Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0018

Datum uitspraak2008-08-05
Datum gepubliceerd2008-09-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 07/375
Statusgepubliceerd


Indicatie

Elektriciteitswet 1998


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 07/375 5 augustus 2008 18050 Elektriciteitswet 1998 Uitspraak in de zaak van: Eneco Netbeheer B.V., te Rotterdam, appellante, gemachtigden: mr. M.W.F. Oosterhuis en mr. drs. M.G.A.M. Custers, advocaten te Rotterdam, tegen de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, verweerder, gemachtigde: mr. M. Vleggeert, werkzaam bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: NMa). Waaraan voorts als partij deelneemt: A (hierna: A), gemachtigde: mr. E.H.P. Dingenouts, advocaat te Rotterdam. 1. De procedure Appellante heeft bij brief van 22 mei 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 april 2007. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante en A tegen het besluit van 6 juli 2006, waarbij verweerder een klacht van A op grond van artikel 51 van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: EW ’98) deels gegrond, deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bij brief van 23 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij brief van 25 juli 2007 heeft het College A in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Bij brief van 30 juli 2007 heeft A bericht als partij aan het geding te willen deelnemen. Bij brief van 27 augustus 2007 heeft A een uiteenzetting over de zaak gegeven. Op 25 juni 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante bij monde van haar gemachtigde mr. drs. M.G.A.M. Custers en verweerder en A bij monde van hun gemachtigden het woord hebben gevoerd. Namens appellante is tevens verschenen B, werkzaam bij appellante. 2. De grondslag van het geschil 2.1 Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG (hierna: Tweede elektriciteitsrichtlijn) bepaalt voor zover van belang onder meer het volgende: “Artikel 16 Vertrouwelijkheid voor distributiesysteembeheerders Onverminderd artikel 18 of enige andere wettelijke verplichting tot het verstrekken van informatie, eerbiedigt de distributiesysteembeheerder de vertrouwelijkheid van de commercieel gevoelige gegevens die hem bij zijn bedrijfsvoering ter kennis komen (…).” De volgende bepalingen uit de EW ’98, zoals deze golden ten tijde hier in geding, zijn hier van belang: “Artikel 16 1. De netbeheerder heeft in het kader van het beheer van de netten in het voor hem krachtens artikel 36 of 37 vastgestelde gebied tot taak: (…) b. de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en van het transport van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen; (…) g. het bevorderen van de veiligheid bij het gebruik van toestellen en installaties die elektriciteit verbruiken; (…) Artikel 19 De netbeheerder gebruikt aan hem verstrekte gegevens over afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, uitsluitend voor het uitvoeren van in deze wet aan de netbeheerder opgedragen taken, met dien verstande dat deze gegevens mede kunnen worden gebruikt voor het ten behoeve van de vergunninghouder innen van de vergoeding voor het leveren van elektriciteit. (…) Artikel 51 1. Een partij die een geschil heeft met een netbeheerder over de wijze waarop deze zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefent, dan wel aan zijn verplichtingen op grond van deze wet voldoet, kan een klacht bij de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit indienen. 2. (…) 3. De beslissing van de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit is bindend. (…) Artikel 79 1. Een netbeheerder of een vergunninghouder die bij de uitvoering van zijn taak de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht, of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.” In de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) is, voor zover van belang, het volgende bepaalde: “Artikel 1 In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; (…) Artikel 8 Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien: a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend; (…)” 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - A huurde sinds 7 juli 1995 de woning aan de C te D (hierna: de woning) van de Stichting Woningbedrijf Rotterdam (hierna: WBR). - Op 13 april 2004 heeft de Politie Rotterdam-Rijnmond in de woning hennepplanten, assimilatielampen, afzuiginstallaties, tenminste één ventilator en een waterreservoir met dompelpomp aangetroffen. - Bij brief van 18 augustus 2005 heeft appellante aan WBR in reactie op een verzoek om informatie van die zijde, voor zover van belang, het volgende meegedeeld “(…) Hierbij enige, door u gevraagde, informatie betreffende geconstateerde onregelmatigheden. Rapportage’s worden gemaakt ter onderbouwing van een eventuele aangifte van energiediefstal en daarom alleen bestemd voor Justitie. Het is niet onze bedoeling dat deze zaken ter beschikking worden gesteld. ENECO NetBeheer B.V. is ook niet gehouden hiervan een kopie te overleggen. Wij zullen de door u gevraagde informatie dan ook niet verstrekken. Wel kan ENECO NetBeheer bevestigen dat op 13-04-2005 in het pand C te D onregelmatigheden zijn vastgesteld t.w. ijkzegelverbreking en beschadiging van de elektriciteitsmeter t.b.v. een illegale in bedrijf zijnde hennepkwekerij, gepaard gaande met energiediefstal. Wij gaan er vanuit dat dit voldoende is om een kort geding op te starten. (…)” - Nadien hebben (de gemachtigde) van A en appellante per brief en per e-mail gecorrespondeerd over een aantal geschilpunten naar aanleiding van de vondst van de hennepkwekerij in de woning. In dat kader heeft A bij brief van 20 december 2005 onder meer het volgende aan appellante meegedeeld: “(…) U stelt dat u rapport heeft opgemaakt ten behoeve van aangifte voor energiediefstal. Terecht heeft u hiervan geen aangifte gedaan, nu cliënt geen energie heeft gestolen. U heeft dit ten onrechte wel aan de advocaat van WBR meegedeeld. Deze mededeling wordt thans door WBR gebruikt in een procedure tegen cliënt. Deze mededeling van u omtrent diefstal door cliënt is onwaar en smadelijk. Ik verzoek u dan ook om deze onware mededeling per direct schriftelijk recht te zetten richting de advocaat van WBR en de advocaat van WBR mede te delen dat cliënt geen stroom heeft gestolen en mij van deze brief een afschrift te doen toekomen. (…)” - Vorengenoemde correspondentie heeft uiteindelijk geleid tot een brief van appellante aan WBR gedateerd 15 februari 2006, waarvan de inhoud, voor zover van belang, luidt: “(…) In onze brief d.d. 18 augustus 2005 hebben wij u onder meer het volgende meegedeeld: “(…) kan ENECO NetBeheer bevestigen dat op 13-04-2005 in het pand C te D onregelmatigheden zijn vastgesteld t.w. ijkzegelverbreking en beschadiging van de elektriciteitsmeter t.b.v. een illegale in bedrijf zijnde hennepkwekerij, gepaard gaande met energiediefstal.”. Inmiddels hebben wij ondanks dat de meter was gemanipuleerd en kon worden teruggedraaid, aanleiding gezien, gelet op het hoge op de meter geregistreerde verbruik, de heer A te crediteren voor het in rekening gebrachte illegale elektriciteitsverbruik. (…)” - Bij een daartoe strekkend op 21 februari 2006 ondertekend formulier heeft A een aanvraag voor geschilbeslechting op basis van artikel 51 EW ’98 bij de NMa ingediend, onder meer met betrekking tot vorengenoemde brieven van appellante van 18 augustus 2005 en 15 februari 2006 (hierna: de brieven). - Bij brief van 10 april 2006 heeft appellante gereageerd op deze aanvraag. - Op verzoek van de NMa heeft A bij brief van 12 april 2006 een nadere toelichting gegeven op zijn aanvraag. - A en appellante hebben geen gebruik gemaakt van de door verweerder geboden gelegenheid hun standpunten toe te lichten op een hoorzitting, maar in de plaats daarvan bij brieven van respectievelijk 8 mei 2006 en 11 mei 2006 nader hun zienswijzen gegeven. - Bij besluit van 6 juli 2006 heeft verweerder, voor zover van belang, als volgt beslist: “- verklaart de klacht van A gericht tegen het verstrekken van gegevens door Eneco (ter zake van energiediefstal) over hem bij brief van 18 augustus 2005 aan WBR, wegens schending van artikel 19 E-wet gegrond; - verklaart de klacht van A gericht tegen verstrekken van gegevens door Eneco over hem bij brief van 16 februari 2006 (lees: 15 februari 2006, het College) aan WBR, ongegrond; - verklaart de klachten van A wegens schending van artikel 95g E wet door Eneco, ongegrond; (…)” - Bij brief van 16 augustus 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het hiervoor bij het eerste gedachtestreepje genoemde onderdeel van het besluit van 6 juli 2006. - Appellante heeft bij brief van dezelfde datum bezwaar gemaakt tegen het bij het tweede gedachtestreepje neergelegde onderdeel van dat besluit. - Op 19 oktober 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden omtrent deze bezwaren. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond en de bezwaren van A gegrond verklaard, het primaire besluit van 6 juli 2006 herroepen en besloten dat appellante op grond van artikel 79 juncto artikel 19 EW ’98 niet gerechtigd was persoonsgegevens over A, waarvan appellante het vertrouwelijk karakter had kunnen begrijpen, door middel van de brieven aan WBR te verstrekken. Verweerder heeft dit besluit, samengevat weergegeven, gebaseerd op de volgende overwegingen. Verweerder heeft de bezwaren van A geïnterpreteerd als een beroep op een in de EW ’98 geregelde geheimhoudingsplicht op grond waarvan appellante niet gerechtigd was om aan WBR te schrijven dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan energiediefstal of hennepteelt en de bezwaren van appellante verstaan als een beroep op het ontbreken van een geheimhoudingsplicht op grond van de EW ’98. Verweerder heeft geconcludeerd dat appellante door verzending van de brieven aan WBR heeft gehandeld in strijd met artikel 79 EW ’98. De in dit artikel geregelde geheimhoudingsplicht is bedoeld als aanvulling op de Wbp. De in de brieven vervatte informatie over A ziet op persoonsgegevens in de zin van artikel 1, onder a, Wbp en behoort tot informatie over A waarvan appellante het vertrouwelijk karakter kende of redelijkerwijs had moeten vermoeden. Het bepaalde in artikel 16, eerste lid, onder b en g, EW ’98, verplichtte appellante niet tot het doen van mededeling van bedoelde informatie aan WBR. Artikel 16, eerste lid, onder b, EW ’98 ziet uitsluitend op de veiligheid van netten en is niet relevant voor de veiligheid van de installatie in de woning. Nu de brieven pas een jaar na de ruiming van de hennepkwekerij zijn verzonden, kunnen deze brieven niet hebben gediend ter uitvoering van de in artikel 16, onder g, EW ’98 beschreven taak. Verweerder acht niet aannemelijk dat toen nog steeds sprake was van een onveilige situatie in de woning, hetgeen door appellante ook niet is gesteld. Ook anderszins is van een wettelijke verplichting daartoe niet gebleken. Vast staat dat de brief van 18 augustus 2005 niet op verzoek of met toestemming van A is verzonden. Anders dan in het primaire besluit, heeft verweerder zich in het bestreden besluit na heroverweging op het standpunt gesteld dat ook de brief van 15 februari 2006 niet als een op verzoek van A verzonden rectificatiebrief kan gelden. Verweerder ziet daarom geen grond om aan te nemen dat A toestemming als bedoeld in artikel 8, onder a, Wbp aan appellante heeft gegeven om de in de brieven neergelegde vertrouwelijke informatie over hem aan WBR mee te delen. Derhalve is geen van de in artikel 79 EW ’98 genoemde uitzonderingen op de daarin neergelegde geheimhoudingsverplichting in dit geval van toepassing. Appellante was dan ook niet bevoegd de in deze brieven neergelegde vertrouwelijke gegevens over A te verstrekken aan WBR. Verweerder heeft voorts geconcludeerd dat appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 19 juncto artikel 79 EW ’98 door de brieven te versturen naar WBR. Hiertoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat artikel 19 EW ’98 moet worden uitgelegd in het licht van de geheimhoudingsverplichting van artikel 79 EW ’98. In het licht daarvan, moeten de mogelijkheden om op grond van artikel 19 EW ’98 informatie uit te wisselen zeer beperkt worden uitgelegd. De term “gegevens” in dat artikel ziet niet uitsluitend op commerciële, concurrentiegevoelige gegevens, zoals door appellante in bezwaar is gesteld. Die term ziet op gegevens in de zin van artikel 1, onder a, Wbp. Artikel 19 EW ’98 beoogt te voorkomen dat netbeheerders persoonsgegevens van kleinverbruikers gebruiken voor andere doelen dan het netbeheer. Dit blijkt uit de in het bestreden besluit aangehaalde passages uit het verslag van de op 18 februari 1998 gehouden vergadering van de vaste commissie voor Economische Zaken (TK 1997-1998, 25 621, nr. 64, p.15) in combinatie met de parlementaire geschiedenis van artikel 79 EW ’98 (TK 2004-2005, 30 212, nr. 3, p. 61). Nu geen van de in artikel 19 EW ’98 en artikel 79 EW ’98 genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van de geheimhoudingsverplichting zich voordoet, heeft appellante gehandeld in strijd met artikel 19 juncto artikel 79 EW ’98 door de brieven toch te verzenden. Daarbij is niet van belang dat ook anderen dan appellante, zoals de politie, over de gegevens van A beschikten of dat hij de persoonsgegevens niet zelf aan appellante heeft doorgegeven, maar appellante deze gegevens zelf heeft verzameld. 4. Het standpunt van appellante Appellante kan zich op de volgende gronden niet verenigen met het bestreden besluit. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:11 Awb, nu verweerder dit besluit ten onrechte heeft gebaseerd op de overtreding van een ander voorschrift, te weten artikel 79 EW ’98, dan het voorschrift dat aan het primaire besluit ten grondslag was gelegd, namelijk artikel 19 EW ‘98. De bezwaren van zowel appellante als van A hadden immers louter en alleen betrekking op de uitleg en toepassing van artikel 19 EW’98 in het primaire besluit, welk artikel ook de enige wettelijke bepaling was die verweerder in het primaire besluit ten grondslag had gelegd aan zijn oordeel ter zake van het aan hem voorgelegde geschil. De door A in het kader van dit geschil ingediende klacht hield ook uitsluitend in dat sprake was van overtreding van artikel 19 EW ’98. Hij heeft op geen enkel moment de suggestie gewekt dat overtreding van artikel 79 EW ’98 onderwerp van de procedure was. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld, althans onvoldoende gemotiveerd dat artikel 79 moet worden gelezen in samenhang met artikel 19 Ew’98, en/ of dat artikel 19 moet worden gelezen in samenhang met artikel 79 EW ’98. Voor koppeling tussen deze beide wettelijke bepalingen bestaat noch op grond van de wettekst, noch op grond van de parlementaire geschiedenis enige wettelijke grondslag. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 79 EW ’98, althans dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Verweerders opvatting dat het begrip “gegevens” als bedoeld in dit artikel alle verschillende soorten persoonsgegevens in de zin van artikel 1, onder a, Wbp omvat, is onjuist. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 79 EW ’98 is bedoeld om uitvoering te geven aan artikel 16 van de Tweede elektriciteitsrichtlijn, waarin expliciet wordt gerefereerd aan commercieel gevoelige gegevens. Met de in artikel 79 EW ’98 genoemde “persoonsgegevens” wordt derhalve gedoeld op “commercieel gevoelige gegevens”. Nu de door appellante in de brieven aan WBR verstrekte gegevens niet kunnen worden aangemerkt als commercieel gevoelige gegevens, heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 79 EW ’98, al dan niet juncto artikel 19 van die wet. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 19 EW ’98, althans dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Aangezien verweerders interpretatie van artikel 79 EW ’98 onjuist is, is eveneens onjuist zijn interpretatie van artikel 19 EW ’98 indien die plaatsvindt in het licht van artikel 79 EW ’98. Een consistente redenering brengt met zich dat met het begrip “gegevens” in de zin van artikel 19 EW ’98 ook uitsluitend wordt gedoeld op commercieel gevoelige gegevens. Verweerder bezondigt zich in dit verband aan een selectieve lezing van de parlementaire geschiedenis. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 19 EW ’98 van doorslaggevend belang is of het gaat om persoonsgegevens in de zin van artikel 1, onder a, Wbp en of appellante het vertrouwelijk karakter daarvan kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en dat niet van doorslaggevend belang is dat ook anderen dan appellante over de gegevens van A beschikten en dat appellante de gegevens zelf heeft verzameld. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat appellante met de verzending van de brief van 15 februari 2006 heeft gehandeld in strijd met artikel 79 juncto artikel 19 EW ’98. Appellante heeft deze brief louter en alleen geschreven omdat A daarom uitdrukkelijk had verzocht. Appellante heeft met deze brief geen gegevens verstrekt anders dan die welke zij reeds eerder had verstrekt of die bij WBR reeds bekend waren. Het ging A juist om de rectificatie van de energiediefstal. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld, althans onvoldoende gemotiveerd dat geen noodzaak of wettelijke plicht tot mededeling aan WBR bestond. In het licht van de ingevolge artikel 16, eerste lid, onder b en g, EW ’98 op appellante rustende wettelijke taken past het dat WBR, als eigenares van de woning, wordt geïnformeerd over de geconstateerde onregelmatigheden. Verweerder heeft uit het oog verloren dat onregelmatigheden bij de afname van elektriciteit niet uitsluitend van belang kunnen zijn voor de veiligheid van de installatie, maar ook voor de veiligheid en integriteit van het transportnet als zodanig. Voorts moet worden bedacht dat de onveiligheid van installaties en toestellen, bijvoorbeeld als gevolg van onregelmatigheden, bijzonder vergaande (schadelijke) gevolgen kan hebben voor omwonenden en in de praktijk ook regelmatig brand tot gevolg heeft. 5 De beoordeling van het geschil 5.1 Het College stelt allereerst vast dat verweerder in het bestreden besluit (blijkens het gestelde bij randnummer 38) uitdrukkelijk heeft geconcludeerd dat appellante heeft gehandeld in strijd met de in artikel 79 EW ’98 neergelegde geheimhoudingsverplichting door verzending van de brieven aan WBR. Verweerder heeft deze conclusie gemotiveerd met de in randnummers 24 tot en met 37 opgenomen overwegingen. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit (randnummer 45) geconcludeerd dat appellante door deze brieven te verzenden heeft gehandeld in strijd met artikel 19 juncto artikel 79 EW ’98. Deze conclusie is in randnummers 39 tot en met 47 van het bestreden besluit door verweerder voorzien van een motivering. In dit licht bezien moet naar het oordeel van het College het onder punt IV vermelde dictum van het bestreden besluit, inhoudende verweerders beslissing dat appellante op grond van artikel 79 juncto artikel 19 EW ’98 niet gerechtigd was persoonsgegevens over A, waarvan appellante het vertrouwelijk karakter had kunnen begrijpen, door middel van de brieven aan WBR te verstrekken, aldus worden verstaan dat appellante volgens het ter toetsing voorliggend oordeel van verweerder noch op grond van artikel 79 EW ’98, noch op grond van artikel 19 juncto artikel 79 van die wet gerechtigd was tot het verstrekken van deze gegevens aan WBR. 5.2 De grief van appellante dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:11 Awb treft geen doel. Deze grief is terug te voeren op de stelling van appellante dat het verzoek van A om geschilbeslechting op grond van artikel 51 EW ’98 is beperkt tot de klacht dat appellante in strijd met de artikelen 19 en 95g EW ’98 bepaalde gegevens aan WBR heeft verstrekt door de verzending van de brieven, en dat bij deze klacht artikel 79 EW ’98 niet is vermeld. Deze stelling vindt echter geen steun in de door A op het aanvraagformulier van 21 februari 2006 verstrekte gegevens met betrekking tot het daarbij ter beslechting aan verweerder voorgelegde geschil. In rubriek 4, onder I, is het onderwerp van het geschil als volgt omschreven: “Gegevens van consument verstrekken aan derden, waaronder bovendien smadelijke beweringen”. In antwoord op de in rubriek 4, onder II, sub 8, gestelde vraag naar andere van belang zijnde aspecten voor de behandeling van het geschil, is voorts het volgende vermeld: “Door verzending v/d brief d.d.15-2-06 door E-netbeheer is opnieuw informatie aan de derde verstrekt, hetgeen de schendingen van o.a. de wettelijke voorschriften door E-netbeheer ernstiger maakt”. Als bijlage bij het aanvraagformulier is voorts onder meer gevoegd de brief van A van 20 december 2005, waarin hij appellante in het algemeen verwijt dat zij ten onrechte aan WBR heeft meegedeeld dat hij energie heeft gestolen. Uit deze gegevens, bezien in onderling verband, kan genoegzaam worden afgeleid dat het verzoek van A aan verweerder om beslechting van het geschil met appellante in de kern de klacht in brede zin inhoudt dat appellante op grond van die wet geenszins bevoegd was de gewraakte gegevens te verstrekken aan WBR door middel van verzending van de brieven. In het aanvraagformulier wordt overigens ook niet uitdrukkelijk en specifiek verzocht aan te geven op welke bij of krachtens de EW ’98 geldende voorschriften het geschil betrekking heeft. Aan het feit dat A in de toelichtende brief bij het aanvraagformulier heeft vermeld dat appellante de artikelen 19 en 95g EW ’98 heeft geschonden, kent het College, anders dan appellante, derhalve geen doorslaggevend gewicht toe. Met deze benadering is in overeenstemming dat verweerder bij het primaire besluit met betrekking tot de brief van appellante van 15 februari 2006 heeft geconcludeerd dat hij niet inziet waarom sprake zou zijn van schending van artikel 19 EW ’98 of van enige andere bepaling uit die wet. Het bezwaarschrift van A was uitsluitend gericht tegen de op evengenoemde conclusie gebaseerde ongegrondverklaring van zijn klacht tegen het verstrekken van gegevens over hem bij de brief van 15 februari 2006. Naar het oordeel van het College blijkt uit dit bezwaarschrift en de daarop tijdens de hoorzitting gegeven toelichting niet, dat A in het kader van de door hem aan verweerder gevraagde heroverweging van dit onderdeel van het primaire besluit de reikwijdte van zijn oorspronkelijke aanvraag om geschilbeslechting bij nader inzien uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft willen beperken tot de klacht dat appellante door verzending van de brief van 15 februari 2006 enkel in strijd met artikel 19 EW’98 heeft gehandeld. In dit verband merkt het College ten slotte op dat verweerder, waar het gaat om een klacht over de wijze waarop de netbeheerder zijn taken en bevoegdheden op grond van de EW’98 uitoefent, bij de beoordeling van die klacht niet gebonden is aan hetgeen de klager omtrent zijns inziens van belang zijnde voorschriften naar voren brengt, doch bij die beoordeling de voorschriften en regels mag betrekken die hij in het kader van de beslechting van het voorgelegde geschil geraden acht. 5.3 Het College volgt appellante evenmin in haar betoog dat verweerder een onjuiste uitleg en toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 79 EW ’98. Uit de wetsgeschiedenis (TK 2004-2005, 30 212, nr. 30) blijkt weliswaar dat artikel 79 EW ’98 in deze wet is opgenomen ter uitvoering van artikel 16 van de Tweede elektriciteitsrichtlijn, maar het College deelt verweerders standpunt dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat artikel 79 EW ’98 uitsluitend ziet op commercieel gevoelige gegevens als bedoeld in artikel 16 van deze richtlijn. Uit de tekst van artikel 79 EW ’98 blijkt immers dat de daarin neergelegde geheimhoudingsverplichting niet is beperkt tot de eerbiediging van de vertrouwelijkheid van evengenoemde gegevens, maar dat deze verplichting een ruimere werking heeft die zich uitstrekt over gegevens waarvan een netbeheerder het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden. Mede bezien tegen de achtergrond van de toelichting bij artikel 79 EW ’98, waarin deze geheimhoudingsverplichting in verband wordt gebracht met de bescherming tegen oneigenlijk gebruik van persoonsgegevens op grond van de algemene wetgeving ter zake van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, acht het College derhalve de uitleg van verweerder volgens welke het begrip gegevens in de zin van dit artikel persoonsgegevens als bedoeld in de Wbp omvat, niet onaanvaardbaar. Aangezien – zoals verweerder terecht heeft geoordeeld - de Tweede elektriciteitsrichtlijn strekt tot minimumharmonisatie, kan niet worden staande gehouden dat artikel 79 EW ’98, zoals deze blijkens het vorenstaande moet worden verstaan, zich niet verdraagt met artikel 16 van deze richtlijn. 5.4 Nu de in de brieven vermelde informatie met betrekking tot de daarin genoemde “onregelmatigheden” niet louter theoretisch in verband kan worden gebracht met A als toenmalig huurder van de woning waarin deze onregelmatigheden zouden zijn geconstateerd, heeft verweerder deze gegevens terecht aangemerkt als persoonsgegevens in de zin van artikel 1, onder a, Wbp. Vast staat dat deze informatie betrekking heeft op vermeende illegale praktijken. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het hierbij gaat om gegevens waarvan appellante het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden. Appellante was derhalve op grond van artikel 79 EW ’98 verplicht deze gegevens geheim te houden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift haar tot mededeling verplichtte of uit haar taak de noodzaak tot mededeling voortvloeide. 5.5. Verweerder heeft zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat enig wettelijk voorschrift appellante tot mededeling van bedoelde gegevens verplichtte en evenmin uit de taken van appellante de noodzaak tot mededeling voortvloeide. Het College kan zich geheel verenigen met hetgeen verweerder daartoe in het bestreden besluit heeft overwogen (randnummers 28 tot en met 31 en 34 tot en met 37) en maakt deze overwegingen hier tot de zijne. 5.6 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat appellante heeft gehandeld in strijd met de in artikel 79 EW ’98 neergelegde geheimhoudingsverplichting door de brieven te verzenden aan WBR. Nu deze conclusie blijkens hetgeen hiervoor in 5.1 is overwogen een zelfstandige grond vormt van het bestreden besluit, komt het College niet meer toe aan bespreking van het standpunt van verweerder dat appellante daarnaast heeft gehandeld in strijd met artikel 19 juncto artikel 79 EW ‘98. 5.7 De slotsom is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. 5.8 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding. 6. De beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. H.C. Cusell en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2008. w.g. C.M. Wolters w.g. I.C.Hof