
Jurisprudentie
BF0109
Datum uitspraak2008-09-05
Datum gepubliceerd2008-09-09
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsMaastricht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08 / 29791
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-09
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsMaastricht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08 / 29791
Statusgepubliceerd
Indicatie
China / zicht op uitzetting
Uit hetgeen verweerder uiteen heeft gezet, blijkt dat, hoezeer ook verweerder zich thans inspant, er nog geen verandering in houding bij de Chinese autoriteiten is kunnen worden bewerkstelligd. Een verandering in houding bij de Chinese autoriteiten is echter, naar het oordeel van de rechtbank, een eerste vereiste om weer te komen tot het uitzetten van vreemdelingen naar China. Immers, zo lang de Chinese autoriteiten niet beslissen op de door verweerder ingediende lp-aanvragen, zal er niet gekomen kunnen worden tot het uitzetten van vreemdelingen naar China. Onder deze omstandigheden moet het, naar het oordeel van de rechtbank en dit mede met verwijzing naar haar uitspraak van 30 juli 2008 in de zaak nr. 08/25814 (LJN: BD8976), ervoor worden gehouden dat er geen zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn van eiser naar China.
Uit hetgeen verweerder uiteen heeft gezet, blijkt dat, hoezeer ook verweerder zich thans inspant, er nog geen verandering in houding bij de Chinese autoriteiten is kunnen worden bewerkstelligd. Een verandering in houding bij de Chinese autoriteiten is echter, naar het oordeel van de rechtbank, een eerste vereiste om weer te komen tot het uitzetten van vreemdelingen naar China. Immers, zo lang de Chinese autoriteiten niet beslissen op de door verweerder ingediende lp-aanvragen, zal er niet gekomen kunnen worden tot het uitzetten van vreemdelingen naar China. Onder deze omstandigheden moet het, naar het oordeel van de rechtbank en dit mede met verwijzing naar haar uitspraak van 30 juli 2008 in de zaak nr. 08/25814 (LJN: BD8976), ervoor worden gehouden dat er geen zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn van eiser naar China.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-Gravenhage,
zittinghoudend te MAASTRICHT
Reg.nr: AWB 08 / 29791 VRONTN
UITSPRAAK, als bedoeld in artikel 94, derde lid, juncto artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen
[eiser], thans verblijvend op de detentieboot te Dordrecht,
eiser,
en
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
Datum bestreden besluit: 13 augustus 2008.
Kenmerk: 0805.08.1107.
V-nummer: 272.158.4564.
I. PROCESVERLOOP
Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit heeft verweerder besloten tot de inbewaringstelling van eiser.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld en hij heeft daarbij verzocht om toekenning van een schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft op 1 september 2008 plaatsgehad. Eiser is daarbij vanaf zijn plaats van detentie, met behulp van een tolk in de Mandarijnse taal, via het zogeheten “telehoren” gehoord en is bijgestaan door A.M.B.J. Derks-Höppener, advocaat te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest. Daarop heeft zij het onderzoek heropend en verweerder per brief van 26 augustus 2008 verzocht een aantal, in die brief opgenomen vragen te beantwoorden. De beantwoording van de vragen heeft verweerder per brief van 29 augustus 2008 aan de rechtbank doen toekomen. Per brief van 1 september 2008 heeft eiser zijn reactie op deze beantwoording aan de rechtbank doen toekomen.
Mede gelet op de daartoe door partijen in hun brieven gegeven toestemming, heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft zij op 2 september 2008 het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) dient de rechtbank te beoordelen of de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met deze wet dan wel bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is.
Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de door partijen betrokken stellingen, ziet de rechtbank aanleiding direct te treden in de beantwoording van de vraag of er sprake is van het bestaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn van eiser naar China.
Voor de beantwoording van de vraag naar het bestaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar China, ziet de rechtbank zich niet voor de eerste keer gesteld; meermalen heeft zij zich er in het recente verleden in voorkomende gevallen over gebogen.
In haar uitspraak van 30 juli 2008 in de zaak nr. 08/25814 (LJN: BD8976), en in al haar uitspraken nadien, heeft de rechtbank als oordeel gegeven dat de vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Verkort en zakelijk weergegeven overwoog de rechtbank daarbij telkens dat verweerder er onvoldoende blijk van gaf toereikende pogingen te hebben ondernomen om te komen tot een opheffing van de stagnatie in de afgifte door de Chinese autoriteiten van de voor de terugkeer van vreemdelingen naar China vereiste laissez passers (hierna: lp’s). Bij verweerder leefde wel de overtuiging dat het intreden van een verandering in de dienaangaande houding van de Chinese autoriteiten verwacht mocht worden, maar omdat verweerder daarbij te kennen gaf niet te weten op welke termijn voormeld intreden mocht worden verwacht, oordeelde de rechtbank het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet aanwezig.
Mede in reactie op deze overwegingen heeft verweerder bij het ter zitting gehouden pleidooi het volgende opgemerkt:
‘Uw rechtbank is op andere momenten geïnformeerd over de voortdurende inspanningen van de Staatssecretaris. Op 9 mei 2008 heeft een overleg plaatsgevonden tussen de meest betrokken bewindspersonen. Voorts is aangegeven dat de wijze waarop de Chinese autoriteiten documenten verstrekken op 27 mei 2008, onderwerp van gesprek is geweest tussen de Chinese Onderminister van Justitie en de Nederlandse Staatssecretaris van Justitie en de Minister van Justitie bij het bezoek van de eerste aan Nederland. Verder vindt nog steeds afstemming plaats tussen de verschillende departementen om te komen tot een samenspel op verschillende beleidsterreinen om meer effect te sorteren. Hierover is onder meer op 17 juli 2007 [de rechtbank begrijpt: 2008] interdepartementaal overleg geweest dat nog zal worden vervolgd.
Meer recent heeft Minister-president Balkenende tijdens zijn gesprek met de Chinese Premier Wen Jiabao op 10 augustus 2008 aandacht gevraagd voor de situatie rond de terugkeer van illegale Chinese immigranten. Hij stelde dat het noodzakelijk was daarbij concrete resultaten te boeken. Premier Wen heeft aangegeven dat volgens hem de oplossing voor dit probleem gezocht moet worden binnen de relevante internationale juridische kaders.
Bedacht moet worden dat de Minister-president van de verschillende Ministeries een groot aantal punten ter bespreking heeft meegekregen die niet binnen de beschikbare tijd allemaal aan de orde konden worden gesteld. Dat juist dit punt door de Minister-president naar voren is gehaald kan dan ook worden gezien als een bevestiging dat ook door hem het belang van deze zaak wordt onderschreven.
De Minister-president zal in oktober 2008 een officieel bezoek aan China brengen waarbij overleg zal worden gevoerd met de Chinese Premier. Nederlandse en Chinese ambtenaren werken intussen aan de uitwerking van de door beide bewindspersonen gewenste oplossing. De vaste kamercommissie heeft aangekondigd in bespreking [te] gaan met de Chinese ambassadeur over dit onderwerp.
Uiteraard vergen diplomatieke processen enige tijd, ook indien – zoals ten aanzien van dit onderwerp – het belang duidelijk wordt onderkend. Het benoemen van een termijn blijft, gezien juist de aard van die diplomatieke contacten, niet volledig mogelijk. Het zelfde geldt voor het volledig inzicht geven in aard en inhoud van het besprokene. Dit kan naar zijn aard geen onderwerp zijn van een openbaar geding. De Staatssecretaris sluit zeker niet uit dat binnenkort een verandering zal optreden, anderzijds moet niet worden uitgesloten dat daarvoor nog meerdere contactmomenten nodig blijken op ambtelijk en consulair niveau, en mogelijk ook op het niveau van bewindspersonen.’
Naar aanleiding van voornoemde opmerkingen heeft de rechtbank verweerder per brief van 26 augustus 2008 een aantal vragen voorgelegd. De rechtbank moet constateren dat, om hem moverende redenen, verweerder niet al deze vragen volledig heeft willen beantwoorden. Voorts moet de rechtbank constateren dat in de brief van 26 augustus 2008 vragen worden beantwoord die niet, althans niet in die vorm en bewoordingen, door de rechtbank zijn gesteld. Het komt de rechtbank daarbij voor dat verweerder in zijn brief van 26 augustus 2008, in ieder geval gedeeltelijk en wellicht abusievelijk, de beantwoording heeft opgenomen van de vragen die hem door de nevenzittingsplaats Groningen van deze rechtbank in de zaak nr. 08/29087 zijn gesteld. De rechtbank stelt immers woordelijke overeenkomsten, inclusief verschrijvingen, vast tussen enerzijds de brief van 26 augustus 2008 en anderzijds de aan verweerder gestelde vragen en door verweerder gegeven antwoorden, zoals opgenomen in de uitspraak die de nevenzittingsplaats Groningen op 2 september 2008 in de zojuist aangehaalde zaak heeft gedaan. Deze uitspraak is de rechtbank ambtshalve bekend.
In zijn brief van 26 augustus 2008 merkt verweerder onder andere letterlijk op:
‘Thans is nog niet beschikt op één van de sinds 2007 ingediende aanvragen tot afgifte van een lp.
(…)
De Staatssecretaris kan geen uitsluitsel geven over de vraag of op korte termijn verandering in de houding van de Chinese autoriteiten is te verwachten. De bespreking op 22 augustus [een overleg van de plaatsvervangend directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek op de Chinese vertegenwoordiging, rechtbank] heeft niet een dergelijk resultaat gehad. In ieder geval zal ruimte zijn om dit onderwerp ter sprake te brengen bij het bezoek aan China van de Minister President in oktober.
De door de Nederlandse overheid gewenste oplossing is uiteraard een situatie waarin de doorstroom en afhandeling van door de Nederlandse staat ingediende spoediger lp-aanvragen dan thans het geval is. Wat de door de Chinese autoriteiten voorgestane oplossing kan in dit stadium niet met zekerheid worden gezegd.
Zowel op hoog ambtelijk als op diplomatiek niveau vinden gesprekken plaats met de Chinese diplomatieke vertegenwoordiging. De fase waarin deze gesprekken zich bevinden maken het niet mogelijk hierover thans in details te treden.’
Eiser heeft, zowel ter zitting als in reactie op verweerders brief van 26 augustus 2008, betoogd dat er geen sprake is van zicht op uitzetting, nu de door de Nederlandse overheid gepleegde inspanningen tot dusver niet tot het gewenste resultaat hebben geleid en een dergelijk resultaat op korte termijn ook niet te verwachten is.
De rechtbank volgt in haar oordeel de stelling van eiser.
Uit hetgeen verweerder, zowel ter zitting als in zijn brief van 26 augustus 2008, uiteen heeft gezet, blijkt dat, hoezeer ook verweerder zich thans inspant om tot een oplossing te komen, tot op heden nog geen concreet resultaat is bereikt. Verweerder kan daarbij ook geen uitsluitsel geven of op korte termijn het intreden van een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten is te verwachten. Weliswaar zal een en ander onderwerp van gesprek zijn bij het bezoek van de Minister-president aan China in oktober 2008, maar het is de rechtbank niet gebleken van het bestaan van aanwijzingen dat verwacht mag worden dat dit binnen afzienbare termijn tot een concreet resultaat zal leiden.
Een concreet resultaat, bestaande in een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten, is echter, naar het oordeel van de rechtbank, een eerste vereiste om weer te komen tot het uitzetten van vreemdelingen naar China. Immers, zo lang de Chinese autoriteiten niet beslissen op de door verweerder ingediende lp-aanvragen, zal er niet gekomen kunnen worden tot het uitzetten van vreemdelingen naar China.
Onder deze omstandigheden moet het, naar het oordeel van de rechtbank en dit mede met verwijzing naar haar eerder aangehaalde uitspraak van 30 juli 2008, ervoor worden gehouden dat er geen zicht bestaat op uitzetting van eiser naar China.
Nu het zicht op uitzetting een wettelijk vereiste is voor de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring, moet, nu niet aan het vereiste wordt voldaan, de bewaring van eiser van meet af aan onrechtmatig worden geoordeeld.
Het beroep zal gegrond worden verklaard en de bewaring dient met ingang van heden, 5 september 2008, te worden opgeheven.
De rechtbank acht termen aanwezig om eiser een schadevergoeding toe te kennen vanwege het hebben moeten ondergaan van een onrechtmatige vrijheidsontneming.
Eiser komt een bedrag toe van 6 maal € 95,- voor de van 13 augustus 2008 tot en met 18 augustus 2008 in een bureau van politie doorgebrachte dagen, een bedrag van 13 maal € 70,- voor de van 19 augustus 2008 tot en met 31 augustus 2008 in een huis van bewaring doorgebrachte dagen en – gezien de met ingang van 1 september 2008 verhoogde normbedragen voor schadevergoeding – een bedrag 5 maal € 80,- voor de van 1 september 2008 tot en met 5 september 2008 in een huis van bewaring doorgebrachte dagen. In totaal wordt aan eiser een bedrag van € 1.880,- toegekend.
De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op het in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser een punt is toegekend voor het indienen van het beroepschrift, een punt is toegekend voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting en een half punt is toegekend voor de nadere schriftelijke reactie en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld.
Nu aan eiser ten behoeve van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de proceskostenveroordeling te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.
III. BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van 5 september 2008;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan eiser te betalen een vergoeding van € 1.880,-, te betalen door de griffier van de rechtbank;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 805,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de griffier van de rechtbank.
Aldus gedaan door M.B. Bax, in tegenwoordigheid van H.A.M. van de Ven als griffier en in het openbaar uitgesproken op
w.g. M. van de Ven
w.g. M.B. Bax
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.880,- (zegge: eenduizendachthonderdentachtig Euro)
Aldus gedaan op
door M.B. Bax
Afschrift verzonden op:
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt één week na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. In artikel 6:5 van de Awb is onder meer bepaald dat bij het beroepschrift een afschrift van de uitspraak moet worden overgelegd. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.