
Jurisprudentie
BF0093
Datum uitspraak2008-08-27
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5551 WAO + 06/5923 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5551 WAO + 06/5923 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking (volledige) WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Juiste vaststelling beperkingen? Begrip bijzondere belasting in het CBBS. Geen sprake van structurele onvolkomenheid CBBS. Voldoende geschikte functies?
Uitspraak
06/5551 WAO
06/5923 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 september 2006, 05/910 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
betrokkene
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 27 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens betrokkene heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift heeft het Uwv een commentaar van een bezwaararbeidsdeskundige gevoegd.
Betrokkene en het Uwv hebben verweerschriften ingediend.
Betrokkene heeft nog een medische verklaring overgelegd.
Het Uwv heeft een vraagstelling van de Raad beantwoord met overlegging van rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2008. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ph.C. Kleyn van Willigen voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 21 december 2004 heeft het Uwv de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van
21 februari 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 juni 2005 heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2004 herroepen en de datum van intrekking van de WAO-uitkering van betrokkene nader vastgesteld op
24 augustus 2005.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
23 juni 2005, hierna: het bestreden besluit, gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen met inachtneming van het overwogene in de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.
4. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraken van
13 januari 2006 (LJN: AU9706 en AU9709) overwogen dat ook in het onderhavige geval bij de geautomatiseerde vergelijking van beoordelingspunten van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) met de daarmee overeenkomende punten van de functiebelasting markeringen ontbreken waar deze wel hadden moeten verschijnen.
Het gaat om de situatie dat voor een beoordelingspunt van de FML de normaalwaarde geldt en de functie een bijzondere belasting kent op het overeenkomende punt van de functiebelasting. Voorts dient naar het oordeel van de rechtbank bij ieder niet-matchend beoordelingspunt te worden toegelicht of een geselecteerde functie ook op dat punt geschikt is, omdat niet valt uit te sluiten dat een functie op een niet-matchend punt van de FML een bijzondere belasting kent die de normaalwaarde te boven gaat.
5. Het Uwv is in hoger beroep opgekomen tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en heeft door overlegging van nadere rapportages van een bezwaararbeidsdeskundige een nadere toelichting gegeven op de door het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) gegenereerde signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de mogelijkheden van betrokkene in de geduide functies.
6. Betrokkene heeft in hoger beroep - kort weergegeven - aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn aangenomen, waartoe zij heeft verwezen naar verklaringen van de haar behandelende psychiater en de huisarts en het gebruik van het medicijn Efexor. Zij acht een urenbeperking geïndiceerd. Voorts heeft zij gesteld dat de geduide functies haar mogelijkheden overschrijden. Zij heeft tenslotte verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige voor nader onderzoek.
7. De Raad overweegt het volgende.
7.1. De Raad kan hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Naar aanleiding van de stellingen van betrokkene in hoger beroep wijst de Raad erop dat voor de door betrokkene geclaimde beperking van haar geheugenfunctie geen objectieve medische grondslag in de gedingstukken is te vinden. Voorts ziet de Raad in de door betrokkene overgelegde verklaring van haar behandelend psychiater van 11 juni 2007 geen reden om te oordelen dat in de door het Uwv opgestelde FML de mogelijkheden van betrokkene zijn overschat, omdat uit die verklaring niet blijkt dat de daarin genoemde stoornissen leiden tot meer beperkingen dan waarvan het Uwv is uitgegaan, terwijl deze verklaring als zodanig ook geen reden geeft tot twijfel aan het door het Uwv verrichtte verzekeringsgeneeskundige onderzoek. De tenslotte door betrokkene gestelde bijwerkingen van het medicijn Efexor kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv daarover in zijn rapport van 23 april 2008 naar voren heeft gebracht. Mede gelet op het hiervoor overwogene heeft de Raad geen aanleiding gezien een onafhankelijke deskundige te benoemen voor nader onderzoek.
7.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. Met betrekking tot het door het Uwv gehanteerde CBBS verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraken van 9 november 2004, onder meer LJN: AR4717, zijn uitspraken van 12 oktober 2006, onder meer LJN: AY9971, zijn uitspraken van 23 februari 2007, onder meer LJN: AZ9153 en zijn uitspraak van 6 april 2007, LJN: BA2860.
7.3. Naar aanleiding van zijn uitspraken van 9 november 2004 heeft het Uwv het CBBS aangepast. De Raad is tot de slotsom gekomen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden in voldoende mate zijn opgeheven. In dit verband heeft de Raad overwogen het voldoende aannemelijk te achten dat het aangepaste CBBS, zowel bij matchende als bij niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde onderkent en signaleert. Dit zal zich doorgaans kunnen voordoen indien hij of zij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde. In zijn uitspraak van 1 februari 2008, LJN: BC3237, heeft de Raad overwogen dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan om dit oordeel niet langer juist te achten vanwege het gebruik in het CBBS van het begrip bijzondere belasting.
7.4. Voor de Raad staat voldoende vast dat in gevallen waarin een betrokkene beperkt wordt geacht op een bepaald aspect, het zich voordoen van een bijzondere belasting in een functie op datzelfde aspect ertoe leidt dat die functie, zo deze niet automatisch door het systeem is verworpen, op het resultaat eindselectie steeds van een signalering wordt voorzien, ten teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van de betrokkene op het betreffende punt.
7.5. Eveneens staat voldoende vast dat in gevallen waarin de betrokkene op een bepaald aspect niet beperkt wordt geacht en dus belastbaar wordt geacht op het niveau van de normaalwaarde, het zich voordoen in een functie van een bijzondere belasting op datzelfde aspect, mede gegeven de aan het begrip bijzondere belasting in het CBBS toegekende specifieke betekenis, in het algemeen niet betekent dat sprake is van een mogelijke, ten onrechte niet gesignaleerde, overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde, zijnde de normaalwaarde. Voor de opvatting dat het CBBS vanwege het aspect bijzondere belastingen - nog steeds - mank gaat aan een structurele onvolkomenheid bestaat dan ook geen grond. In zoverre kan de Raad de overwegingen in de aangevallen uitspraak over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet onderschrijven.
7.6. Niettemin verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit geen stand kan houden. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
7.8 Zoals volgt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 mei 2005 heeft het Uwv bij de schatting van betrokkene aan haar de volgende drie functies geduid: productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), portier/toezichthouder (sbc-code 342021), brugwachter/sluiswachter (sbc-code 282170). De Raad ziet, mede gelet op wat hiervoor is overwogen over de functionele mogelijkheden van betrokkene, geen aanknopingspunten voor de stelling dat de belasting in de functies productiemedewerker industrie en portier/toezichthouder de mogelijkheden van betrokkene te boven zouden gaan.
7.9. Dit is evenwel anders bij de functie van brugwachter/sluiswachter. Blijkens de FML (aspect 1.9.7.) is een voorwaarde voor betrokkenes functioneren in arbeid dat zij ‘is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken.’
De bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv heeft in zijn rapport van 1 april 2008, mede door verwijzing naar het Resultaat Functiebeoordeling van de functie brugwachter/sluiswachter (aspect 4.6.0.), aangegeven dat piekbelasting in deze functie voorkomt in twee van de acht werkuren. Zonder nadere toelichting, die, ook ter zitting, niet (adequaat) is gegeven, is niet begrijpelijk dat een zodanige piekbelasting geen veelvuldige productiepiek betreft. In dit verband acht de Raad voorts van belang dat het Uwv de stelling dat de piekbelasting seizoengebonden zou zijn niet nader heeft onderbouwd, en dat het Uwv naar aanleiding van een desbetreffende vraagstelling van de Raad de stelling dat drukke perioden kunnen worden ‘ingeregeld’ door inroostering van collega’s, niet nader met feiten heeft onderbouwd. Op deze gronden is de Raad van oordeel dat de functie van brugwachter/sluiswachter niet aan de schatting ten grondslag gelegd had behoren te worden. Aldus resteren voor de schatting slechts twee functies. Artikel 9, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten eist dat een schatting berust op ten minste drie functies. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan mitsdien geen stand houden.
8. De aangevallen uitspraak komt, zij het met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking.
9. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voor vergoeding van overige kosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 105,- vergoedt;Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 422,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en
H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.
(get.) J. Riphagen.
(get.) M. Lochs.
RB