Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0004

Datum uitspraak2008-08-22
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7309 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag? Bij moeilijk objectiveerbare aandoeningen, gewijzigde medische benadering, wat als functionele beperking wordt aanvaard.


Uitspraak

06/7309 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 17 november 2006, 04/1378 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 22 augustus 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarna heeft het Uwv nog een aanvullend stuk toegezonden. Namens appellante zijn nog diverse stukken toegezonden. Hierop heeft het Uwv schriftelijk gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts. II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. 1.2. Bij besluit van 19 oktober 2004 (hierna: het besteden besluit) heeft het Uwv het besluit van 19 december 2003 gehandhaafd. Bij dit besluit heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 20 februari 2004 ingetrokken. 1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt is voor werkzaamheden, verbonden aan de geselecteerde functies, waardoor er vanaf het beoordelingsmoment een verlies aan verdienvermogen is van minder dan 15%. 2. De rechtbank is, naar aanleiding van het daartegen door appellante ingestelde beroep, tot het oordeel gekomen dat het Uwv de WAO-uitkering terecht heeft ingetrokken. Omdat het Uwv echter pas nadat beroep was ingesteld voldoende heeft gemotiveerd waarom de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn geacht, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met de bepaling dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen het griffierecht en de proceskosten aan appellante te vergoeden. 3. In hoger beroep heeft appellante, evenals in beroep, aangevoerd dat haar functionele mogelijkheden niet juist zijn vastgesteld en dat zij de in aanmerking komende functies niet (voltijds) kan vervullen. Zij heeft erop gewezen dat zij vanwege haar spierklachten en snelle vermoeibaarheid enkele uren per dag moet rusten. Zij vindt het vreemd dat zij met dezelfde klachten aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt is bevonden en thans geacht wordt fulltime te kunnen werken. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende functionele mogelijkheden voor onjuist te houden. 4.2. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat hierbij rekening is gehouden met de informatie zoals deze is verstrekt door professor dr. M. de Visser, die appellante in 2003 neurologisch heeft onderzocht. Daarbij zijn (uitsluitend) lichte myopatische afwijkingen gevonden waarvoor geen neurologische verklaring aanwezig was. Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit is voorafgegaan is vervolgens aanvaard dat appellante beperkingen ondervindt bij langdurige en zwaardere belasting van de spieren. De Raad stelt voorts vast dat de neuroloog R.J.O. van der Ploeg, die appellante op verzoek van de rechtbank als onafhankelijk deskundige heeft onderzocht, heeft geconcludeerd dat zij niet sterker beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Van der Ploeg heeft in het geheel geen medische argumenten gevonden voor het aanwezig zijn van een verminderde belastbaarheid voor het verrichten van arbeid, noch voor een verminderde duurbelasting. 4.3. Hetgeen de gemachtigde van appellante naar aanleiding van de zogeheten moties Vendrik 1 en Vendrik 2 heeft aangevoerd, geeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. 4.4. Ook de in hoger beroep door de gemachtigde van appellante toegezonden informatie van het Klinisch Ecologisch Allergie Centrum (KEAC) en het door het arbo- en adviesbureau Ardyn aan de gemeente Leeuwarden over appellante uitgebrachte rapport geeft de Raad geen aanleiding om de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden, mede gelet op het daarop gegeven commentaar van de bezwaar-verzekeringsarts. Dit houdt in dat eerstbedoelde informatie geen nieuwe medische feiten of omstandigheden bevat. 4.5. Aan het bestreden besluit ligt voorts ten grondslag dat appellante de functies van arbeidsdeskundige, (dieren)artsenbezoeker en studie- en beroepskeuzeadviseur zou kunnen vervullen. In de beroeps- en de hoger beroepsfase is van de zijde van het Uwv nader toegelicht waarom deze functies voor appellante geschikt zijn te achten. Op grond van het geheel van de voorliggende CBBS-gegevens, bezien in samenhang met verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens, en met het in hoger beroep ingebrachte arbeidskundige rapport waarin nog een enkel aspect nader is toegelicht, is naar het oordeel van de Raad voldoende inzichtelijk en duidelijk geworden dat de aan de intrekking van de uitkering ten grondslag liggende functies geschikt zijn te achten voor appellante. 4.6. Ten slotte overweegt de Raad dat de omstandigheid dat appellante tot 20 februari 2004 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geacht in de zin van de WAO niet kan wegnemen dat de onderhavige beoordeling zorgvuldig en juist is geweest. Daarbij wijst de Raad erop dat de vorige beoordeling in 1998 heeft plaatsgevonden op basis van het toenmalige Schattingsbesluit en functiebestand. Daar komt bij dat bij moeilijk objectiveerbare aandoeningen de medische benadering van de vraag wat als functionele beperking moet worden aanvaard sinds die tijd is gewijzigd. Destijds werd eerder aangenomen dat passief herstel (rust) is aangewezen, terwijl nadien meer accent is komen te liggen op activering en werkhervatting als voorwaarde voor (verder) herstel. Daarbij geldt nog steeds dat de beperkingen, die als objectief vast te stellen gevolg van ziekte en gebreken aanwezig zijn, in acht genomen moeten worden. 5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2008. (get.) D.J. van der Vos. (get.) W.R. de Vries. MH