Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0044

Datum uitspraak2008-09-08
Datum gepubliceerd2008-09-08
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
Zaaknummers18/630010-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

Na eis vrijspraak, veroordeling tot 3 jaren gevangenisstraf voor medeplegen poging tot moord


Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN Sector Strafrecht parketnummer: 18/630010-08 (promis) datum uitspraak: 8 september 2008 op tegenspraak raadsman: mr. E.J. de Mare V O N N I S van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte], wonende te [woonplaats verdachte]. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 augustus 2008. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd: dat hij op of omstreeks 26 december 2007, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon, genaamd, [aangever] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, naar de woning van die [aangever] is gegaan en aldaar een of meerdere malen op deur heeft geklopt en/of (vervolgens) met een vuurwapen een of meerdere schoten heeft gelost op/door de voordeur van de woning ([adres aangever]) in welke woning die [aangever] en/of (een) andere(n) zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 289 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat [medeverdachte] en/of een of meer anderen op of omstreeks 26 december 2007, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s), opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon, genaamd [aangever], van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, naar de woning van die [aangever] is gegaan en aldaar een of meerdere malen op de deur heeft geklopt en/of (vervolgens) met een vuurwapen een of meerdere schoten heeft gelost op/door de voordeur van de woning ([adres aangever]) in welke woning die [aangever] en/of (een) ander(en) zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 26 december 2007, in de gemeente Groningen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest doordat hij, verdachte - die [medeverdachte] met zijn, verdachtes, auto heeft opgehaald uit het UMCG en samen met die [medeverdachte] naar de woning van die [aangever] heeft gezocht en/of - die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) naar voornoemde woning heeft gereden/gebracht en/of begeleid en/of (samen met die [medeverdachte]) bij de voordeur van genoemde woning heeft gestaan en/of de woning van die [aangever] heeft aangewezen en/of - zich niet heeft gedistantieerd van vorengenoemd strafbaar feit en/of - op de uitkijk heeft gestaan en/of door welk handelen van verdachte er voor die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) een situatie ontstond waarin het voor die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) gemakkelijker werd om vorengenoemd delict te plegen; art 289 Wetboek van Strafrecht art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 26 december 2007, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend naar de woning van die [aangever] gegaan en heeft/hebben aldaar een of meerdere malen op de deur geklopt en/of (vervolgens) met een vuurwapen een of meerdere schoten gelost op/door de voordeur van de woning ([adres aangever]) in welke woning die [aangever] en/of (een) ander(e) zich bevond(en); art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat [medeverdachte] op of omstreeks 26 december 2007, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend naar de woning van die [aangever] gegaan en heeft/hebben aldaar een of meerdere malen op de deur geklopt en/of (vervolgens) met een vuurwapen een of meerdere schoten gelost op/door de voordeur van de woning ([adres aangever]) in welke woning die [aangever] en/of (een) ander(en) zich bevond(en) tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 26 december 2007, in de gemeente Groningen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest doordat hij, verdachte - die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) naar voornoemde woning heeft gereden/gebracht en/of begeleid en/of (samen met die [medeverdachte]) bij de voordeur van genoemde woning heeft gestaan en/of - zich niet heeft gedistantieerd van vorengenoemd strafbaar feit en/of - op de uitkijk heeft gestaan en/of door welk handelen van verdachte er voor die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) een situatie ontstond waarin het voor die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) gemakkelijker werd om vorengenoemd delict te plegen; art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht Bewijsvraag Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Uit diverse verklaringen in het onderhavige politiedossier kan worden afgeleid dat verdachte vanuit het UMCG met -in ieder geval- [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]), [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1]), [betrokkene 2] (verder: [betrokkene 2]) en [betrokkene 3] (verder: [betrokkene 3]) in een rode Mazda richting Beijum is vertrokken, maar wat zich daarna onder andere met betrekking tot de rol van verdachte heeft afgespeeld is onduidelijk gebleven, zo heeft de officier van justitie aangegeven. Standpunt van de verdediging Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat verdachte inderdaad op grond van hetgeen door de officier van justitie naar voren is gebracht moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Cruciaal daarbij acht de raadsman de omstandigheid dat [getuige] (verder: [getuige]), tijdens een meervoudige fotoconfrontatie, en [betrokkene 4], (verder: [betrokkene 4]) blijkens zijn verklaring, medeverdachte [medeverdachte] hebben herkend, maar verdachte niet. Dit is naar de mening van de raadsman des te opmerkelijker nu verdachte die nacht een zeer opvallende trui heeft gedragen. Er kan naar de mening van de raadsman overigens wel van worden uitgegaan dat verdachte met de hiervoor door de officier van justitie genoemde personen na 04.20 uur vanuit het UMCG is vertrokken. Beoordeling De rechtbank deelt de mening van de officier van justitie en de raadsman niet en overweegt daartoe als volgt. Uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen op de hierna te noemen pagina’s van het dossier van de Regiopolitie Groningen, nummer PL01KN/08-000869 van 28 februari 2008, kan het volgende worden afgeleid. Blijkens de relatering van verbalisanten (pagina 99) was op camerabeelden van het UMCG te zien dat in de nacht van 25 op 26 december 2007 [medeverdachte] en [betrokkene 3] zich om 04.20 uur nog in het UMCG bevonden. Daarna is op deze beelden te zien dat ter hoogte van de ingang van de spoedeisende hulp een rode personenauto stopt waar [medeverdachte] instapt. De auto vertrekt vervolgens richting de Petrus Camperssingel. [betrokkene 3] heeft daarover verklaard (pagina 163) dat [medeverdachte] en zij vanuit het UMCG door verdachte, ook wel [bijnaam 1] genoemd, zijn afgehaald. Volgens haar verklaring zaten ze toen met vijf personen in de auto, te weten [betrokkene 2], ook wel [bijnaam 2] genoemd, als bestuurder, verdachte daarnaast op de bijrijdersstoel, en zij zelf op de achterbank tussen [medeverdachte] en een voor haar onbekende Antilliaan. De verklaring van [betrokkene 3] wordt in zoverre ondersteund door de verklaring van [betrokkene 1] (pagina 95), namelijk dat zijn neef [betrokkene 2] de auto bestuurde, dat [bijnaam 1] naast hem zat en dat hij op de achterbank zat met het Nederlandse meisje en medeverdachte [medeverdachte], ook wel [bijnaam 3] genoemd. [betrokkene 3] heeft verder verklaard (pagina’s 163 en 164) dat de sfeer onder de vier mannen in de auto “opgefokt” was en dat zij de mannen met betrekking tot [aangever] (verder: [aangever]) hoorde zeggen dat “ze nog niet klaar met hun waren” en “dat ze net zolang zouden zoeken totdat ze hun hadden gevonden”. Volgens [betrokkene 3] zeiden alle vier jongens “dat soort dingen”. [betrokkene 3] wordt blijkens haar verklaring in Beijum afgezet aan de Amkemaheerd, bij de afslag van de Wilkemaheerd, nadat [betrokkene 2] de parkeerplaats van de videotheek aan de Claremaheerd is opgereden. [betrokkene 3] heeft verder verklaard dat volgens de jongens [aangever], ook wel [bijnaam 4] genoemd, daar zou wonen. Bij het huis van [aangever] zag [betrokkene 3] licht branden en volgens de jongens stonden er mensen voor het raam te kijken, de jongens zijn daar toen niet uitgestapt en ze zouden daarna wel verder kijken, aldus [betrokkene 3]. [betrokkene 4] die zich blijkens zijn verklaring (pagina 77) op dat moment in de woning van [aangever] aan de [adres aangever] te Groningen bevond zag vanuit de woning van [aangever] een rode Mazda rijden met zeker vijf Antilliaanse mensen erin. Hij heeft daarover onder meer verklaard dat ze de parkeerplaats op reden naar het einde, dat ze riepen: “Para, para”, hetgeen betekent: “Stop, stop”, dat de auto vervolgens werd gekeerd en weer van de parkeerplaats afreed. Uit de verklaring van [getuige] (pagina’s 91 en 92) valt af te leiden dat [getuige] in totaal vier mannen heeft gezien. De rechtbank leidt uit de verklaringen van [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [getuige], in onderlinge samenhang bezien, af dat [betrokkene 4] verdachte en de vier overige personen in de auto, onder wie [betrokkene 3], heeft aangezien voor vijf Antilliaanse personen en dat, nadat [betrokkene 3] is uitgestapt, er vier mannen in de auto achter zijn gebleven. [getuige] heeft daarover verder verklaard dat hij in de rode Mazda die voor zijn woning stond geparkeerd twee mannen zag zitten, te weten één op de bestuurdersstoel en één op de achterbank, en dat hij, nadat hij knallen had gehoord, twee mannen uit een steeg zag komen. Eerst kwam een negroïde man van [getuige]’s lengte (1.76 m.) uit de steeg. Hij had een voor een negroïde man spits gezicht. Hij droeg een zwart rastanetje over zijn haar. Deze kleine man werd gelijk gevolgd door een grote negroïde man, kaal met een fors breed postuur. In zijn linkerhand droeg hij een pistool. De grote brede man stapte achter in de rode Mazda en de kleinere man ging op de bijrijderstoel zitten. Daarna reed de auto weg. De rechtbank heeft daarnaast gelet op de volgende wettige bewijsmiddelen, zoals opgenomen op de hierna te noemen pagina’s van het dossier, voornoemd, zakelijk weergegeven: - de verklaring van aangever [aangever] (pagina 72 t/m 75), onder meer inhoudende dat hij, nadat hij de medeverdachte [medeverdachte] een klap had gegeven, hem in het Papiamento tegen hem hoorde zeggen “”Mi ta mata bosnan. Bosnan lo sa”, hetgeen betekent “Ik vermoord jullie, jullie zullen weten”; - de verklaring van [betrokkene 5] (pagina 89 en 90), onder meer inhoudende dat hij de medeverdachte [medeverdachte] heeft horen zeggen “Ik schiet jullie dood. Ik krijg jullie nog wel”; - de verklaring van [betrokkene 4] (pagina 76 t/m 78), onder meer inhoudende dat hij de medeverdachte [medeverdachte] nadat deze door aangever was mishandeld heeft horen zeggen “Jij lacht nu maar jij gaat straks zien wat er gebeurt. Ik ga je dood maken.”, dat hij later die nacht, toen hij in de woning van aangever was, een rode Mazda aan zag komen rijden, dat zijn vriendin [betrokkene 6] enige tijd later twee mannen aan zag komen lopen waarvan zij de medeverdachte [medeverdachte] herkende, dat er kort daarop werd geklopt en dat er vervolgens twee knallen van een vuurwapen klonken; - de relatering van verbalisant (pagina 7) dat op 26 december 2007, omstreeks 04.40 uur wordt gebeld naar de meldkamer dat er aan de Claremaheerd geschoten zou zijn; - de relatering van verbalisanten (pagina 109 en 110), onder meer inhoudende dat zij zagen dat in de onderste ruit van de voordeur van de woning aan de [adres aangever] te Groningen een gat zat, dat zij zagen dat in het hout van die voordeur, onder het onderste raam, een gat zat, dat zij in die woning voor de deur naar de woonkamer een gedeelte van een kogel aantroffen, dat zij in die deur een gat zagen zitten, dat zij tegenover de deur, in een bank in de woonkamer, een gat zagen, dat zij zagen dat er aan de achterzijde van de bank een scheurtje in de bekleding zat, dat zij zagen dat op de plaats van dat scheurtje ook de verwarmingsplaat was beschadigd, dat zij in de bekleding van de bank een kogel aantroffen; - de verklaring van verdachte ter terechtzitting, onder meer inhoudende dat hij van de personen, [medeverdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 2], de enige is met rastahaar. Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij het feit ontkend, doch uit hetgeen hij ter terechtzitting heeft hij verklaard leidt de rechtbank af dat hij van de hiervoor genoemde mannen, de enige is met rastahaar. De rechtbank acht het, gelet op de korte tijdsperiode waarin een en ander zich heeft afgespeeld, immers tussen 04.20 uur (vertrek vanaf het UMCG) en 04.40 uur (tijdstip melding schietpartij) zeer onwaarschijnlijk dat, nadat [betrokkene 3] uit de auto is gestapt, zich een andere persoon met [bijnaam 1]haar bij het gezelschap in de auto heeft gevoegd. De rechtbank leidt uit een en ander af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte een van de inzittenden was van de auto die voor de woning van [getuige] is gestopt en verder dat verdachte met [medeverdachte] uit deze auto is gestapt. De rechtbank betrekt hierbij ook het feit dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte tijdens de rit vanaf het ziekenhuis naar Beijum naast de bestuurder zat en de door [getuige] waargenomen man met het rastanetje op de bijrijdersplaats ging zitten. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het verdachte is geweest die zich samen met de schutter naar de woning van aangever heeft begeven. Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte samen met een ander op 26 december 2007, nadat door hen op de voordeur van de woning van de aangever aan de [adres aangever] te Groningen was geklopt, twee maal op deze voordeur heeft geschoten. De rechtbank acht voornoemde verklaringen voldoende betrouwbaar, nu zij in onderling verband en samenhang bezien een gedetailleerde en nagenoeg eensluidende omschrijving geven van hetgeen heeft plaatsgevonden op de vroege ochtend van 26 december 2007. Ook overigens heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de be¬trouw¬baarheid van deze verklaringen. De omstandigheid dat [getuige] de verdachte niet tijdens een meervoudige fotoconfrontatie heeft herkend, maakt dit, nu [getuige] wel een passend signalement van de verdachte heeft gegeven en gelet op het overig voorhanden zijnde bewijs¬ma¬te¬riaal, niet anders. Dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zelf geschoten heeft doet daaraan ook niet af, nu verdachte als medepleger kan worden beschouwd, gelet op de uit de feiten blijkende samenwerking tussen beide personen. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 26 december 2007, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [aangever] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, naar de woning van die [aangever] is gegaan en aldaar meerdere malen op deur heeft geklopt en vervolgens met een vuurwapen meerdere schoten heeft gelost op de voordeur van de woning ([adres aangever]) in welke woning die [aangever] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. Kwalificatie Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op: Medeplegen van poging tot moord Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings¬gronden aanwezig worden geacht. Motivering straf Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het aangaande zijn persoon door de Reclassering Nederland opgemaakte voorlichtingsrapport d.d. 1 april 2008 en het uittreksel justitiële documen¬tatie d.d. 24 januari 2008 omtrent de verdachte. Vrijheidsstraf Verdachte heeft samen met een ander getracht iemand van het leven te beroven. Verdachte is, nadat zijn medeverdachte eerder die nacht op een groot Antilliaans feest in een discotheek in de binnenstad van Groningen door aangever was mishandeld, samen met die medeverdachte en twee anderen mannen in zeer opgefokte toestand naar de woning van aangever gegaan. Ter plaatse heeft verdachte samen met zijn medeverdachte, terwijl hij wist dat aangever in de woning aanwezig was, eerst op de voordeur geklopt waarna vervolgens tweemaal met een vuurwapen op de voordeur is geschoten. Dergelijk handelen, dat een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter draagt, rechtvaardigt zonder meer een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft hiermee het gevoel van veiligheid in de samenleving in het algemeen en dat van aangever in het bijzonder aangetast. Dit mag ook blijken uit hetgeen daarover door aangever is opgemerkt in de schriftelijke slachtofferverklaring van 10 april 2008. Daaruit blijkt onder meer dat aangever ten gevolge van de aanslag op zijn leven erg angstig is geworden, dat hij zich in zijn eigen huis niet meer veilig voelt, dat hij nauwelijks meer durft te gaan slapen en zich inmiddels tot een psycholoog heeft moeten wenden. Anderzijds heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf in aanmerking genomen dat er geen gewonden zijn gevallen. En hoewel het aan het verwerpelijke van het handelen van verdachte niets afdoet, houdt de rechtbank voorts rekening met de omstandigheid dat de opgefokte gemoedstoestand grotendeels is veroorzaakt doordat de medeverdachte eerder die nacht op niet mis te verstane wijze door aangever is mishandeld. Verder is verdachte in het recente verleden niet voor geweldsdelicten veroordeeld. Hoewel de rechtbank weinig weet van de exacte rolverdeling tussen verdachte en zijn medeverdachte toen zij zich voor de woning van aangever bevonden, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte niet zelf heeft geschoten. Verdachte heeft echter wel meegewerkt aan het creëren van een opgefokte sfeer in de auto en hij heeft daarmee de ander aangemoedigd verhaal bij aangever te gaan halen en hij heeft hem daar ook tot aan de voordeur van aangever in bijgestaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, nu ervan mag worden uitgegaan dat hij niet zelf heeft geschoten, een lagere straf toekomt dan de medeverdachte die voor dit feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren heeft opgelegd gekregen. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een onvoor¬waardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, passend en geboden is. Vordering van de benadeelde partij Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [aangever], wonende te Groningen. De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 375,--. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij voor het overig niet van zodanig eenvoudige aard, dat deze zich leent voor behandeling in dit strafproces, aangezien onduidelijk is of en zo ja in hoeverre met de eigen schuld van de benadeelde partij rekening moet worden gehouden. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Hoofdelijkheid Verdachte is niet tot vergoeding van bovengenoemd bedrag gehouden voor zover dit al door verdachtes mededader is voldaan. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van aangever (de benadeelde partij) aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens aangever naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van aangever ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding. Toepasselijke wettelijke voorschriften De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank: - verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar. - verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar. - verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. - veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot: een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever], wonende te Groningen, gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 375,-- (zegge: driehonderdvijfenzeventig). Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. De veroordeelde is niet tot vergoeding van bovengenoemd bedrag gehouden voor zover dit al door veroordeeldes mededader is voldaan. Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 375,-- (zegge driehonderdvijfenzeventig) ten behoeve van de benadeelde partij [aangever], wonende te Groningen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 375,-- ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat. Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, G. Laman en H.J. Bastin, in tegenwoordigheid van W. Brandsma, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 september 2008.