Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0046

Datum uitspraak2008-08-15
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers252095/ JE RK 08-1626
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector handels- en familierecht Vervallenverklaring aanwijzing Zaaknummer: 252095 / JE RK 08-1626 Beschikking van 15 augustus 2008 van de kinderrechter met betrekking tot de minderjarige: [x], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum], verder te noemen: [minderjarige]. kind van [vader], wonende te [woonplaats], en [moeder], wonende te [woonplaats]. 1. Verloop van de procedure Bureau Jeugdzorg Utrecht heeft op 26 juni 2008 aan ouders een schriftelijke aanwijzing ex artikel 1:258 BW gegeven. Op 1 juli 2008 heeft BJZ een rectificatie van deze aanwijzing gegeven. Op 11 juli 2008 heeft de moeder een verzoek tot vervallen verklaring van de aanwijzing bij de rechtbank ingediend. Daarbij is overgelegd een kopie van de aanwijzing d.d. 26 juni 2008 en van de rectificatie d.d. 1 juli 2008. Bij brief van 15 augustus 2008 heeft de vader te kennen gegeven het verzoek van de moeder te steunen. Op 15 augustus 2008 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. 2. Beoordeling van het verzochte Bij beschikking van 30 oktober 2007 van de kinderrechter te Utrecht is [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar, met ingang van 30 oktober 2007. [minderjarige] is onder behandeling bij de psychiatrische afdeling van het UMC. Hij is sinds 2007 drie maal in bewaring gesteld op grond van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) en er is twee maal een voorlopige machtiging op grond van die wet ten behoeve van [minderjarige] verleend, laatstelijk op 22 april 2008. De huidige machtiging expireert op 22 oktober 2008. Als vaststaand kan derhalve worden aangenomen dat bij [minderjarige] sprake is van een stoornis in zijn geestvermogens, die hem gevaar doet veroorzaken. De vader heeft een zogenoemde specialistenbrief gedateerd 2 juli 2008 en geschreven door mw. dr. H. Snoek, psychiater in het UMC in het geding gebracht. Daarin schrijft zij het volgende: “ [minderjarige] is bekend met een bipolaire I stoornis, waarbij er sprake is van een zeer ongunstige prognose. De prognose is gebaseerd op de volgende risicofactoren : een forse familiaire belasting voor bipolaire stoornissen, de age of onset op 13 jaar, gemengde episode met psychotische kenmerken, rapid cycling patroon, beperkt medicatie-effect, zeer instabiele thuis- en gezinssituatie. Op basis van de ernst van het toestandsbeeld en het beloop vanaf de eerste presentatie zijn de volgende gevaarscriteria aan de orde: afroepen van agressie van anderen over zichzelf, maatschappelijke teloorgang en suïcide. De prognose wordt daarnaast uitermate negatief beinvloedt door niet onderschrijven van de diagnose en niet ondersteunen van en ondermijnen behandeling door ouders.” De ouders hebben ter zitting aangegeven dat hun relatie met het UMC ernstig is verstoord. Zij hebben geen enkel vertrouwen in de behandelaars van [minderjarige] bij het UMC. Zij beogen een second opinion en overdracht van de behandeling aan een andere psychiatrische instelling. De moeder heeft daarbij aangegeven dat zij zelf psychologe is en zich heeft verdiept in de betreffende materie. In het verzoekschrift heeft de moeder geschreven dat de ouders in zee willen gaan met een antroposofisch psychiater, die qua visie op behandeling dichter bij hen staat. Zij heeft daartoe contact opgenomen met dr. Zwetssloot, psychiater bij Zonnehuizen. Zij heeft voorts aangegeven dat zij net zolang zal zoeken naar andere behandelaars totdat zij behandelaars heeft gevonden die op één lijn staan met de ouders. Aan [minderjarige] is na zijn laatste opname in het UMC (voorwaardelijk) ontslag verleend. Hij verblijft thans bij zijn moeder en wordt ambulant behandeld door het UMC. De gerectificeerde schriftelijke aanwijzing van 1 juli 2008 houdt in dat de ouders zolang [minderjarige] onder behandeling van het UMC is, zich moeten conformeren aan de behandelvoorwaarden van het UMC. De aanwijzing vermeldt voorts dat onderzoek buiten de BOPZ is toegestaan, behandeling uiteraard in overleg met het UMC. Uit de motivering en uit de toelichting die daarop is gegeven door Bureau jeugdzorg ter zitting blijkt dat het de ouders vrij staat een overdracht van de behandeling naar een andere BOPZ-setting te regelen en een second opinion aan te vragen. Dit wordt, gelet op de nadelige invloed die het niet onderschrijven van de diagnose en de verstoorde verhouding van de ouders met het UMC heeft op de behandeling van [minderjarige], zelfs door Bureau Jeugdzorg ondersteund. Zolang echter de overdracht niet is geëffectueerd dienen de ouders zich te conformeren aan de behandelvoorwaarden van het UMC, aldus Bureau jeugdzorg. Ter zitting is gebleken dat de ouders zich, zolang de overdracht niet is geëffectueerd willen conformeren aan de behandeling van het UMC. De moeder schrijft dit ook in haar verzoekschrift : “dat neemt niet weg dat wij meewerken aan de behandeling en eenduidig zijn in de communicatie naar [minderjarige]”. In zoverre zitten Bureau jeugdzorg en de ouders op één lijn, zij het dat de ouders ter zitting wel hun bezwaren tegen eventuele dwangmedicatie en separatie hebben gehandhaafd. Verder is gebleken dat hun bezwaren met name zijn gelegen in een eventuele ontheffing uit het ouderlijke gezag, waarover in de aanwijzing wordt gesproken. De kinderrechter begrijpt dat de ouders door de passage over een ontheffing uit het ouderlijk gezag zijn geschrokken. Zoals echter ook reeds aan de ouders ter zitting is uitgelegd kan een verzoek tot ontheffing uit het ouderlijk gezag niet door Bureau jeugdzorg worden ingediend, doch slechts door de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie. Voorafgaand aan een dergelijk verzoek pleegt de Raad eerst een onderzoek te verrichten of ontheffing geïndiceerd is. Een door de Raad ingediend verzoek tot ontheffing wordt, indien de ouders daar niet mee instemmen, ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank behandeld, waarbij de ouders zullen worden gehoord. Kortom, de schriftelijke aanwijzing is op dit punt enigszins slordig geformuleerd. Zoals door Bureau Jeugdzorg ter zitting is bevestigd is met de betreffende passage bedoeld dat Bureau jeugdzorg de Raad zal verzoeken een onderzoek gericht op een mogelijke ontheffing in te stellen, indien de ouders zich niet aan de schriftelijke aanwijzing houden. De kinderrechter vat de betreffende passage ook in die zin op. Het indienen van een dergelijk verzoek staat Bureau jeugdzorg te alle tijden vrij. Ouders kunnen daar in rechte niet tegen opkomen. Hoewel begrijpelijk is dat zij van de betreffende passage zijn geschrokken kunnen kun bezwaren daartegen niet tot toewijzing van het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing leiden. De kinderrechter is overigens van oordeel dat de betreffende passage wel recht doet aan de ernst van de huidige situatie. Deze vormt immers een serieuze bedreiging voor de gezondheid van [minderjarige]. De kinderrechter onderschrijft daarnaast het belang van overdracht van de behandeling van [minderjarige]. De relatie tussen de ouders en het UMC is zodanig verstoord dat dit de behandeling van [minderjarige] ondermijnt. Zolang deze overdracht niet is geëffectueerd moeten de ouders zich echter, in het belang van [minderjarige], aan de behandelvoorwaarden van het UMC conformeren en constructief met de behandelaren samenwerken. Voor de duidelijkheid zij daarbij vermeld dat zolang er een BOPZ-maatregel geldt ten aanzien van [minderjarige] alleen een overdracht naar een andere psychiatrisch ziekenhuis in de zin van die wet aan de orde kan zijn. Dit onder meer vanwege de mogelijkheid tot toepassing van middelen een maatregelen in de zin van de Wet BOPZ. Voor zover de bezwaren van de ouders op de toepassing van dergelijke middelen en maatregelen zijn gericht wijst de kinderrechter erop dat de wet BOPZ daartegen een eigen rechtsgang kent, waarin ook de ouders een ingang hebben. Een dergelijke rechtsingang kan de ouders niet bij schriftelijke aanwijzing worden ontzegd. De kinderrechter gaat er dan ook vanuit dat dat niet bedoeld is met de schriftelijke aanwijzing. Dat neemt niet weg dat de ouders vanuit hun ouderlijke verantwoordelijkheid daar in een voorkomend geval zeer terughoudend gebruik van zouden moeten maken, gezien de ernst van het psychiatrisch toestandsbeeld van [minderjarige] en het ondermijnende effect dat een dergelijke interventie van hun zijde kan hebben op de behandeling van [minderjarige]. Voorts is het zaak dat de ouders voortvarend te werk gaan in hun pogingen een andere BOPZ-instelling bereid te vinden de behandeling over te nemen. Gelet op het bovenstaande acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] dat de aanwijzing, zoals deze is afgegeven op 1 juli 2008, in stand blijft. 3. Beslissing De kinderrechter wijst het verzoek tot vervallen verklaring aanwijzing d.d. 1 juli 2008 af. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 15 augustus 2008 door mr. MA.A.T. Engbers, kinderrechter, in bijzijn van H. Oosterhuis als griffier.