
Jurisprudentie
BF0095
Datum uitspraak2008-08-28
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/607 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/607 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Plaatsing in passende functie? Staking van bezoldiging. Sommatie tot werkhervatting. Disciplinair ontslag.
Uitspraak
07/607 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 december 2006, 06/3226 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: minister)
Datum uitspraak: 28 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2008. Appellant is, zoals door zijn gemachtigde, mr. E.A. Breetveld, advocaat te ’s-Gravenhage, enkele dagen voorafgaand is meegedeeld, wegens vakantie niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. Ahlers en J.G. Cramer, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad acht zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om tot een verantwoorde oordeelsvorming te komen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding de zaak te heropenen teneinde appellant alsnog de gelegenheid te geven in persoon zijn standpunt mondeling toe te lichten.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. In verband met de overgang van ESF Nederland, een bedrijfsonderdeel van Arbeids-voorziening Nederland, naar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid per 1 april 2001, is appellant met ingang van die datum aangesteld als ambtenaar en tewerk-gesteld bij het Agentschap SZW in de functie van [naam functie] [afdeling].
2.2. Naar aanleiding van de uitkomst van een onderzoek naar vermoede onregelmatig-heden bij de totstandkoming van een leasecontract heeft de minister appellant bij besluit van 29 november 2001 met ingang van 1 maart 2002 ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Dit ontslag is bij beslissing op bezwaar van 18 november 2002 gehandhaafd.
2.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 januari 2004, 02/2898, het beroep van appellant tegen het besluit van 18 november 2002 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat het appellant gelet op grond van in die uitspraak uiteengezette omstandigheden niet duidelijk was dat het op zijn weg had gelegen melding te maken van het recentelijk afgesloten leasecontract, zodat de minister de handelwijze niet in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan het oordeel dat appellant ongeschikt is voor zijn functie.
De voorzieningenrechter van de Raad heeft bij uitspraak van 11 juni 2004, 04/2098, het verzoek van de minister om voormelde uitspraak van de rechtbank te schorsen afgewezen.
2.4. Daarop heeft overleg tussen appellant en de minister plaatsgevonden over de ontstane situatie. Gesproken is onder meer over plaatsing van appellant in een andere functie, al dan niet met faciliteiten teneinde een voorrangspositie te verkrijgen bij een plaatsing elders bij het Rijk en voorts, op verzoek van appellant, die inmiddels als ambtenaar werkzaam was bij de gemeente [naam gemeente], ook over een te treffen afvloeiingsregeling. Intussen had de minister op 8 november 2004 het door hem ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van 30 januari 2004 ingetrokken.
2.5. Omdat over een afvloeiingsregeling geen overeenstemming werd bereikt, heeft de minister bij beslissing op bezwaar van 20 april 2005 het ontslagbesluit van 29 november 2001 herroepen. Daarbij is tevens overwogen dat daarmee de aanstelling van appellant is hersteld en dat, aangezien appellants functie per 1 april 2002 was opgeheven, een nieuw besluit tot plaatsing in een andere functie zal volgen. Bijgevoegd was een voorgenomen besluit tot plaatsing van appellant in de functie van [naam functie 2] bij de Service [plaatsnaam], waartegen appellant bedenkingen heeft ingebracht. Bij besluit van 11 mei 2005 heeft de minister appellant overeenkomstig zijn voornemen geplaatst.
2.6. Omdat appellant op 1 juni 2005 zijn werkplek had verlaten zonder werkzaamheden te verrichten heeft de minister bij besluit van 3 juni 2005 de betaling van appellants bezoldiging gestaakt. Voorts is bij besluit van 10 juni 2005 appellant gesommeerd zich op 13 juni 2005 te melden teneinde zijn werkzaamheden te hervatten. Bij brief van 16 augustus 2005 heeft de minister een overzicht van de stand van zaken gegeven en, zoals het in die brief wordt genoemd, nog één poging gedaan te bewerkstelligen dat appellant uiterlijk per 15 september 2005 hervat, ondanks zijn tegen de besluiten van 11 mei 2005, 3 juni 2005 en 10 juni 2005 gemaakte bezwaren. Daarop heeft appellant afhoudend gereageerd.
Bij besluit van 26 augustus 2005 heeft de minister appellant met ingang van 15 september 2005 disciplinair ontslag verleend omdat appellant bleef weigeren de functie van [naam functie 2] te vervullen.
2.7. Bij beslissing op bezwaar van 4 mei 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister de besluiten tot de plaatsing, de staking van de bezoldiging, de sommatie tot werkhervatting en het disciplinair ontslag gehandhaafd.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
4.1. Appellant heeft met betrekking tot het plaatsingsbesluit in hoger beroep allereerst verwezen naar hetgeen hij in beroep had aangevoerd. Aangezien de Raad in grote lijnen de overwegingen onderschrijft op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het aangevochten plaatsingsbesluit in rechte stand houdt, volstaat de Raad in zoverre met te verwijzen naar die overwegingen.
4.2. Appellant heeft meer specifiek nog aangevoerd dat hij, wanneer hij niet per 1 maart 2002 was ontslagen, bij de reorganisatie die in 2002 had plaatsgevonden, als functie-volger zou zijn benoemd in de functie van [naam functie] [naam afdeling], welke functie blijkens het reorganisatieplan voorlopig in schaal 13/14 was ingedeeld, zodat hij dan vanwege zijn voormalig plaatsvervangend [functie 3] in schaal 14 zou zijn geplaatst. Appellant vindt dan ook dat die functieschaal bij zijn herplaatsing als uitgangspunt moet worden genomen.
4.3. De minister heeft daar tegenover gesteld dat appellant, indien hij toentertijd niet was ontslagen, inderdaad als functievolger in bedoelde functie zou zijn geplaatst. Aangezien deze functie uiteindelijk is gewaardeerd op het niveau van salarisschaal 13, heeft die salarisschaal volgens de minister bij de plaatsing als uitgangspunt te gelden. De Raad deelt het standpunt van de minister. Gegeven het resultaat van de functiewaardering van de betrokken functie, is het onaannemelijk te achten dat appellant per april 2002 zou zijn geplaatst in salarisschaal 14.
4.4. De Raad deelt voorts het standpunt van de minister dat de op het niveau van salarisschaal 14 gewaardeerde functie van [naam functie] bedrijfsvoering, die bij de daarop volgende reorganisatie in oktober 2004 is ingesteld, als een nieuwe functie moet worden gezien en niet aangemerkt kan worden als de voortzetting van de bij de reorganisatie opgeheven functie [naam functie] [afdeling]. De Raad wijst op het verschil in omvang, taken en zwaarte van deze functies. De opvolger van appellant is in oktober 2004 ook niet als zogeheten functievolger aangemerkt, maar is herplaatsings-kandidaat geworden.
4.5. Gegeven appellants positie - vanwege de opheffing van zijn functie - als herplaat-singskandidaat en in aanmerking genomen appellants achtergrond als deskundige op het terrein van de financiën en control, is de op het niveau van salarisschaal 12 gewaardeerde functie van [naam functie 2] passend voor hem te achten. De door appellant nog genoemde functie van [naam functie] interne controle/operational auditing is niet passend omdat appellant niet voldoet aan het voor de functie geldende vereiste dat de opleiding tot registeraccountant (RA) moet zijn voltooid. De functies die toentertijd overigens op het niveau van salarisschaal 13 vrijkwamen - een overzicht was gevoegd bij het plaat-singsbesluit van 11 mei 2005 - vereisten andere kennis dan de financiële/control-achter-grond die appellant bezit.
4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de minister appellant op goede gronden heeft geplaatst als [naam functie 2] in het nabij zijn woonplaats gelegen [plaatsnaam]. De Raad onderkent dat de minister eerst in een zeer laat stadium ten volle is teruggekomen van zijn standpunt dat appellant vanwege zijn gedragingen rond de leaseauto niet zou kunnen voldoen aan de inmiddels volgens de minister verhoogde integriteitseisen die aan leidinggevenden werden gesteld. Dit neemt niet weg dat de hiervoor genoemde functie van [naam functie 2] op zichzelf bezien passend is te achten voor appellant. Nu vacante andere meer passende functies toentertijd niet voorhanden waren, moet appellant geacht worden door deze handelwijze niet te zijn benadeeld.
4.7. Met betrekking tot de staking van de bezoldiging, de sommatie tot werkhervatting en het disciplinaire ontslag zijn geen zelfstandige grieven aangevoerd, zodat de Raad daar verder niet op in hoeft te gaan.
4.8. Weliswaar heeft de minister de motivering van het plaatsingsbesluit aangepast, maar nu dat plaatsingsbesluit niet is of wordt herroepen, bestaat ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanspraak op vergoeding van de kosten in bezwaar.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig in beroep of in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.G. Treffers en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD