
Jurisprudentie
BF0108
Datum uitspraak2008-09-04
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3934 AW + 07/3788 AW + 07/3789 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3934 AW + 07/3788 AW + 07/3789 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Anticumulatie. Herberekening wachtgeld wegens inkomsten uit eigen bedrijf. Terugvordering. Juiste berekening? Meerinkomsten die de ten tijde van het ontslag genoten inkomsten te boven gaan, gevolg van verhoogde werkzaamheid?
Uitspraak
06/3934 AW + 07/3788 AW + 07/3789 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 juni 2006, 05/5137 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)
Datum uitspraak: 4 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Op 15 januari 2007 en 1 februari 2007 heeft de minister nadere besluiten genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2008. Appellant is in persoon verschenen. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft met partijen gecorrespondeerd en hen daarbij in de gelegenheid gesteld over en weer te reageren. Vervolgens heeft de Raad met toestemming van partijen bepaald dat het (verdere) onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 maart 2005, 03/2487, 03/2488 en 05/1052, ten name van partijen, alsmede naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.1. Appellant is met ingang van 1 december 1995 wegens opheffing van zijn betrekking ontslagen als ambtenaar bij het ministerie van Justitie. In aansluiting op dit ontslag is hem wachtgeld toegekend op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (hierna: RWB).
1.2. Nadat was gebleken dat appellant inkomsten genoot uit eigen bedrijven, heeft de minister het wachtgeld over de jaren 1998, 1999 en 2000 herberekend en het teveel aan uitbetaald wachtgeld teruggevorderd. Bij de onder 1 genoemde uitspraak van 10 maart 2005 heeft de Raad de hierop betrekking hebbende besluiten op bezwaar van 28 januari 2002 en 11 oktober 2002 vernietigd, evenals een nader door de minister genomen besluit van 2 november 2004. Daarbij heeft de Raad de minister opgedragen opnieuw op de bezwaren van appellant te beslissen.
1.3. Ter uitvoering van ’s Raads uitspraak heeft de minister op 13 september 2005 een nieuw besluit op bezwaar genomen (hierna: bestreden besluit).
1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van appellant met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.
1.5. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister de in rubriek I genoemde besluiten van 15 januari 2007 en 1 februari 2007 genomen, respectievelijk over het bedrag van de terugvordering en over de wettelijke rente welke de minister is verschuldigd over hetgeen te veel is teruggevorderd.
De Raad betrekt deze nadere besluiten op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij het geding in hoger beroep.
2. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Het gaat in dit geschil in de eerste plaats om de toepassing van de in artikel 8, vierde lid, van het RWB neergelegde anticumulatieregeling. Deze komt er - voor zover hier van belang - op neer dat de naast het wachtgeld genoten inkomsten uit eigen bedrijf met het wachtgeld worden verrekend voor zover zij de reeds ten tijde van het ontslag genoten inkomsten uit eigen bedrijf (hierna: aangehouden inkomsten) te boven gaan, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de meerinkomsten noch het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid noch verband houden met het ontslag.
2.2. In zijn uitspraak van 10 maart 2005 heeft de Raad overwogen dat de aangehouden inkomsten in dit geval dienen te worden gebaseerd op een referteperiode van 36 maanden voorafgaand aan het ontslag. Tussen partijen is niet in geschil dat deze inkomsten aldus moeten worden gesteld op f 849,95 (thans € 385,69) per maand.
2.3. Bij zijn uitspraak van 10 maart 2005 heeft de Raad tevens geoordeeld over het betoog van appellant dat zijn meerinkomsten niet voor verrekening in aanmerking komen omdat zijn uurtarieven in de jaren 1998 en volgende sterk zijn verhoogd ten opzichte van 1995. De Raad concludeerde enerzijds dat de toename van de inkomsten voor een gedeelte was toe te schrijven aan verhoogde werkzaamheid en in zoverre niet buiten beschouwing kon blijven. Anderzijds achtte de Raad aannemelijk dat er sprake was van een daadwerkelijke verhoging van de uurtarieven, welke niet exact is aangetoond doch ter bepaling waarvan - oordelend ex aequo et bono - aansluiting dient te worden gezocht bij de ontwikkeling die de laatstgenoten bezoldiging van appellant in de jaren 1998, 1999 en 2000 heeft doorgemaakt.
2.4. Over de daartoe te hanteren indexcijfers, zoals nader vermeld in de aangevallen uitspraak, zijn partijen het eens. Voorts heeft de minister - terecht - berust in het oordeel van de rechtbank dat de indexering niet moet worden toegepast op de aangehouden inkomsten, maar op de winst (het bedrijfsresultaat) over de jaren 1998, 1999 en 2000.
2.5. Appellant bestrijdt de wijze waarop de rechtbank deze indexering van het bedrijfsresultaat uitgevoerd wil zien. De Raad overweegt dienaangaande dat het erom gaat, stijgingen van de uurtarieven welke na de ontslagdatum hebben plaatsgevonden uit het bedrijfsresultaat te elimineren. Dit betekent dat het bedrijfsresultaat wordt herberekend naar een fictief niveau per 1 december 1995, teneinde te kunnen worden vergeleken met de aangehouden inkomsten, die eveneens per 1 december 1995 zijn vastgesteld. De uitspraak van 10 maart 2005 dient naar haar strekking dan ook aldus te worden begrepen, dat het feitelijke bedrijfsresultaat over iedere maand van 1998, 1999 en 2000 wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het indexcijfer per 1 december 1995 en de noemer door het indexcijfer dat geldt voor de maand in kwestie. Zo moet bijvoorbeeld het resultaat over de maand juli 1999 worden vermenigvuldigd met 100,0000/106,0654 en het resultaat over augustus 1999 met 100,0000/109,1420. Op de uitkomst van deze vermenigvuldiging wordt telkens het bedrag van de aangehouden inkomsten ad f 849,95 (thans € 385,69) in mindering gebracht.
2.6. In zoverre slaagt het hoger beroep. De rechtbank heeft immers andere breuken gehanteerd.
2.7. Wat betreft de wettelijke rente over het te veel teruggevorderde, heeft de rechtbank overwogen dat deze rente, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet moeten worden vergoed vanaf november 2001 - toen de minister met de gefaseerde verrekening van het teruggevorderde wachtgeld is begonnen - maar vanaf het tijdstip waarop het (nader te bepalen) bedrag dat van appellant mocht worden teruggevorderd volledig was verrekend. Die overweging van de rechtbank wordt door appellant tevergeefs bestreden. Ook naar het oordeel van de Raad kon tot aan het tijdstip van volledige verrekening, zoals door de rechtbank bedoeld, niet worden gezegd dat de minister bedragen heeft ingehouden die door appellant niet verschuldigd waren. In zoverre treft het hoger beroep geen doel.
2.8. De bedenkingen die appellant naar voren heeft gebracht ten aanzien van de door de minister in het nadere besluit van 1 februari 2007 gehanteerde rentepercentages zijn eveneens ongegrond. De hoogte van de wettelijke rente wordt ingevolge artikel 6:120, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Op grond van het Besluit wettelijke rente, zoals telkens gewijzigd, bedroeg de wettelijke rente vanaf 1 januari 1998 6%, vanaf 1 januari 2001 8%, vanaf 1 januari 2002 7%, vanaf 1 augustus 2003 5%, vanaf 1 februari 2004 4% en vanaf 1 januari 2007 6%. Op dit punt zijn de berekeningen van de minister dus correct.
2.9. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit ten dele op onjuiste gronden heeft vernietigd. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden vernietigd wat betreft de opdracht om met inachtneming van die uitspraak opnieuw te beslissen. Daarmee ontvalt de grondslag aan de nadere besluiten van 15 januari 2007 en 1 februari 2007 en komen ook deze voor vernietiging in aanmerking.
3. Mede gelet op de lange duur van de procedure heeft de Raad, zoals reeds in rubriek I aangegeven, het onderzoek heropend teneinde zo mogelijk het geschil finaal te beslechten. Op basis van het hiervóór overwogene is met partijen gecorrespondeerd over de juiste berekening van het voor terugvordering in aanmerking komende bedrag en van de wettelijke rente over hetgeen door appellant te veel is terugbetaald.
3.1. In het kader van die correspondentie heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat - in afwijking van de besluiten van 21 juli 2005 en 13 september 2005 alsmede aan het besluit van 15 januari 2007 ten grondslag gelegde berekeningen - wat betreft de oorspronkelijke verminderingsbedragen voor het jaar 1999 moet worden teruggevallen op de bedragen welke zijn genoemd in de brief van het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen van 21 februari 2002. De Raad heeft dit standpunt verworpen en geoor-deeld dat de bedragen moeten worden aangehouden die de minister laatstelijk zelf in zijn berekeningen heeft gehanteerd. De Raad achtte het in strijd met de orde van de onder-havige procedure om daarop nu nog terug te komen. Hetgeen de minister daarover nader heeft aangevoerd, geeft de Raad thans geen aanleiding tot een ander oordeel. Daarbij is in aanmerking genomen dat de minister bij herhaling niet in staat is gebleken om op eigen kracht tot een rechtens houdbare vaststelling van het terugvorderingsbedrag te komen. Eveneens bij herhaling heeft de minister - zelfs na te zijn opgeroepen - ter zitting verstek laten gaan, waardoor overleg over de juiste berekeningen is bemoeilijkt. Ter voorkoming van verdere vertraging heeft de Raad zich genoodzaakt gezien tot het heropenen van het onderzoek en tot het voeren van een zowel voor de Raad als voor appellant omslachtige briefwisseling. Onder deze omstandigheden brengt een goede procesorde met zich dat aan de minister niet meer wordt toegestaan om in het nadeel van appellant van zijn eigen berekeningen af te wijken. Dat dit leidt tot uitkomsten die in redelijkheid niet meer aanvaardbaar zijn, is niet gebleken.
3.2. Met inachtneming van het vorenstaande constateert de Raad dat partijen zich beiden hebben verenigd met de vaststelling dat per saldo nog € 2.068,54 aan te veel terug-gevorderd wachtgeld resteert en dat de minister over de periode tot 1 juni 2008 een bedrag van € 1.124,16 aan wettelijke rente verschuldigd is.
Bij het opnieuw voorzien in de zaak is de minister aan deze vaststellingen gebonden. Over de periode vanaf 1 juni 2008 tot aan de dag der voldoening dient de wettelijke rente op de gebruikelijke wijze te worden berekend.
4. Van proceskosten die met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen, is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan de minister is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;
Verklaart het beroep dat wordt geacht te zijn gericht tegen de besluiten van 15 januari 2007 en 1 februari 2007 gegrond en vernietigt deze besluiten;
Draagt de minister op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 211,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 september 2008.
(get.) J.Th. Wolleswinkel.
(get.) K. Moaddine.
HD