
Jurisprudentie
BF0043
Datum uitspraak2008-07-23
Datum gepubliceerd2008-09-08
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
ZaaknummersAWB 07/2190
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-08
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
ZaaknummersAWB 07/2190
Statusgepubliceerd
Indicatie
Belanghebbende woont in Duitsland en ontvangt pensioen en AOW uit Nederland. In geschil is of terecht premie AWBZ is ingehouden. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende op grond van de Nederlandse wetgeving en de Europese Verordening (nr. 1408/71) verplicht verzekerd is voor de AWBZ en derhalve premieplichtig is. Het beroep van belanghebbende op opgewekt vertrouwen slaagt echter. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de inspecteur in Groningen in 2002 en 2003 in de bezwaarfase het standpunt heeft ingenomen dat geen AWBZ-premie verschuldigd was. De rechtbank is van oordeel dat deze inspecteur een weloverwogen standpunt heeft ingenomen. Nu de inspecteur in Groningen in 2002 en 2003 de bevoegde inspecteur was, is de inspecteur van Belastingdienst Limburg, die in 2004 de bevoegde inspecteur was, gebonden aan het standpunt dat door zijn collega in Groningen is ingenomen.
Uitspraak
RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/2190
Uitspraakdatum: 23 juli 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Duitsland),
eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
verweerder.
Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 23 april 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.426.
Zitting
Partijen hebben de rechtbank schriftelijk toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend zonder heffing van premie AWBZ;
- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.
2. Gronden
Vooraf
Nu belanghebbende zich niet uitdrukkelijk beroept op een eventuele niet-inachtneming van de hoorplicht, als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, Awb, zal de rechtbank hieraan voorbij gaan.
2.1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en is op 15 augustus 2001 met haar echtgenoot vanuit Nederland naar Duitsland geëmigreerd. Belanghebbende ontving in het onderhavige jaar vanuit Nederland een AOW-uitkering en pensioen van [maatschappij]. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende niet verplicht Ziekenfonds verzekerd is gebleven in Nederland.
2.2. In geschil is het antwoord op de vraag of terecht premie voor de AWBZ is ingehouden.
2.3. De Nederlandse wetgever heeft op grond van het gemeenschapsrecht inzake de sociale zekerheid een hoge mate van vrijheid een eigen stelsel van sociale zekerheid in te richten. Verordening (EEG) nr. 1408/71 (de Verordening) voorziet niet in een harmonisatie van de sociale zekerheid binnen de Europese Unie maar voorziet in een regeling ter voorkoming van onder meer dubbele verzekering en daarmee dubbele premieplicht. In een geval dat ten aanzien van een burger een verplichte sociale verzekering van toepassing is voorziet het gemeenschapsrecht erin dat die bevoegdheid binnen de Unie slechts kan worden toegepast door één lidstaat. Het gemeenschapsrecht bepaalt daarbij niet onder welke voorwaarden het recht op of de verplichting tot aansluiting bij een sociale zekerheidsstelsel is geregeld. In het onderhavige geval betekent dit dat artikel 13, tweede lid, sub f, van de Verordening, dat betrekking heeft op postactieven, van toepassing is. In dit artikel is – voor zover hier van belang – bepaald dat op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat, de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, van toepassing is. In het arrest Ten Holder, Hof van Justitie EG 12 juni 1986, nr. 302/84 besliste het Hof van Justitie dat wanneer een postactieve emigreert van de ene Lid-Staat naar de andere Lid-Staat, zonder in de nieuwe woonstaat werkzaamheden te gaan verrichten, hij verzekerd blijft in de voormalige woon/werkstaat. Nu belanghebbende in Duitsland niet heeft gewerkt, blijft zij onderworpen aan de Nederlandse wettelijke regeling.
2.4. Ingevolge artikel 7 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 is verzekerd op grond van de AWBZ de persoon die niet in Nederland woont, die verzekerd is op grond van de Ziekenfondswet en die, met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, in de staat op het grondgebied waarvan hij woont recht kan doen gelden op verstrekkingen die hem in beginsel worden verleend ten laste van de middelen van de ziekenfondsverzekering. Nu belanghebbende verzekerd is voor de Ziekenfondswet is zij derhalve naar Nederlands recht terecht aangemerkt als verplicht verzekerde voor de AWBZ. Nu niet in geschil is dat belanghebbende in Duitsland recht heeft op medische zorg ten laste van Nederland, is belanghebbende terecht aangemerkt als premieplichtig voor de AWBZ.
2.5. Belanghebbende verwijst naar de brief van de [bank] van 5 februari 2002, waarin onder meer het volgende staat vermeld: “Omdat u in Duitsland woont bent u niet langer verzekerd voor de volksverzekeringen. Wij houden wel AWBZ premie, procentuele en nominale ziekenfondspremie in.” Nu de heffing van AWBZ-premies een taak van de belastingdienst is en niet van de [bank], kunnen uitlatingen die door de laatste instantie zijn gedaan niet aan de inspecteur worden toegerekend.
2.6. Belanghebbende beroept zich voorts op vertrouwen opgewekt door de inspecteur van de belastingdienst/kantoor [woonplaats]. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat deze inspecteur voor het jaar 2002 en 2003 de bezwaren van belanghebbende gegrond heeft verklaard, inhoudende dat geen AWBZ-premie over die jaren verschuldigd was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de betreffende inspecteur met deze uitspraken op bezwaar een weloverwogen standpunt ingenomen ter zake van de niet-verschuldigdheid van AWBZ-premie. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende niet alle relevante, juiste gegevens zou hebben overgelegd aan de inspecteur in [woonplaats]. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van de inspecteur in [woonplaats] niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing, dat belanghebbende in redelijkheid niet op nakoming mocht rekenen (vgl. Hoge Raad 26 september 1979, nr. 19 250, onder meer gepubliceerd in BNB 1979/311). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende niet werd bijgestaan door een deskundige en voorts de gecompliceerdheid van de desbetreffende (Europese) regelgeving en de vermoedelijke onbekendheid van belanghebbende met deze regelgeving. Dat de wetgeving als complex kan worden beschouwd valt mede af te leiden uit de onjuiste of onduidelijke toepassing hiervan door diverse instanties en voorts uit de uitwerking van de regelgeving dat wel AWBZ-premie verschuldigd is, maar toch geen (direct) recht bestaat op het verstrekkingenpakket van de Nederlandse AWBZ.
2.7. Gelet op hetgeen onder 2.6 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur in [woonplaats] bij belanghebbende het te honoreren vertrouwen heeft opgewekt, dat geen AWBZ-premie verschuldigd was. De vraag die dan nog beantwoord dient te worden is of de inspecteur van de Belastingdienst aan het door de inspecteur in [woonplaats] opgewekte vertrouwen is gebonden. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Nu de inspecteur in [woonplaats] in 2002 en 2003 de bevoegde inspecteur voor de inkomstenbelasting was en deze een weloverwogen standpunt heeft ingenomen waaraan belanghebbende vertrouwen heeft ontleend, is de inspecteur in [woonplaats], die in 2004 de bevoegde inspecteur voor de inkomstenbelasting was, hieraan gebonden tot het moment waarop hij er blijk van heeft gegeven dit standpunt niet te delen.
2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.
3. Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2008 door mr. J.J.J. Engel, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. drs. M.G.J.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. van Schaik, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.