Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0068

Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-09
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers05/901087-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

De rechtbank heeft een 50-jarige man wegens doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar en tbs met dwangverpleging. Bewezen is dat hij zijn vrouw met messteken om het leven heeft gebracht. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat de man met voorbedachten rade heeft gehandeld. Het verweer van de man dat hij uit noodweer gestoken heeft, vindt de rechtbank niet aannemelijk. De man wordt op grond van een gedragsdeskundig onderzoek verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Omdat de rechtbank moord niet bewezen acht en het belangrijk vindt dat de man spoedig behandeld zal worden, wijkt zij af van de eis van de officier van justitie (deze bedroeg 8 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging).


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector strafrecht Meervoudige kamer Promis II Parketnummer : 05/901087-07 Datum zitting : 4 maart 2008, 22 juli 2008 en 26 augustus 2008 Datum uitspraak : 9 september 2008 Tegenspraak In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen: naam : [verdachte], geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats], adres : zonder vaste woon- of verblijfplaats te Nederland, thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Ir.Molsweg 5 Arnhem. Raadsvrouw : mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Oosterhout-Nijmegen. 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 19 november 2007 te Druten, in elk geval in de gemeente Druten, althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een soortgelijk scherp voorwerp in het lichaam ((de borststreek/de longen en/of een longslagader en/of het hartzakje en/of de lever en/of een of meer andere inwendige organen)) heeft gestoken en/of gesneden en/of in een of meer (andere) lichaamsdelen ((pols en/of een of meer vingers van de linker en/of rechter hand en/of een of meer handen)) heeft gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: hij op of omstreeks 19 november 2007 te Druten, in elk geval in de gemeente Druten, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een soortgelijk scherp voorwerp in het lichaam ((de borststreek/de longen en/of een longslagader en/of het hartzakje en/of de lever en/of een of meer andere inwendige organen)) heeft gestoken en/of gesneden en/of in een of meer (andere) lichaamsdelen ((pols en/of een of meer vingers van de linker en/of rechter hand en/of een of meer handen)) heeft gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden; 2. Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is laatstelijk op 26 augustus 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Oosterhout-Nijmegen. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat de rechtbank de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte zal gelasten. Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3. De beslissing inzake het bewijs Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Ten aanzien van het primair ten laste gelegd feit: De officier van justitie voert het volgende aan. Op grond van de aangetroffen sporen en de verklaringen van buurtbewoners zoals [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], [getuige 5], en [getuige 6] alsmede het gegeven dat het tijdsverloop tussen het moment van neersteken van [slachtoffer] omstreeks 04.45 uur en het bellen van de politie door de verdachte pas omstreeks 07.45 uur aanzienlijk was, de omstandigheid dat zijn motief jaloezie was - hij zat vol van beschuldigingen van vreemdgaan door haar - en dat een motief voor [slachtoffer] die niets had te winnen bij het neersteken van de verdachte ontbrak, moet er sprake zijn geweest van voorbedachte raad temeer ook waar hij naast [slachtoffer] zittend geruststellend mompelde en geen actie ondernam gericht op het redden van haar leven, zodat sprake is van moord. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Ondanks aangetroffen sporen die wijzen in de richting van het door de officier van justitie geschetste scenario, kan het met voorbedachte raad handelen noodzakelijk voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen worden. De verklaring van verdachte dat hij in een gemoedsopwelling het slachtoffer heeft gestoken, wordt immers niet tot een verwaarloosbare kleine kans gereduceerd door het forensische materiaal en/of de getuigenverklaringen. De omstandigheden waaronder één en ander is gebeurd, zijn niet zodanig tot klaarheid gebracht, dat kan worden geconcludeerd tot voorbedachte raad bij de verdachte om zijn vrouw te doden. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegd feit: De vaststaande feiten. Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld. Op 19 november 2007 is [slachtoffer] te Druten overleden ten gevolge van messteken die verdachte haar in de borststreek heeft toegebracht. Verdachte heeft [slachtoffer] met een keukenmes met een lemmet van ongeveer 21 cm gestoken. Verdachte handelde, zo heeft hij verklaard, uit paniek om zijn eigen leven te redden. Naar algemeen bekende ervaringsregelen bestaat dan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer overlijdt. Verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest en moet die kans op de koop toe hebben genomen. Zijn eigen belang stond bij hem immers voorop. Eén en ander houdt in dat de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht, met dien verstande dat hij op 19 november 2007 te Druten, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, met een mes, in het lichaam (de borststreek/de longen en een longslagader en het hartzakje en de lever heeft gestoken tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden; Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4a. De kwalificatie van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegd feit: Doodslag 4b. De strafbaarheid van het feit De raadsvrouw heeft als verweer gevoerd dat verdachte ontslagen zal moeten worden van alle rechtsvervolging nu hij heeft gehandeld in noodweer,danwel noodweer-exces. Zij heeft daartoe betoogd dat [slachtoffer] verdachte heeft aangevallen met een mes, en dat verdachte geen andere weg openstond dan het mes af te pakken en [slachtoffer] neer te steken om te voorkomen dat hij zelf zou komen te overlijden. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt: Het betoog van de raadsvouw is geheel en al gebaseerd op de verklaringen van verdachte en op de aanname dat die juist zijn. Verdachte heeft namelijk ter terechtzitting en bij de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer] hem eerst met een mes gestoken heeft in de woonkamer van hun woning en dat hij daar, nadat hij het mes van haar had afgepakt, haar heeft gestoken. Daarna, aldus verdachte, is [slachtoffer] door de achterdeur naar de tuin gelopen en daar bij de poortdeur gaan zitten. Verdachte heeft ontkend ook in de tuin te zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank stroken de verklaringen van verdachte niet met de vaststaande feiten, de sporen en de verklaringen van diverse getuigen. Zo blijkt uit een NFI-rapport dat in de woonkamer van de woning van verdachte en [slachtoffer] alleen bloed is aangetroffen dat afkomstig is van verdachte. Ook is door de technische recherche vastgesteld dat het bloed van [slachtoffer] dat zich concentreerde rondom de steekbeschadigingen en –verwondingen in haar borst niet naar beneden in de kleding is weggelopen, maar in de richting van de linkerschouder, wat erop wijst dat het slachtoffer op de grond lag toen zij gestoken werd en niet meer bewogen heeft nadat zij de steekverwondingen heeft opgelopen. Daarnaast blijkt uit het dossier dat in de buurt van waar [slachtoffer] liggend bij de poort is aangetroffen, bloeddruppels afkomstig van verdachte zijn aangetroffen. Bovendien hebben diverse buurtbewoners verklaard dat zij die nacht uit de tuin van verdachte en [slachtoffer] gegil/gekreun van een vrouw hebben gehoord en geruststellend gemompel van een man. Daarbij heeft [getuige 3] verdachte in de tuin zien opstaan en vanaf de tuinpoort in de richting van de keukendeur zien lopen, en vervolgens de keuken binnen zien gaan waar hij iets dronk. [getuige 4] kon aan het lopen van verdachte zien dat hij niet gewond was. [getuige 5] en [getuige 7] hebben, na gegil te hebben gehoord, verdachte iets zien drinken in de keuken. [getuige 5] heeft daarbij verklaard dat verdachte niet gewond was. [getuige 6] heeft verklaard dat hij die nacht een man bij de achterdeur van de woning van verdachte en [slachtoffer] zag staan, mogelijk verdachte, en dat hij zag dat de man op een normale manier, rechtop, naar binnen liep. De raadsvrouw heeft betoogd dat de getuigenverklaringen ongeloofwaardig zijn nu deze allen een andere verklaring zouden hebben gegeven over de geluiden en de feitelijke gang van zaken die nacht. Volgens de raadsvrouw verklaren de getuigen die het dichtst bij de delictplaats waren uit eigen waarneming niet gedetailleerd en konden de getuigen die zich het verst weg bevonden alles goed horen en zien. De rechtbank acht de getuigenverklaringen geloofwaardig nu elk van de hiervoor genoemde verklaringen ondersteuning vindt in andere verklaringen wat betreft het zien van verdachte in de tuin van zijn woning en het horen van een mannen- en vrouwenstem bij de plek waar [slachtoffer] is aangetroffen. Eén en ander brengt mee dat de rechtbank de verklaringen van verdachte omtrent het verloop van de gebeurtenissen en de omstandigheden waaronder [slachtoffer] is gestoken ongeloofwaardig acht. Een noodweersituatie is derhalve niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. 5. De strafbaarheid van verdachte Het onder 4b overwogene brengt mee dat het beroep op noodweer-exces eveneens verworpen wordt. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage. 6. De motivering van de sanctie(s) Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met: - de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; - de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op: • de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 30 juli 2008; • een briefrapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, d.d. 26 november 2007 en • een Pro Justitia rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, door dr. J.M. Oudejans, psycholoog, en dr. A.G.S. de Ranitz, psychiater, gedateerd 15 juli 2008, betreffende verdachte. De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft door zijn handelen zijn vrouw het grootste recht dat een mens heeft, het recht op leven, ontnomen. Het leed dat daardoor aan hun kinderen en andere nabestaanden is toegebracht is onvoorstelbaar. De kinderen zullen verder moeten leven zonder hun moeder in de wetenschap dat zij is gedood door hun eigen vader. Het gewelddadige handelen van verdachte heeft ook veel maatschappelijke onrust teweeggebracht. Dergelijke feiten schokken de rechtsorde op grove wijze. De ernst van deze feiten rechtvaardigt de oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt rekening met hetgeen door dr. J.M. Oudejans, psycholoog en dr. A.G.S. de Ranitz, psychiater in hun rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend: ‘Betrokkene (…) lijdt aan een ernstig psychotische stoornis, te weten een waanstoornis waarin de benadelingswanen en ontrouw centraal staan. Op basis van de waanstoornis is er sprake van een actueel psychiatrisch toestandsbeeld waarin de paranoïde psychotische belevingen centraal staan, maar dat ook gekleurd wordt door de ontreddering en radeloosheid in het kader van een traumatische stressreactie op het ten laste gelegde (waar hij niets van begrijpt) en het verlies van de vrouw die hij zo nodig had. In het actuele toestandsbeeld zien men aldus de waanstoornis terug, maar ook de stress als gevolg van het ten laste gelegde, en de stress als gevolg van de voortwoekerende, zich uitbreidende benadelingswanen (…) Op grond van betrokkenes actuele klinische presentatie en de beschikbare informatie is er geen enkele reden om te betwijfelen dat betrokkene ook ten tijde van het ten laste gelegde (…) leed aan een waanstoornis (…) Hoewel er onzekerheid blijft bestaan over de precieze toedracht van het ten laste gelegde is het uiterst onaannemelijk dat de vastgestelde waanstoornis niet op substantiële wijze heeft doorgewerkt in het ten laste gelegde, ongeacht het delictscenario waar men van uitgaat. De kern van ieder delictscenario is dat betrokkene de agressieve confrontatie zoekt met de vrouw die centraal staat in zijn waanstoornis, van wie hij houdt en van wie hij afhankelijk is, maar door wie hij zich ook bedrogen en bedreigd voelt, de vrouw die hij wil helpen, maar die zich niet laat helpen, en de vrouw van wie hij niet kan loskomen omdat hij bij haar bevestiging zoekt van zijn waanbelevingen en daarmee het onmogelijke van haar eist: toegeven dat ze zich onder dwang laat prostitueren, misbruiken en verslaafd aan de cocaïne is geraakt, en hem heimelijk drugs toedient en hem te gronde wil richten, terwijl hij zich dat allemaal verbeeldt(…) Op grond van het bovenstaande concludeert het onderzoekend team dat betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar geacht moet worden voor het plegen van het ten laste gelegde (…) Indien betrokkene onbehandeld terugkeert in de maatschappij is het risico van vergelijkbare ernstige geweldsdelicten al op relatief korte termijn (zeer) groot. De waanstoornis waar betrokkene aan lijdt, heeft niets aan kracht ingeboet. Integendeel, de paranoïde psychotische belevingen hebben zich geïntensiveerd en uitgebreid (…) Zoals hij in de aanloop van het ten laste gelegde de bevestiging van zijn benadelingswanen zocht bij het slachtoffer, resulterend in de uiteindelijke agressieve confrontatie met de fatale afloop, zo zal hij in de toekomst die bevestiging van de wanen en de rehabilitatie proberen af te dwingen door de confrontatie te zoeken met zijn schoonfamilie. De kans dat deze confrontatie in agressieve zin escaleert is (zeer) groot (…) Teneinde de kans op herhaling te verminderen is het noodzakelijk dat betrokkene voor zijn ernstige stoornis wordt behandeld. Gegeven de afwezigheid van ieder ziekte-inzicht en iedere motivatie voor behandeling ziet het onderzoekend team geen gronden voor een behandeling in een voorwaardelijk kader (…) omdat dan de kans groot is dat betrokkene de behandeling na relatief korte tijd voortijdig zal afbreken, hetgeen in korte tijd kan leiden tot herhaling van het delictgedrag – gegeven de conclusie dat de kans op herhaling al op relatief korte termijn (zeer) groot is. Gelet op het voorgaande adviseren wij uw college betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.” De raadsvrouw heeft betoogd dat op grond van genoemd rapport geen duidelijke, op een gedegen verificatieonderzoek onderbouwde conclusie kan worden getrokken. De rechtbank verwerpt dit betoog en overweegt het volgende. Uit de rapportage blijkt dat beide deskundigen op grond van hun onderzoek van verdachte, en op grond van de overige gegevens, waaronder gesprekken met 6 referenten, voldoende in staat waren om in te kunnen gaan op de aard van de psychische stoornis, de (on)toerekeningsvatbaarheid en het gevaarscriterium en daaraan conclusies te verbinden. De rechtbank heeft geen reden aan de inhoud van het rapport te twijfelen en neemt derhalve bovengenoemde conclusie over en maakt die tot de hare. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten, de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling waartoe de officier van justitie ook heeft gerequireerd, eist. De maatregel wordt voorts gegrond op het door verdachte begane misdrijf, dat behoort tot een der misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid onder 1? van het Wetboek van Strafrecht. Nu voldaan is aan de wettelijke voorwaarden zal de rechtbank de ter beschikkingstelling gelasten en bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd. Het bewezen verklaarde delict is een misdrijf dat een gevaar oplevert voor of een krenking is van de lichamelijke integriteit van een of meer personen. De officier van justitie heeft geëist dat, naast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, verdachte veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. De rechtbank is van oordeel dat het zowel in het belang van verdachte als in het belang van de maatschappij is dat de behandeling in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling op zo kort mogelijke termijn zal aanvangen. Daarmee verdraagt zich niet een hele langdurige gevangenisstraf, hoezeer die uit het oogpunt van vergelding ook op zijn plaats is. Voorts is hierbij van groot belang dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, moord niet bewezen acht, zodat de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend en geboden acht. 7. De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht. 8. De beslissing De rechtbank, rechtdoende: Spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit. Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4a. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren. Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht. Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Aldus gewezen door: mr. J.P. Bordes, vicepresident, als voorzitter, mr. T.H.P. de Roos, vicepresident, mr. C. Lely-Van Goch, vicepresident, in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 september 2008.