Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0081

Datum uitspraak2008-08-22
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7117 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Korting op en terugvordering WAO-uitkering i.v.m. inkomsten uit arbeid. Fraudeonderzoek. Getuigen in beginsel houden aan eerst afgelegde verklaring.


Uitspraak

06/7117 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 november 2006, 05/1105 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 augustus 2008. I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. van Voolen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2008. Namens appellant is verschenen mr. Van Voolen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke. II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. 1.2. Aan appellant is met ingang van 31 maart 1988 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naar aanleiding van een melding bij het Uwv dat appellant werkzaamheden zou verrichten bij [naam werkgever A] te [plaatsnaam] en dat hij bij deze onderneming een belangrijke functie zou hebben, alsmede dat hij voor de [naam werkgever B] en [naam werkgever C] zou hebben gewerkt, heeft het Uwv een onderzoek laten instellen door een opsporingsfunctionaris, werkzaam bij zijn afdeling Fraude, Preventie en Opsporing. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport werknemersfraude van 6 mei 2004, waarin is geconcludeerd dat appellant in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 gedurende gemiddeld 15 uren per week werkzaamheden bij genoemde [werkgeefsterrkgevers] heeft verricht en loon heeft ontvangen, waarvan geen mededeling is gedaan aan het Uwv. Op basis van deze gegevens heeft het Uwv bij besluit van 16 november 2004 aan appellant medegedeeld dat hij, gelet op de verkregen inkomsten in de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003, ingedeeld zou moeten zijn in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% en dat daarbij een uitkering van 35% hoort. Bij besluit van 23 november 2004 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat als gevolg van de gewijzigde uitbetaling van de uitkering een gedeelte van de uitkering over de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 onverschuldigd is betaald en dat een bedrag van € 16.069,79 bruto van hem wordt teruggevorderd. Bij besluit van 31 mei 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 16 november 2004 en 23 november 2004 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende onderzoek heeft verricht en daarbij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, waarbij de feitelijke onderzoeksbevindingen op voldoende inzichtelijke wijze - en onderbouwd met stukken en urenstaten - in het rapport werknemersfraude en het daaraan ten grondslag liggende proces-verbaal zijn neergelegd. Gelet op het uitgevoerde onderzoek en het verhandelde ter zitting, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden aangenomen dat appellant in de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 werkzaamheden heeft verricht en daarvoor inkomsten heeft genoten, zodat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de WAO-uitkering van appellant met toepassing van artikel 44 van de WAO over de betreffende periode uitbetaald dient te worden als ware appellant 45 tot 55% arbeidsongeschikt. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht met toepassing van artikel 57 van de WAO de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant heeft kunnen terugvorderen en dat niet is gebleken van een dringende reden op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van terugvordering. 4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank de door hem aangevoerde gronden en de verklaringen van de bij de rechter-commissaris gehoorde getuigen onbesproken heeft gelaten en dat het frauderapport van zijn neef [naam neef] niet bij de beoordeling is betrokken. Voorts heeft appellant gesteld dat in de uitspraak niet is ingegaan op het feit dat het Uwv in de bezwaarschriftprocedure heeft geweigerd het complete dossier ter inzage te geven en dat hij hiervan pas heeft kennisgenomen nadat de behandeling van de zaak door de rechtbank was aangehouden. 5. De Raad ziet deze grieven van appellant niet slagen. Hij overweegt daartoe het volgende. 5.1. In navolging van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, heeft de Raad in het licht van het geheel van de over appellant beschikbare gegevens geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat appellant in de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 werkzaamheden voor [werkgeefster] heeft verricht en daarvoor inkomsten heeft ontvangen. Hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen, wordt door de Raad dan ook onderschreven. 5.2. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd voegt de Raad daaraan nog het volgende toe. Uit de voorhanden gedingstukken blijkt dat de verklaringen van de getuigen die door de opsporingsfunctionaris zijn gehoord en welke door de betrokken getuigen zijn ondertekend, deel uitmaken van het frauderapport. De Raad acht door appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze verklaringen op onjuiste gegevens berusten en daarom geen stand kunnen houden. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen mogen getuigen in beginsel worden gehouden aan de eerste door hen afgelegde verklaring, tenzij zou zijn gebleken dat deze verklaring onder onaanvaardbare druk zou zijn afgelegd. De Raad is daarvan niet gebleken. De grief van appellant dat de door hem overgelegde verklaringen en het frauderapport van [naam neef] niet bij de besluitvorming door het Uwv en de oordeelsvorming van de rechtbank zijn betrokken, slaagt niet omdat de Raad reeds op basis van het frauderapport dat met betrekking tot appellant is opgesteld en de daarbij behorende bijlagen, waaronder de ondertekende getuigenverklaringen, het voldoende aannemelijk acht dat appellant in de in geding zijnde periode in de geschatte omvang werkzaamheden voor [werkgeefster] heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. De Raad acht voorts niet zonder betekenis dat appellant in verband hiermee in een strafrechtelijke procedure is veroordeeld, welke strafoplegging blijkens mededeling ter zitting in hoger beroep is gehandhaafd. De grief van appellant dat het Uwv heeft geweigerd het complete dossier ter inzage te geven, kan evenmin slagen nu aanvankelijk toestemming van de officier van justitie ontbrak om het proces-verbaal werknemersfraude met betrekking tot appellant voor administratief onderzoek te overleggen en het dossier na verkregen toestemming alsnog is overgelegd. Gesteld noch gebleken is dat hierin gegevens zijn opgenomen, die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. 5.3. Mitsdien heeft het Uwv terecht besloten om de WAO-uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 uit te betalen als ware appellant 45 tot 55% arbeidsongeschikt. Nu over de genoemde periode een deel van de WAO-uitkering onverschuldigd is betaald, heeft het Uwv eveneens terecht besloten tot terugvordering over te gaan. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2008. (get.) H. Bolt. (get.) M.W.A. Schimmel. RB