Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0071

Datum uitspraak2008-09-02
Datum gepubliceerd2008-09-09
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5931 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen inkomsten. Werkzaamheden op geld waardeerbaar?


Uitspraak

06/5931 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 september 2006, 06/6360 en 06/4904 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College) Datum uitspraak: 2 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.M. Linares Fandino, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 12 augustus 2008. Voor appellant is niemand verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.2. Bij besluit van 15 maart 2006 heeft het College de bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van appellant ingetrokken met ingang van 1 maart 2006. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van door hem verrichte werkzaamheden in een tapijtwinkel met als gevolg dat recht op bijstand niet langer is vast te stellen. 1.3. Bij besluit van 24 mei 2006 is het tegen het besluit van 15 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het tegen het besluit van 24 mei 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank gekeerd. Daartoe is - samengevat - aangevoerd dat hij louter uit sociaal oogpunt in de winkel aanwezig was, dat hij slechts hand- en spandiensten heeft verricht zonder financieel oogmerk, dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat hij dit moest melden en dat de intrekking van de bijstand van een bijzondere hardheid getuigt. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De Raad stelt voorop dat hier ter beoordeling voorligt de intrekking over periode van 1 maart 2006 tot en met 15 maart 2006 (de datum van het primaire besluit). 4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellant ten tijde in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Ook de Raad acht daarvoor doorslaggevend de aard en omvang van de activiteiten van appellant, het vastgestelde patroon van aanwezigheid van appellant in en rond de tapijtwinkel alsmede de tijdens een bezoek aan die winkel op 7 maart 2006 door hemzelf en zijn zoon tegenover de bijzonder onderzoekambtenaren afgelegde verklaringen. De door appellant in beroep gegeven verklaring voor zijn aanwezigheid in de winkel kan, wat daarvan zij en in het licht van zijn eerdere verklaring dat hij mede daar was om toezicht te houden, daaraan niet afdoen. Overigens heeft de Raad al vaker uitgesproken dat de regelmatige aanwezigheid op een bestaande werkplek tijdens reguliere arbeidsuren of openingstijden van een bedrijf veronderstelt dat de betreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk produktieve, dat wil zeggen op geld waardeerbare, arbeid verricht. Zie in dat verband onder meer de uitspraken van de Raad van 20 september 2005, LJN AU2890 en van 16 oktober 2007, LJN BB6237. 4.3. Vaststaat dat appellant van deze werkzaamheden, die onmiskenbaar van belang zijn voor de beoordeling van (de omvang van) het recht op bijstand, in strijd met artikel 17, eerste lid, van de WWB geen opgave heeft gedaan bij het College. Aangezien door hem voorts geen duidelijkheid is gegeven of anderszins door het College is verkregen omtrent de precieze omvang van bedoelde werkzaamheden heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand ten tijde in geding niet langer was vast te stellen. Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand van appellant. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand. 4.4. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. 4.5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 september 2008. (get.) R.H.M. Roelofs. (get.) M. Pijper.