
Jurisprudentie
BF0008
Datum uitspraak2008-06-25
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers248873 / 07-1256
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers248873 / 07-1256
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Indicatie
Mediation niet geslaagd. Marginale toetsing functie-indeling. De redenen, die de werkgever opgeeft om het advies van de Landelijke Bezwarencommissie tot indeling in de functie van hoofddocent niet op te volgen kunnen in redelijkheid niet worden aangemerkt als “gewichtige redenen” gedurende de referteperiode. Verklaring voor recht tot indeling in functie van hoofddocent toegewezen, evenals vordering tot betaling van in verband met die wijziging verschuldigd achterstallig loon.
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Kanton
Locatie Heerlen
rolno: 07-1256
zaakno: 248873
typ: M.L.
coll:
Vonnis van de kantonrechter d.d. 25 juni 2008
inzake
[eiser],
wonende te [adres],
eiser,
gemachtigde mr. H.J. Heuts-Amsing te Sittard,
tegen
de stichting De Stichting Hogeschool Zuyd,
gevestigd en kantoorhoudende te 6419 DJ Heerlen aan de Nieuw Eyckholt 300,
gedaagde,
gemachtigde mr. Y.W.P. Suiskens te Roermond.
1 VERDER PROCESVERLOOP
De bij het vonnis van 27 juni 2007 gelaste comparitie heeft op 19 september 2007 plaatsgevonden. Partijen zijn op haar verzoek verwezen naar mediation.
De mediation is niet geslaagd, waarna op 6 maart 2008 de comparitie van partijen
is voortgezet.
Van de comparities zijn processen-verbaal opgemaakt, die zich bij de stukken bevinden.
[eiser] heeft nog een akte genomen, houdende overlegging producties. Vervolgens heeft Hogeschool Zuyd een antwoordakte genomen, waarbij eveneens producties in geding zijn gebracht. [eiser] is daarop toegelaten bij nadere akte te reageren op de door Hogeschool Zuyd nog overgelegde producties.
De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.
2 VERDERE BEOORDELING
1 De door [eiser] bij de laatste akte overgelegde productie wordt voor de beoordeling van de onderhavige zaak om reden van een goede procesorde buiten beschouwing gelaten, nu Hogeschool Zuyd daar niet meer op heeft kunnen reageren.
2 De functieomschrijving van seniordocent is vastgesteld voordat Hogeschool Zuyd [eiser] op 21 september 2004 heeft meegedeeld dat hij in die functie was ingedeeld. Pas op 16 november 2004, nadat [eiser] op 14 oktober 2004 bezwaar tegen de indeling had aangetekend, heeft het College van Bestuur van Hogeschool Zuyd ook de omschrijvingen van de functies hoofddocent en senior hoofddocent vastgesteld.
Er circuleren binnen Hogeschool Zuyd kennelijk twee versies van de functieomschrijving van hoofddocent en in de onderhavige procedure zijn partijen in discussie geraakt over de vraag welke van de twee de functieomschrijving is die door het College van Bestuur is vastgesteld.
Hoewel het voor de werknemers verwarrend is dat er twee functieomschrijvingen in omloop zijn, moet worden aangenomen dat de door [eiser] bij dagvaarding overgelegde functieomschrijving van hoofddocent de juiste is, nu deze ook in de procedure bij de Landelijke Bezwarencommissie Functieordenen HBO (hierna: de Commissie) is gehanteerd, dezelfde is als de door Hogeschool Zuyd bij akte na comparitie overgelegde functieomschrijving en aangepast is conform het e-mail bericht van de secretaris van het College van Bestuur d.d. 15 november 2004.
In de functieomschrijving van hoofddocent staan de volgende resultaatgebieden:
1 onderwijs
2 innovatie: nieuw curriculum bachelors of afgerond deel masters
3 organisatie
4 onderzoek: complex, multidisciplinair of gespecialiseerd
5 overige activiteiten.
Per resultaatgebied worden zes kernactiviteiten beschreven. Voorts worden de bevoegdheden van de hoofddocent omschreven en de voor de functie vereiste kennis en vaardigheden.
3 In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of Hogeschool Zuyd de redenen die zij in haar brief van 7 september 2006 aan [eiser] heeft gegeven om het advies van de Commissie van 15 augustus 2006 niet op te volgen en [eiser] niet in te delen in de functie van hoofddocent, in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als “gewichtige redenen”. Het gaat daarbij om de werkzaamheden van [eiser] gedurende de referteperiode september 2002 tot september 2004.
3.1 Als eerste reden om het advies niet op te volgen noemt Hogeschool Zuyd dat een omvang van 200 uur (voor het verzorgen van de mastersopleiding) niet kan worden aangemerkt als substantieel, gelet op een ander advies van de Commissie.
Deze stelling van Hogeschool Zuyd berust op een onjuiste en/of onvolledige lezing van de beide adviezen. Anders dan in het andere advies heeft de Commissie in het geval van [eiser] immers bij haar conclusie dat sprake was van een substantieel deel der werkzaamheden niet alleen het aantal uren meegewogen, maar ook naar bijkomende factoren gekeken, waaronder het gegeven dat [eiser] verantwoordelijk was voor het innoveren van een afgerond deel van de masteropleiding. Het gaat om de module Information Management en Hogeschool Zuyd erkent dat [eiser] voor die module de verantwoordelijkheid droeg.
Dat [eiser] deze werkzaamheden verrichtte op projectbasis, heeft de Commissie meegewogen in haar advies en heeft niet geleid tot een ander oordeel van de Commissie. Door Hogeschool Zuyd zijn met betrekking tot de eerste reden geen andere argumenten aangevoerd, behoudens hetgeen hierna sub 4 nog zal worden besproken.
Het gaat volgens de Commissie bij deze werkzaamheden voor de masteropleiding om kerntaken, behorend tot de resultaatgebieden onderwijs en innovatie op het niveau van de hoofddocent en dat wordt door Hogeschool Zuyd niet betwist.
3.2 De tweede door Hogeschool Zuyd genoemde reden is dat de Commissie haar stelling dat de werkzaamheden op het resultaatgebied onderzoek als complex en multidisciplinair zijn aan te merken, niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd en geheel ten onrechte stelt dat geen aansturing door een lector plaatsvindt.
[eiser] geeft met betrekking tot de complexiteit en het multidisciplinaire karakter van zijn werkzaamheden aan dat hij het onderzoek Wonen, Zorg en Welzijn zelfstandig aanstuurt, dat hij zelf de onderzoekvraag heeft geformuleerd en het onderzoek samen met het werkveld heeft opgezet en dat hij ook de verschillende subonderzoekvragen heeft geformuleerd. Volgens [eiser] is het onderzoek multidisciplinair, omdat het gaat om verpleging en verzorging, stedenbouw, stadsvernieuwing, sociologie en ICT.
Hogeschool Zuyd erkent dat het onderzoek innovatief is. Volgens haar is het echter niet multidisciplinair, omdat het geen onderzoek betreft dat door medewerkers uit verschillende wetenschappelijke disciplines wordt gedaan. Ook gaat het om een complexiteit die valt binnen het domein Facility Management.
In de functieomschrijving van hoofddocent staat onder “kernactiviteiten per resultaatgebied” sub 4: ”voert complex, multidisciplinair of gespecialiseerd onderzoek uit, al dan niet t.b.v. een kenniskring”.
Multidisciplinair betekent volgens Van Dale: “betrekking hebbend op een aantal takken van wetenschap” en uit de opsomming van [eiser] blijkt dat het onderzoek Wonen, Zorg en Welzijn op verschillende, door hem beschreven, disciplines betrekking heeft. De voorwaarde dat daarbij tevens samenwerking met andere wetenschappelijke disciplines plaatsvindt en buiten het domein Facility Management is als zodanig niet in de functieomschrijving van hoofddocent terug te vinden en Hogeschool Zuyd heeft dit argument verder ook niet onderbouwd.
Volgens Hogeschool Zuyd is de kenniskring FM Innovation, waarvan [eiser] deel uitmaakt, in 2003 opgericht. Toen is door zes faculteiten ook de lector aangetrokken die deze kenniskring ging aansturen. In de onderhavige zaak gaat het echter om de referteperiode september 2002-september 2004. Indien de lector in 2003 is aangetrokken, kan deze [eiser] in het eerste jaar niet hebben aangestuurd. Verder staat vast dat [eiser] geheel zelfstandig het onderzoek Wonen, Zorg en Welzijn aanstuurt, zoals is weergegeven in de door hem overgelegde pagina 18 van het door de lector en anderen geschreven boek “Verspreiding van kennis”.
3.3 Als derde reden wordt door Hogeschool Zuyd genoemd dat zij de kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing mist, waarom de Commissie stelt dat het lidmaatschap van het managementteam een indeling in de functie van hoofddocent rechtvaardigt.
[eiser] voert dienaangaande aan dat hij in de referteperiode deel uitmaakte van het managementteam, dat tweewekelijks bij elkaar kwam om de algehele gang van zaken te bespreken met de directeur. Het ging om de vaststelling en uitvoering van het beleid van de faculteit en de doelstellingen van het faculteitsjaarplan, nieuwe onderwijsconcepten, duale opleiding, rendementen, formatieomvang, deskundigheidsbevordering en accreditatie, aldus [eiser]. Het managementteam gaf adviezen aan de directeur, die vervolgens de (formele) besluiten nam.
Volgens Hogeschool Zuyd was er in de referteperiode geen managementteam, maar uitsluitend een tweewekelijks overleg tussen de toenmalige faculteitsdirecteur, de coördinator studentenzaken, de coördinator onderwijs ([eiser]), de personeelsadviseur en de beheercommissie. Binnen dit gremium bestond geen bevoegdhedenstructuur. De faculteitsdirecteur was eindverantwoordelijk, aldus Hogeschool Zuyd.
Het managementteam als zodanig komt niet in het organigram voor, maar dat neemt niet weg dat [eiser] gedurende de referteperiode deel uitmaakte van een team, dat tweewekelijks samenkwam met de faculteitsdirecteur. Hogeschool Zuyd heeft niet gezegd wat de inhoud van dat overleg was en evenmin verslagen overgelegd, zodat moet worden aangenomen dat tijdens het overleg de door [eiser] genoemde items onderwerp van gesprek waren, waarover het team advies uitbracht aan de faculteitsdirecteur.
De functieomschrijving van senior hoofddocent zegt bij “kernactiviteiten per resultaatgebied”: adviseert de (faculteits)directeur over de strategische doelen van de masters- en bachelorsopleidingen op de lange termijn. De Commissie heeft de bovengenoemde werkzaamheden van [eiser] aangeduid als kernactiviteit behorend tot het functieprofiel van senior hoofddocent en daarom meer passend bij de functie van hoofddocent dan bij de functie van senior docent. De functieomschrijving gaat niet in op de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en op de eindverantwoordelijkheid, zodat aan de opmerking van Hogeschool Zuyd dienaangaande als niet ter zake doende wordt voorbijgegaan.
4 Hogeschool Zuyd brengt in de onderhavige procedure voor het eerst naar voren dat [eiser] niet functioneerde op Ph.D niveau. Het profiel van hoofddocent verlangt, behalve het publiceren op wetenschappelijk niveau in vakbladen, ook het initiëren, coördineren en ontwikkelen van bijvoorbeeld een volledig nieuw curriculum van een bachelor-/ masteropleiding. [eiser] verrichtte volgens Hogeschool Zuyd slechts enige werkzaamheden behorend bij het profiel van hoofddocent, maar niet voor een zodanig substantieel onderdeel, dat dit de functie in zijn totaliteit een hogere classificatie rechtvaardigt, aldus Hogeschool Zuyd.
Dat het functieprofiel van hoofddocent vraagt om het ontwikkelen van een volledig nieuw curriculum is door [eiser] betwist en kan op grond van de stukken niet worden aangenomen. Het profiel van hoofddocent vermeldt immers onder het resultaatgebied “innovatie”: afgerond deel masters en achter “kernactiviteiten per resultaatgebied” sub 2: initieert, coördineert, ontwikkelt en realiseert de (meerjaren)-innovatie van een volledig nieuw curriculum van een bachelorsopleiding of ( …) een afgerond onderdeel (blok- of themaniveau) van een mastersopleiding. Hiervoor sub 3.1 is al vastgesteld dat [eiser] in de referteperiode een afgerond deel van de masters realiseerde.
Hogeschool Zuyd vindt het functioneren op Ph.D niveau het opmerkelijkste verschil in niveau tussen de seniordocent en de hoofddocent.
Opmerkelijk is dat dit vereiste in de procedure bij de Commissie niet door Hogeschool Zuyd te berde is gebracht: noch het verweerschrift noch het oordeel van de Commissie maakt er melding van. Ook in de brief van Hogeschool Zuyd aan [eiser] van 7 september 2006 wordt het Ph.D niveau niet als argument genoemd om het advies van de Commissie van 15 augustus 2006 niet op te volgen. Het verslag van het latere gesprek van 1 november 2006 van [eiser] met de voorzitter van het College van Bestuur en de faculteitsdirecteur, vermeldt evenmin iets over het vereiste van het functioneren op Ph.D niveau.
Tussen partijen staat vast dat [eiser] niet is gepromoveerd. [eiser] stelt echter dat hij wel degelijk publiceert in vakbladen en dat hij spreker is op nationale en internationale congressen en seminars. Nu Hogeschool Zuyd het functioneren op Ph.D niveau voor het eerst in de onderhavige procedure naar voren brengt, had van haar mogen verwacht dat zij helder en gemotiveerd aangeeft waarom [eiser], ondanks de door hem genoemde publicaties en optredens op seminars en internationale congressen, niet op Ph.D niveau functioneert. Dat heeft Hogeschool Zuyd nagelaten. Een algemene verwijzing naar “andere docenten” zonder specifiek aan te geven wat ieder van deze docenten op het gebied van onderzoek, publicaties en presentaties gedurende de referteperiode heeft gepresteerd volstaat daarvoor niet. Aldus heeft Hogeschool Zuyd haar stelling dat [eiser] niet op Ph.D niveau functioneert en dat indeling in schaal 13 zou leiden tot verschraling van het geambieerde niveau en tot een onwenselijke uitstraling naar de collega’s van [eiser], onvoldoende onderbouwd.
Dat [eiser] op 1 november 2000 is aangenomen in de functie van hogeschooldocent, is niet relevant voor de functie-indeling in september 2004. Het is immers Hogeschool Zuyd zelf die heeft besloten een functieordening aan te brengen en haar functiegebouw daarmee transparant te maken en zij is ook degene die de functieomschrijvingen heeft vastgesteld.
5 Al het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien leidt tot de conclusie dat Hogeschool Zuyd de door haar in de brief van 7 september 2006 genoemde redenen in redelijkheid niet heeft kunnen aanmerken als gewichtige redenen om het advies van de Landelijke Bezwarencommissie van 15 augustus 2006 niet op te volgen.
De vordering van [eiser] zal worden toegewezen als in het dictum weer te geven, met dien verstande dat in de aard van het geschil aanleiding wordt gezien de medegevorderde wettelijke verhoging af te wijzen.
Hogeschool Zuyd zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten.
3 UITSPRAAK
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat Hogeschool Zuyd gehouden is het advies van de Landelijke Bezwarencomissie van 15 augustus 2006 op te volgen en [eiser] met ingang van 1 september 2002 in te delen in de functie van hoofddocent;
veroordeelt Hogeschool Zuyd om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het in verband met de gewijzigde indeling in de functie van hoofddocent achterstallige loon, inclusief de jaarlijkse periodieken en alle daaraan gekoppelde bedragen zoals ondermeer vakantiebijslag en eindejaarsuitkering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt Hogeschool Zuyd in de aan de zijde van [eiser] gerezen proceskosten, tot op heden begroot op in totaal € 790,31 waarin begrepen € 106,00 vastrecht, € 84,31 explootkosten en € 600,00 terzake salaris en noodzakelijke kosten van de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Oosterman-Meulenbeld, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.