeft tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten brand gesticht in de container bij het winkelcentrum in 't Harde. Tevens acht de rechtbank gezien het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat verdachte op 21 oktober 2007 met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen een kledingcontainer aan de Sportlaan in 't Harde. Dit geweld bestond er in dat [medeverdachte B] een brandende molotovcocktail in die container heeft gegooid.
De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring uit van de verklaringen van [medeverdachte B] en [medeverdachte D], waarin zij verklaren dat verdachte een molotovcocktail in de container bij het winkelcentrum in 't Harde heeft gegooid. De rechtbank volgt de verklaring van verdachte dan hij (enkel) een nitraatje in de richting van een container heeft gegooid dan ook niet. De rechtbank gaat uit van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachten nu deze verklaringen met elkaar overeenstemmen en de medeverdachten met deze verklaringen elkaar en zichzelf belasten. Tevens sluiten deze verklaringen aan bij de verklaring van [medeverdachte C]. Overigens is door geen van de medeverdachten over een nitraatje verklaard.
De stelling van de raadsman dat geen sprake is van gezamenlijk handelen door verdachte en zijn medeverdachten en dat niet alle uitvoeringshandelingen door verdachte zijn verricht en derhalve niet aan hem kunnen worden toegerekend, volgt de rechtbank niet. Verdachte heeft immers op 21 oktober 2007 tezamen met zijn medeverdachten bij de woning van [medeverdachte B] molotovcocktails gemaakt. Daarna zijn zij tezamen in de auto gestapt en hebben zij de molotovcocktails meegenomen. Ze hebben eerst in Elburg een tweetal molotovcocktails tot ontploffing gebracht en daarna zijn ze naar het winkelcentrum in 't Harde gereden. In 't Harde hebben verdachte en zijn medeverdachten aan de openbare wegen de Sportlaan en het Centrum in twee containers de andere twee molotovcocktails tot ontploffing gebracht. Verdachte en zijn medeverdachten hebben gezamenlijk naar het effect staan kijken en zijn later nog terug gegaan naar de containers om te kijken of er brand was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een gezamenlijke voorbereiding en gezamenlijke uitvoering door verdachte en zijn medeverdachten, waarbij het min of meer willekeurig en toevallig lijkt wie welke molotovcocktail waar neergooide. Dat verdachte niet zelf de molotovcocktail in de kledingcontainer heeft gegooid, maakt dan ook niet dat verdachte dat niet kan worden aangerekend. Immers, niet is gebleken dat verdachte zich aan de handelingen heeft onttrokken dan wel zich heeft willen onttrekken. Verdachte kan dan ook tevens verantwoordelijk worden gehouden voor de handelingen van zijn medeverdachten.
T.a.v. feit 1 (parketnummer 06/820350-08)
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 12 september 2007 tezamen met een groep vrienden, waaronder zijn toenmalige vriendin [naam D], op de kermis in Oldebroek was. [slachtoffer] was eveneens met een groep vrienden op de kermis. Verdachte heeft verklaard dat [naam D] ruzie kreeg met een meisje uit de vriendengroep van [slachtoffer].
In de aangifte heeft [slachtoffer] verklaard (voetnoot 8) dat hij op 12 september 2007 met [naam A], zijn vriendin [naam B] en [naam C] naar de kermis te Oldebroek is gegaan. Op de kermis heeft [slachtoffer] problemen gekregen met een groep. Aangever heeft verklaard dat hij van deze groep onder meer [medeverdachte B], [medeverdacht[naam D] [naam D] en verdachte van naam kent. [medeverdachte C] begon tegen aangever te praten. Daarna begonnen steeds meer mensen zich er mee te bemoeien en te schreeuwen dat aangever op moest rotten. [medeverdachte C] gaf aangever een duw en hij duwde terug. Toen er nog een jongen bij kwam werd aangever weggetrokken door [naam A] Aangever heeft voorts verklaard dat iets verderop weer problemen ontstonden met deze groep. De groep bleef aangever en zijn vrienden volgen. [naam D] duwde de vriendin van aangever en gaf haar een elleboogstoot. Aangever heeft verklaard dat hij [naam D] bij zijn vriendin heeft weggetrokken, waarop [naam D] aangever een klap op zijn rechterwang gaf. [naam D] werd hysterisch en duwde en sloeg van zich af en aangever probeerde haar in bedwang te houden. Aangever heeft verklaard dat er toen zes of zeven jongens kwamen die hem begonnen te slaan. Verdachte sloeg aangever met zijn arm in zijn nek. Aangever draaide zich gelijk om en zag verdachte staan. Verdachte ging aan de kant en toen zag aangever [medeverdachte C] staan. [medeverdachte C] sloeg aangever met zijn vuist onder zijn oog en neus. Aangever kreeg een bloedneus. Aangever had ook een tand door zijn lip.
Getuige [medeverdachte B] heeft bij de politie verklaard (voetnoot 9) dat hij op 12 september 2008 met een groep vrienden op de kermis in Oldebroek was. [medeverdachte B] heeft verklaard dat er ruzie ontstond tussen zijn vriendengroep, waaronder verdachte en [naam D], en de vriendengroep van [slachtoffer]. De groep van [medeverdachte B] liep achter de groep van [slachtoffer] aan. Op een gegeven moment rende [naam D] op een meisje af en sloeg haar met haar vuist vol in het gezicht. [slachtoffer] bemoeide zich er mee en sloeg [naam D] in haar gezicht. [naam D] sloeg terug. Hierna bemoeide iedereen zich er mee. [medeverdachte B] heeft voorts verklaard dat verdachte en [medeverdachte C] [slachtoffer] aanvielen. [slachtoffer] kreeg behoorlijke klappen, want hij bloedde flink. [slachtoffer] heeft klappen gehad van verdachte en [medeverdachte C].
Uit de medische gegevens van 11 oktober 2008 van huisarts Rodenburg (voetnoot 10) blijkt dat sprake was van letsel bij [slachtoffer] bestaande uit een bloeding onder het linkeroog, een gezwollen neus en een onderhuidse bloeding aan de lippen. Uit het consult van 5 oktober 2007 blijkt dat [slachtoffer] wazig ziet en dat hij kleuren afwijkend ziet. [slachtoffer] is doorverwezen naar de oogarts in verband met mogelijke netvliesproblematiek.
De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 12 september 2007 openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer]. Dat verdachte niet alle ten laste gelegde handelingen heeft verricht, leidt niet tot een ander oordeel. Ten laste is gelegd dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], daarbij is niet van belang of verdachte alle handelingen zelf heeft verricht. Doordat verdachte aanwezig was, zelf geslagen heeft en zich niet aan de groep heeft onttrokken, kan verdachte mede verantwoordelijk worden geacht voor de handelingen die door de anderen uit de groep zijn verricht.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair (parketnummer 06/580596-07) en onder 1 (parketnummer 06/820350-08) ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
(parketnummer 06/580596-07)
1.
hij in de periode van 21 oktober 2007 tot en met 22 oktober 2007 te 't Harde, gemeente Elburg, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht in een kunststof container geplaatst nabij het pand gelegen aan het Centrum 3 en/of het winkelcentrum, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk:
- bij die container papier, gestoken in een met benzine gevuld bierflesje, aangestoken, en
- vervolgens dat bierflesje met voornoemde inhoud en voorzien van brandend papier in die container gegooid,
ten gevolge waarvan in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat pand en/of belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
2.
hij op 21 oktober 2007 te 't Harde, gemeente Elburg, met anderen, aan de openbare weg, de Sportlaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een kledingcontainer, welk geweld bestond uit het gooien en/of deponeren van een brandende molotovcocktail in die container;
art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht
(parketnummer 06/820350-08)
hij op 12 september 2007 in de gemeente Oldebroek met anderen, op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen stompen en/of slaan tegen het gezicht en/of de nek en/of het (achter)hoofd van die [slachtoffer];
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op de misdrijven:
(parketnummer 06/580596-07)
t.a.v. feit 1
het medeplegen van opzettelijk brand stichten als gevolg waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
t.a.v. feit 2 subsidiair
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen
(parketnummer 06/820350-08)
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Strafbaarheid van de verdachte
Over verdachte is een rapport persoonlijkheidsrapport opgemaakt. Uit het rapport van psycholoog Wetsteyn (voetnoot 11) volgt dat verdachte een nog zwak gestructureerde jongeman is die nog gestuurd wordt door primaire impulsen vanuit zijn zelfbescherming en in verstandelijk opzicht niet altijd begrijpt wat de consequenties van zijn handelen zijn. Dit gebeurt in geringe mate. De nog gebrekkige zelfsturing maakt verdachte, ook door die zelfbescherming en het niet durven tonen van diepere angsten of kwetsbaarheid - en dus 'stoer' doen tegenover zogenaamde vrienden - gevoelig voor spannend mogelijk delictgerelateerd gedrag. Er is geen sprake van een stoornis in engere zin, maar wel van een beperkte gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in die zin dat verdachte in cognitief opzicht, vooral verbaal, zwak functioneert, dit in combinatie met een sociaal emotionele achterstand. Ten tijde van de delicten was sprake van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.
De rechtbank kan zich vinden in de conclusie van de deskundige, te weten dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, en neemt deze conclusie over.
Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De officier van justitie heeft, het onder 1, 2 subsidiair (parketnummer 06/580596-07) en het onder 1 (parketnummer 06/820350-08) ten laste gelegde bewezenverklarend, gevorderd verdachte te veroordelen tot 40 dagen jeugddetentie met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht, een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering Nederland en een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie.
De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte en zijn medeverdachten molotovcocktails hebben gemaakt, vervolgens zijn gaan rondrijden en op ogenschijnlijk willekeurige plekken deze molotovcocktails tot ontploffing hebben gebracht. Verdachte en zijn medeverdachten hebben een van de molotovcocktails in een container in een winkelcentrum tot ontploffing gebracht. Het komt de rechtbank voor dat verdachte en zijn medeverdachten bij hun handelwijze geen oog hebben gehad voor het gevaar dat zij daarmee voor de goederen en panden in de directe omgeving van die container realiseerden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van ondoordacht en onverantwoord gedrag van verdachte en rekent dit verdachte zwaar aan. Te meer nu verdachte en zijn medeverdachten zagen dat er brand in de containers was ontstaan en vervolgens zijn weggereden. Daar komt bij dat verdachte door het tot ontploffing brengen van molotovcocktails en het stichten van brand veel onrust en gevoelens van angst veroorzaakt in de samenleving.
Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer]. Het slachtoffer werd al langere tijd lastig gevallen door verdachte en de (toenmalige) vrienden van verdachte, hetgeen heeft geleid tot de ruzie op 12 september 2007. Het slachtoffer heeft als gevolg van de vechtpartij letsel opgelopen en er zijn angstgevoelens ontstaan.
Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor (dergelijke) strafbare feiten. Voorts blijkt uit genoemd rapport van psycholoog Wetsteyn dat de persoonlijkheid van verdachte weliswaar risico's met zich brengt maar dat een recidive niet echt voor de hand ligt, zeker niet nu de justitiële reactie op de onderhavige feiten zoveel indruk op verdachte heeft gemaakt.
Gelet de omstandigheid dat verdachte reeds enige tijd in jeugddetentie heeft doorgebracht en deze detentie veel indruk op verdachte heeft gemaakt acht de rechtbank een langere jeugddetentie dan de reeds door verdachte ondergane jeugddetentie niet geboden. Wel is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie nodig is om verdachte er in de toekomst van te weerhouden om strafbare feiten te begaan. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen, een en ander conform de eis van de officier van justitie.
Vordering tot schadevergoeding
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 600,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/820350-08 tenlastegelegde.
De door het slachtoffer gevorderde schade betreft immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden en zij acht een vergoeding van tot op heden geleden schade tot een bedrag van € 300,- billijk. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht, hoofdelijk aansprakelijk. Voor het overige zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Het slachtoffer kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemd slachtoffer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 27, 36f, 77a, 77h, 77i, 77m,77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141 en 157 Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair (parketnummer 06/580596-07) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
- verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair (parketnummer 06/580596-07) en onder 1 (parketnummer 06/820350-08) ten laste gelegde heeft begaan.
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 100 (honderd) dagen.
- bepaalt, dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 60 (zestig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
- stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Jeugdreclassering, bureau Jeugdzorg, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt.
- geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde(n) hulp en steun te verlenen.
- beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht.
- veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:
een werkstraf gedurende 60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.
- veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 300,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende moment en vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
- verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
- verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.
- legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 300,-, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 6 dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
Aldus gewezen door mrs. Davids, voorzitter tevens kinderrechter, Weijers- Van der Marck en Morsink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 september 2008.
Voetnoten:
1 Wanneer hierna, t.a.v. de feiten genoemd op de dagvaarding met parketnummer 06/580596-07, wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (Stam) proces-verbaal nr. PL0610/08-200318, Regiopolitie Noord en Oost Gelderland, team recherche Noord West Veluwe, gesloten en getekend op 10 januari 2008.
Wanneer hierna, t.a.v. de feiten genoemd op de dagvaarding met parketnummer 06/820350-08, wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (Stam) proces-verbaal nr. PL0617/08-201159, Regiopolitie Noord en Oost Gelderland, District Noord West Veluwe, gesloten en getekend op 14 maart 2008.
2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpag. 220 en 221.
3 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte B], doorgenummerde dossierpag. 210 en 211.
4 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte D], doorgenummerde dossierpag. 198.
5 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte D], doorgenummerde dossierpag. 199.
6 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte C], doorgenummerde dossierpag. 226.
7 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte C], doorgenummerde dossierpag. 227.
8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], doorgenummerde dossierpag. 35 en 36.
9 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte B], doorgenummerde dossierpag. 54.
10 Medische informatie D.M.C. Rodenburg, doorgenummerde dossiepag. 42.
11 Rapport psychologisch onderzoek van drs. M.J.G.M. Wetsteyn van 20 mei 2008.