
Jurisprudentie
BF0033
Datum uitspraak2008-07-11
Datum gepubliceerd2008-09-08
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
ZaaknummersAWB 07/1329
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-08
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
ZaaknummersAWB 07/1329
Statusgepubliceerd
Indicatie
In het geval belanghebbende voornemens is een tijd in het buitenland te verblijven ligt het voor de hand dat hij maatregelen treft die nodig zijn om aan zijn wettelijke verplichtingen te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende hieraan in het onderhavige geval voldaan, door in zijn bezwaarschrift van 2 juli 2005 aan te geven dat hij vanwege zijn psychische toestand van 1 september 2005 tot 1 mei 2006 afwezig zal zijn. Gelet hierop is de termijnoverschrijding in het onderhavige geval op grond van artikel 6:11 Awb verschoonbaar.
Uitspraak
RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/1329
Uitspraakdatum: 11 juli 2008
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van:
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
opposante,
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Awb gedane uitspraak van de rechtbank, met bovengenoemd procedurenummer, van 16 november 2007.
Opposante wordt hierna belanghebbende genoemd.
1. Behandeling van het verzet
1.1. Bij genoemde uitspraak van deze rechtbank is het beroep van belanghebbende met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard, op grond van het niet tijdig indienen van het beroepschrift.
1.2. Bij brief van 15 december 2007, binnengekomen bij de rechtbank op 2 januari 2008, heeft belanghebbende verzet gedaan tegen deze uitspraak en verzocht te worden gehoord.
1.3. De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 3 juli 2008 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de echtgenoot van belanghebbende en tevens gemachtigde, alsmede de inspecteur.
2. Feiten en de gronden van het verzet
2.1. De door belanghebbende bestreden uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004 is gedagtekend 6 november 2006. Het beroepschrift van belanghebbende is gedagtekend 26 januari 2007 en is door de rechtbank ontvangen op 23 maart 2007. De envelop waarin het beroepschrift is ontvangen heeft als datum poststempel 21 maart 2007.
2.2. Bij de in verzet bestreden uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank is het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard op grond van het niet tijdig indienen van het beroepschrift.
2.3. De gronden waarop belanghebbende haar verzet baseert staan vermeld in het verzetschrift.
3. Beoordeling van het verzet
3.1. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 Awb). Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen (artikel 6:9 Awb). Bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb).
3.2. De dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar is 6 november 2006 en er is geen aanleiding om aan te nemen dat de bestreden uitspraak op bezwaar pas na de dagtekening daarvan is verzonden, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat de uitspraak op bezwaar op de datum van de dagtekening bekend is gemaakt. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is dan geëindigd op 18 december 2006. Nu het beroepschrift later dan een week na afloop van de termijn ter griffie van de rechtbank is ontvangen, namelijk op 23 maart 2007, is het beroepschrift niet tijdig ingediend. In dat geval blijft niet-ontvankelijkverklaring van het beroep slechts dan achterwege indien redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
3.3. In haar verzetschrift stelt belanghebbende zich op het standpunt dat zij na de uitspraak op bezwaar een brief van de Belastingdienst van 9 november 2006 heeft ontvangen, waarin wordt medegedeeld dat het verleende uitstel van betaling is vervallen. Naar aanleiding van een telefoongesprek met een medewerker van de Belastingdienst op 9 november 2006 wordt een brief van de Belastingdienst van 10 november 2006 ontvangen waarin wordt meegedeeld dat aan haar uitstel van betaling wordt verleend in verband met het indienen van een bezwaarschrift. Met dagtekening 6 maart 2007 wordt een brief van de Belastingdienst ontvangen waarin wordt medegedeeld dat het verleende uitstel van betaling is vervallen. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat door deze laatste mededeling van de zijde van de Belastingdienst dat uitstel van betaling is verleend, niet kan worden geoordeeld dat zij met betrekking tot de termijnoverschrijding in verzuim is, overweegt de rechtbank het volgende. Ter zitting heeft de inspecteur het bestaan van de correspondentie erkend en heeft hij onweersproken gesteld dat het hier correspondentie betreft van de ontvanger. Naar het oordeel van de rechtbank kan belanghebbende terwijl zij zelf niets anders doet dan een enkel telefoongesprek voeren met, naar de rechtbank aannemelijk acht, de ontvanger, aan voornoemde -schriftelijke- mededeling van de ontvanger niet het vertrouwen ontlenen dat de beroepstermijn zou zijn opgeschort, of dat er anderszins een verlenging van de beroepstermijn in het onderhavige geval zou gelden. Evenmin acht de rechtbank hierin een grond gelegen de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Voornoemde handelwijze van de ontvanger kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet tot de conclusie leiden dat er in het onderhavige geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring.
3.4. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de Belastingdienst zich, anders dan belanghebbende, kennelijk niet hoeft te houden aan termijnen. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn omdat de Belastingdienst de termijn voor het doen van uitspraak heeft overschreden, is de rechtbank van oordeel dat een termijnoverschrijding van de zijde van de Belastingdienst, wat hiervan ook moge zijn, geen grond op kan leveren om de termijnoverschrijding in het onderhavige geval verschoonbaar te achten. Anders dan voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift door een belastingplichtige, heeft de wetgever ervoor gekozen om geen sancties te verbinden aan het overschrijden van termijnen door de inspecteur. Bovendien wijst de rechtbank er nog op dat de inspecteur op grond van artikel 7:10, van de Awb, in verbinding met artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (tekst tot 2008) één jaar de tijd had om uitspraak te doen op het bezwaar. Nu het bezwaarschrift was ingediend op 29 juni 2006 is van een termijnoverschrijding door de inspecteur geen sprake.
3.5. Voor zover belanghebbende erover klaagt dat zij onheus is bejegend door een ambtenaar van de Belastingdienst tijdens het gesprek van 12 april 2007, is de rechtbank van oordeel dat dit evenmin een grond kan opleveren om de termijnoverschrijding in het onderhavige geval verschoonbaar te achten. Immers een onheuse bejegening van de zijde van de Belastingdienst, wat daarvan ook moge zijn, belet belanghebbende niet binnen de beroepstermijn, op straffe van niet-ontvankelijkverklaring, haar beroepschrift in te dienen.
3.6. Overige gronden op basis waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat belanghebbende ter zake van de niet tijdige indiening van het beroepschrift niet in verzuim is, zijn gesteld noch aannemelijk geworden. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van belanghebbende dan bij de in verzet bestreden uitspraak terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet is daarom ongegrond.
3.7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
4. Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan belanghebbende en de wederpartij in het bodemgeschil op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbende en de wederpartij in het bodemgeschil binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag
Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het beroep in cassatie.