
Jurisprudentie
BF0035
Datum uitspraak2008-06-30
Datum gepubliceerd2008-09-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Haarlem
ZaaknummersAWB 08/4293
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2008-09-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Haarlem
ZaaknummersAWB 08/4293
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Betrokkene heeft de voorzieningenrechter onder meer gevraagd de gemeente te verplichten hem huishoudelijke hulp te bieden op grond van de WMO.
De voorzieningenrechter heeft ten aanzien van de vraag of WMO-voorzieningen kunnen worden geweigerd omdat sprake zou kunnen zijn van een antirevaliderende werking geoordeeld dit slechts aan de orde kan zijn indien door het verstrekken van de voorziening een (mogelijke) behandeling wordt bemoeilijkt of wordt tegengewerkt, hetgeen moet blijken uit concrete informatie van de behandelend sector. Daarvan was in dit geval geen sprake.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 08 - 4293 WMO
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2008
in de zaak van:
[naam eiser],
wonende te [woonplaats eiser],
eiser,
gemachtigde: mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
verweerder,
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2008 heeft verweerder geweigerd eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in aanmerking te brengen voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en huishoudelijke hulp.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 januari 2008 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 18 april 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 mei 2008 beroep ingesteld. Bij brief van 28 mei 2008 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De zaak is behandeld ter zitting van 16 juni 2008, alwaar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, voornoemd, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Homan, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.
2. Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.
2.2 Eiser heeft op 6 november 2007 een aantal voorzieningen op grond van de Wmo aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag deels - zo begrijpt de voorzieningenrechter - buiten behandeling gesteld en deels afgewezen en dit besluit in bezwaar gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat ten aanzien van de rugklachten nog geen sprake was van een uitbehandelde situatie, waardoor verstrekking van voorzieningen antirevaliderend zou kunnen werken. De door eiser op grond van zijn allergieklachten gevraagde voorzieningen heeft verweerder buiten behandeling gesteld, omdat de noodzaak daarvan door een gebrek aan informatie niet kon worden beoordeeld. Verder heeft verweerder opgemerkt, dat er door de rugoperatie die eiser heeft ondergaan een nieuwe situatie is ontstaan en dat eiser, indien hij meent dat hij daardoor aanspraak heeft op voorzieningen, een nieuwe aanvraag in kan dienen.
2.3 Eiser heeft aangevoerd dat het niet aan verweerder is om te bepalen welke behandeling aangewezen is, maar dat het aan hem is om, na rijp beraad, te kiezen voor een bepaalde behandeling. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de vrees dat het toekennen van voorzieningen antirevaliderend zou zijn, ongegrond is, nu hij juist zeer actief op zoek is geweest naar een oplossing voor zijn klachten. Verder heeft eiser gesteld dat de door hem in bezwaar overgelegde verklaring van zijn allergoloog voldoende grond biedt voor de vaststelling van de noodzaak van de door gemachtigde gevraagde voorzieningen, in de vorm van nikkelvrije kranen en aanpassing van ventilatieroosters en kantelramen. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de kosten van aanschaf van een speciaal matras en lampen eveneens voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen.
2.4 Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht het besluit van 18 april 2008 te schorsen en te bepalen dat eiser een vergoeding voor een vervoersvoorziening cq huishoudelijke hulp in de zin van de WMO wordt verstrekt binnen 1 week na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Eiser heeft erop gewezen dat spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorziening omdat hij op 15 mei 2008 een zware rugoperatie heeft ondergaan ten gevolge waarvan hij nauwelijks of niet mobiel is.
2.5 De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van het niet in behandeling nemen van de aanvraag voor woonvoorzieningen als volgt.
2.6 Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is onder meer van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
2.7 Verweerder heeft bij brief van 20 december 2007 eiser verzocht vóór 4 januari 2008 ontbrekende medische gegevens in te zenden. Het gaat daarbij onder meer om informatie van de allergoloog met betrekking tot de diagnose en de ernst ervan, de inhoud van saneringsadviezen in relatie tot de aangevraagde voorzieningen, en de behandelmogelijkheden. Hoewel deze gegevens ontegenzeggelijk van belang zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening heeft verweerder geen aandacht geschonken - althans niet kenbaar - aan de vraag of eiser redelijkerwijs de beschikking over deze gegevens kon krijgen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet zonder meer gezegd worden dat dit het geval is. Het gaat hier immers om antwoorden van de specialist op specifieke medische vragen. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen wegens het ontbreken van voldoende gegevens. Het besluit zal op dit onderdeel worden vernietigd wegens strijd met artikel 4:5 Awb. Verweerder zal derhalve alsnog een beslissing naar aanleiding van eisers aanvraag voor woonvoorzieningen dienen te nemen. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat, voor zover nadere informatie van een allergoloog onontbeerlijk wordt geacht, verweerder in samenspraak met (gemachtigde van) eiser tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing moet kunnen komen.
2.8 Ten aanzien van de weigering tot verstrekken van voorzieningen in de vorm van huishoudelijke hulp en vervoer overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
2.9 Volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 6o, Wmo wordt verstaan onder maatschappelijke ondersteuning het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.
In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, Wmo staat het volgende:
"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder huishoudelijke verzorging: het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort.
2.10 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, Wmo treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4o, 5o en 6o, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren. Woonvoorzieningen en woningaanpassingen worden begrepen onder het voeren van een huishouden.
2.11 Ingevolge artikel 5, eerste lid, Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.
2.12 Voornoemde regels zijn vastgesteld in de Verordening individuele voorzieningen gemeente Zaanstad 2007 (hierna: Verordening).
2.13 Ingevolge artikel 26, eerste lid, Wmo vermeldt de beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.
2.14 In het licht van het voorgaande begrijpt de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder - dat in verband met de rugklachten van eiser geen voorzieningen worden verstrekt - aldus, dat het niet verstrekken van voorzieningen bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van eiser, omdat het wel verstrekken van voorzieningen eisers herstel in de weg zou staan.
2.15 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit slechts aan de orde zijn indien door het verstrekken van de voorziening een (mogelijke) behandeling wordt bemoeilijkt of wordt tegengewerkt, hetgeen moet blijken uit concrete informatie van de behandelend sector. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Weliswaar blijkt uit de informatie van de behandelend artsen dat eiser is geadviseerd in beweging te blijven, uit de stukken blijkt niet dat de behandelend sector te kennen heeft gegeven dat het (tijdelijk) verstrekken van voorzieningen de behandeling en het herstel van eiser in de weg zou staan. Onder die omstandigheden is het niet aan de (adviserend arts van) verweerder te bepalen dat eiser gebaat is bij het niet verstrekken van voorzieningen. Voorts is de voorzieningenrechter met eisers gemachtigde van oordeel dat het aan eiser is - in overleg met de behandelend sector - te bepalen welke behandeling hij zal ondergaan. Voor zover het besluit derhalve berust op de grondslag dat het verstrekken van de gevraagde voorzieningen antirevaliderend zou kunnen werken kan die het besluit niet dragen.
2.16 Voor zover het besluit tot weigering tot het verstrekken van voorzieningen in verband met de rugklachten van eiser gebaseerd is op het standpunt dat de voorzieningen niet langdurig noodzakelijk zijn overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
2.17 Artikel 2, eerste lid, Verordening bepaalt dat een voorziening slechts kan worden toegekend voorzover:
a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en het bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen. Een uitzondering op een langdurig noodzakelijke voorziening kan zijn die situaties waarbij voor een kortere, afzienbare periode hulp bij het huishouden geboden moet worden; b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Voor hulp bij het huishouden geldt dat elk van de gegunde leveranciers als goedkoopst adequaat wordt aangemerkt;
c. deze in overwegende mate op het individu is gericht.
2.18 Blijkens dit artikel is dus expliciet een uitzondering voorzien in de gevallen dat voor een kortere, afzienbare periode hulp bij het huishouden is geboden, ten opzichte van het algemene uitgangspunt dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is.
2.19 Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de door eiser ondervonden rugklachten aanleiding kunnen zijn voor het toekennen van hulp bij het huishouden. Gelet op de door de behandelend sector omschreven ernstige rugpijnklachten, is immers niet onaannemelijk dat eiser de zwaardere huishoudelijke werkzaamheden niet zelf - zelfs niet verdeeld over de dag en week - kan verrichten. Met het bestreden besluit heeft verweerder eiser dan ook onvoldoende compensatie geboden voor zijn beperkingen. Het bestreden besluit zal dan ook op dit onderdeel worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 4 en 26 Wmo.
2.20 Ter voorlichting van eiser merkt de voorzieningenrechter hierbij op dat het voorgaande nog niet betekent dat verweerder ook daadwerkelijk een vergoeding voor huishoudelijke hulp aan hem moet toekennen. Het gaat immers om een periode in het verleden en de mogelijkheid bestaat dat verweerder slechts tot vergoeding van daadwerkelijk gemaakte (redelijke) kosten over kan gaan.
2.21 Ten aanzien van de vraag of verweerder op goede gronden heeft geweigerd eiser een vervoersvoorziening te verstrekken, overweegt de voorzieningenrechter dat in dit kader de voorwaarde dat de voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn wel van toepassing is.
2.22 De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat geen reden is gezien te oordelen dat artikel 2, eerste lid, Verordening in strijd is met het compensatiebeginsel en artikel 4 Wmo. In het kader van rechtspraak over de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is de langdurige noodzakelijkheid als criterium aanvaard, zij het dat daarvoor geen medische eindtoestand is vereist (Centrale Raad van Beroep 3 mei 2006, www.rechtspraak.nl, LJN: AX8584). De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat daarover in het kader van de Wmo en verweerders Verordening anders moet worden geoordeeld. Bij de beoordeling van de langdurige noodzakelijkheid kunnen op zichzelf ook de prognose over de medische beperkingen en de behandelmogelijkheden een rol spelen (CRvB van 31 augustus 2005, www.rechtspraak.nl, LJN AU2527). Dat is blijkens de toelichting bij artikel 2 ook het uitgangspunt van de Verordening.
2.23 Nu de prognose over de beperkingen, die eiser als gevolg van de rugklachten ondervond, onafhankelijk van het antwoord op de vraag welke behandeling gekozen zou worden, gunstig was, heeft verweerder op goede gronden besloten eiser geen vervoersvoorziening te verstrekken. Van een langdurige noodzaak van een vervoersvoorziening is immers geen sprake. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook op goede gronden.
2.24 Het beroep is gegrond.
2.25 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak, bestaat er geen grond voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
2.26 In dit geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op grond van het bepaalde in dit Besluit vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt het bestreden besluit van 18 april 2008, voor zover dit betrekking heeft op voorzieningen ten behoeve van het voeren van een huishouden;
3.3 wijst het verzoek af;
3.4 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,--, welk bedrag de gemeente Zaanstad dient te betalen aan de griffier van de rechtbank;
3.5 gelast dat de gemeente Zaanstad het door eiser betaalde griffierecht van € 78,-- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.S. Korteweg - Wiers, voorzieningenrechter, en op 30 juni 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.