Jurisprudentie
BD9079
Datum uitspraak2008-07-21
Datum gepubliceerd2008-07-31
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
ZaaknummersBC 07/4741-NIFT + BC 07/4742-NIFT
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-07-31
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
ZaaknummersBC 07/4741-NIFT + BC 07/4742-NIFT
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beroep tegen in bezwaar gehandhaafde heffing over 2006 wegens doorlopende toezichtkosten uit hoofde van de Wet financiële dienstverlening. De rechtbank is van oordeel dat de Minister bij de totstandkoming van de betrokken regelgeving er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat één of meer van de (betrekkelijk kleine) subcategorie aanbieders van beleggingsobjecten onevenredig getroffen zouden worden door de gekozen heffingmaatstaf.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
Reg.nrs.: BC 07/4741-NIFT
BC 07/4742-NIFT
Uitspraak in de gedingen tussen
1. Tellit B.V., te Weesp (hierna ook : Tellit);
2. Eco Capital de Costa Rica SA, te San José, Costa Rica (hierna ook: ECCR),
tezamen ook : eiseressen,
en
Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (hierna: de AFM),
gemachtigden mr. H.J. Sachse en mr. J.S. Roepnarain, advocaten te Amsterdam.
1 Ontstaan en loop van de procedures
Bij twee besluiten van 9 november 2007 heeft de AFM de bezwaren van eiseressen tegen de bij facturen van 8 december 2006 aan ieder van hen in rekening gebrachte heffing over 2006 wegens zogenoemde doorlopende toezichtkosten uit hoofde van de Wet financiële dienstverlening (hierna: Wfd) ongegrond verklaard.
Tegen deze twee besluiten (hierna: de bestreden besluiten) hebben eiseressen bij brieven van 19 december 2007 beroep ingesteld, ieder voorzover de bestreden besluiten aan hen zijn gericht.
De AFM heeft bij brieven van 27 mei 2008 verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting van beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 10 juli 2008. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door [A], directeur van eiseressen. De AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.
2 Overwegingen
2.1 Grondslag van het geschil
Ingevolge artikel 98 van de Wfd kan de toezichthouder de kosten die zijn verbonden aan de uitvoering van het toezicht op de naleving van deze wet volgens bij ministeriële regeling te stellen regels in rekening brengen bij financiële dienstverleners. Tot de kosten behoren tevens de kosten die hij heeft gemaakt ter voorbereiding van de uitvoering van deze wet.
Artikel 2 van de Regeling toezichtkosten Wet financiële dienstverlening (Stcrt. 2005, 250; hierna: de Regeling toezichtkosten) luidt:
“1. De toezichthouder organiseert overleg over:
a. de door de toezichthouder op te stellen begroting;
b. de door de toezichthouder gerealiseerde baten en lasten alsmede inkomsten en uitgaven, en verrichte werkzaamheden;
c. de kosten voor ondernemingen die verband houden met de uitvoering van zijn taak op grond van de wet en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.
2. Het overleg wordt gevoerd door de toezichthouder en een daarvoor in aanmerking komende representatieve vertegenwoordiging van de onder zijn toezicht staande ondernemingen. De toezichthouder kan tevens daarvoor in aanmerking komende cliëntenorganisaties toelaten tot het overleg. Onze Minister wijst ambtenaren aan die namens hem het overleg bijwonen.
3. Het overleg vindt tweemaal per jaar plaats.
4. De toezichthouder maakt het verslag van het overleg binnen een redelijke termijn na het overleg openbaar.”.
Het op 1 juli 2006 ingevoerde artikel 5a van de Regeling toezichtkosten luidt:
“1. De toezichthouder stelt jaarlijks een begroting op van de in het daarop volgende jaar te verwachten baten en lasten, investeringsuitgaven, inkomsten en uitgaven met betrekking tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden die hem zijn opgedragen bij of krachtens de wet. De begroting wordt op een zodanige wijze opgesteld dat de lasten en uitgaven structureel worden gedekt door de baten en inkomsten.
2. De begrotingsposten worden van een toelichting voorzien.
3. Tenzij de werkzaamheden waarop de begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de laatste jaarrekening waarmee de minister heeft ingestemd.
4. De toezichthouder zendt de begroting, vergezeld van een toelichting, voor 1 december van het aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar ter instemming aan de minister.
5. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
6. De toezichthouder doet onverwijld mededeling in de Staatscourant van de begroting waarmee is ingestemd en houdt de begroting gedurende een jaar na instemming op elektronische wijze ter inzage.
7. Indien de minister niet voor 1 januari van het jaar waarop deze betrekking heeft met de begroting heeft ingestemd, kan de toezichthouder, in het belang van een juiste uitvoering van zijn taak, voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die bij de overeenkomstige onderdelen in de begroting van het voorafgaande jaar waren toegestaan.
8. Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet de toezichthouder daarvan onverwijld mededeling aan de minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.”.
Artikel 6 van de Regeling toezichtkosten luidt:
“De toezichthouder brengt jaarlijks een bedrag in rekening aan een financiële dienstverlener ter vergoeding van kosten ter uitvoering van aan hem opgedragen taken of toegekende bevoegdheden, voor zover deze kosten niet reeds op grond van de artikelen 3 tot en met 5 in rekening worden gebracht.”.
Artikel 7 van de Regeling toezichtkosten luidt:
“1. De kosten, bedoeld in artikel 6, worden worden geraamd voor het jaar waarop het in
rekening te brengen bedrag betrekking heeft, met dien verstande dat op die kosten in mindering worden gebracht de kosten die voor dat jaar ten laste komen van de rijksbegroting.
2. De geraamde kosten worden toegerekend aan categorieën van financiële
dienstverleners naar de mate van hun beslag op de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid. Per categorie vindt een nadere toerekening plaats, indien subcategorieën van financiële dienstverleners zijn aangewezen.”.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Regeling toezichtkosten, zoals met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 gewijzigd per 1 juli 2006 (Stcrt. 2006, 137), geldt als maatstaf voor het in rekening te brengen bedrag, bedoeld in artikel 6 voor aanbieders van beleggingsobjecten die vallen onder de overgangsregeling van artikel 102, vijfde lid, van de Wfd: de ingelegde gelden.
Ingevolge artikel 13 van de Regeling toezichtkosten stelt de Minister jaarlijks voor 1 juli, op voorstel van de toezichthouder, per categorie of subcategorie een tarief vast op basis van de maatstaf, bedoeld in artikel 10. De minister kan daarbij bandbreedtes bepalen, en per bandbreedte een tarief vaststellen.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Regeling toezichtkosten bestaat de hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 6, uit een jaarlijks voor 1 juli door de Minister, op voorstel van de toezichthouder, per categorie of subcategorie financiële dienstverleners vast te stellen minimumbedrag, vermeerderd met een bedrag dat wordt gebaseerd op de kosten die per categorie of subcategorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 7, onder aftrek van het totaal van de aan de desbetreffende categorie of subcategorie in rekening te brengen minimumbedragen.
Ingevolge artikel 17 van de Regeling toezichtkosten doet de Minister onverwijld mededeling in de Staatscourant van de tarieven en bedragen.
De toelichting bij de Regeling toezichtkosten bevat onder meer het volgende:
“Marktpartijen betalen op basis van het zogeheten profijtbeginsel volledig de kosten van afzonderlijke toezichthandelingen, zoals de behandeling van vergunningaanvragen, alsmede de kosten van het zogenoemde reguliere toezicht. Het gaat bij het reguliere toezicht om het doorlopende toezicht op de naleving van de wet, zoals bijvoorbeeld reguliere onderzoeken en themaonderzoeken. Aan het begrip ‘kosten’ komt een ruime betekenis toe, ook bijvoorbeeld de kosten van overhead en voorbereidingskosten maken hiervan onderdeel uit. De rijksoverheid bekostigt een deel van de handhavingskosten. (…)
(…)
De reguliere toezichtkosten worden over de onder toezicht staande financiële dienstverleners omgeslagen. Dit omslaan geschiedt in de eerste plaats door de kosten toe te rekenen aan gelijksoortige categorieën van financiële dienstverleners. Uitgangspunt bij de toerekening is dat geen kruissubsidiëring plaatsvindt tussen verschillende categorieën of subcategorieën. De toegerekende kosten worden vervolgens doorberekend aan individuele financiële dienstverleners. De doorberekening geschiedt aan de hand van jaarlijks vast te stellen tarieven, in een aantal gevallen met behulp van heffingsmaatstaven. Het oogmerk is om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de werkelijke toezichtinspanningen, de daarmee gepaard gaande kosten en op het profijt van het toezicht. De afgelopen jaren is veel aandacht geweest voor de beheersing van de toezichtkosten. Deze regeling verankert de daarbij gemaakte afspraken om die beheersing te waarborgen. Zo wordt voorzien in de inrichting van een adviserend panel van marktpartijen inzake de kosten van het toezicht.”.
De door de Minister goedgekeurde begroting van de AFM over 2006 is gepubliceerd op 27 december 2005 (Stcrt. 2005, 251). Achter het toezicht beleggingsobjecten onder lasten van toezicht uit hoofde van nieuwe taken is een bedrag vermeld van € 2.196.000,- en achter het toezicht beleggingsobjecten onder lasten specifieke verrichtingen uit hoofde van nieuwe taken is een bedrag vermeld van € 264.000,-.
Artikel 2, onderdeel l, van de op 20 juni 2006 en op 28 juni 2006 in werking getreden Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht Wet financiële dienstverlening (Stcrt. 2006, 122; hierna: Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht) voorziet in een minimumbedrag van € 20.000,- voor aanbieder van beleggingsobjecten.
In artikel 3 van de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht in verbinding met de daarbij behorende Bijlage I is de verdeelsleutel voor de ingelegde gelden gesteld op
€ 2.050,- per € 450.000,- of een gedeelte daarvan bij de bandbreedte die loopt van € 0,- tot en met € 5 miljoen en is de verdeelsleutel € 1.000,- per € 450.000,- of een gedeelte daarvan bij de bandbreedte die loopt van meer dan € 5 miljoen tot en met € 100 miljoen. De verdeelsleutel is gesteld op € 0,- over het gedeelte van de ingelegde gelden boven € 100 miljoen.
In de toelichting bij de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht is onder meer te lezen:
“Bij de vaststelling van het basistarief is tevens rekening gehouden met de draagkracht van kleine organisaties waarbij de tarieven niet mogen leiden tot een te hoge drempel van toetreding tot de markt. In overleg met de brancheorganisaties (die tegen het te veel ontzien van de kleinere instellingen zijn) is besloten de geplande korting door het stopzetten van de
opbouw van het reservefonds in het variabele tarief te werken. Hiervan profiteren de middelgrote en grote kantoren. In de nu voorgestelde balans is een beter evenwicht aangebracht.
De tarieven per instelling zijn gemaximeerd door het instellen van een grens waarboven geen heffing meer plaatsvindt. De reden hiervoor is dat voor instellingen van grotere omvang er boven deze grens geen extra kosten zijn voor de toezichtinspanning die een
hoger tarief rechtvaardigen. Voor zover mogelijk is de opbouw van de tarieven van de verschillenden categorieën gelijk, waarbij er een evenwicht is tussen de tarieven voor kleinere instellingen, middelgrote en grotere instellingen. Zo is het basisbedrag voor de verschillende categorieën gebaseerd op de raming van de vaste kosten voor het toezicht en administratieve verwerking hiervan.”.
De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
ECCR heeft in 2005 beleggingsobjecten aan Nederlandse ingezetenen aangeboden en verkocht. In verband met de op handen zijnde invoering van de Wfd heeft de directeur van Tellit besloten om specifiek voor Nederland een Nederlandse rechtspersoon te belasten met het aanbieden van beleggingsobjecten hier te lande. Daartoe is medio 2005 het kantoor van Tellit geopend. ECCR bouwde haar lopende activiteiten in Nederland af en tegelijkterijd werden de activiteiten van Tellit opgestart.
Eiseressen hebben in januari 2006 vergunningaanvragen bij de AFM ingediend uit hoofde van de Wfd. Tellit heeft nadien aangegeven de vergunningaanvraag te willen intrekken. Nadat de AFM aanvankelijk het standpunt innam dat dit niet mogelijk was heeft zij Tellit bij brief van 7 juni 2007 bericht dat intrekking van de vergunningaanvraag wel mogelijk is, dat Tellit gelet op de intrekking van de aanvraag nog slechts de afgesloten overeenkomsten mag afwikkelen en dat zij daartoe een plan van aanpak dient op te stellen.
Tellit heeft de AFM in mei 2006 opgave gedaan van het op 31 december 2005 ingelegde vermogen, te weten € 237.240,-. ECCR heeft in mei 2006 eveneens opgave gedaan omtrent het ingelegde vermogen. Zij heeft daarbij aangegeven dat de omzet belegd vermogen over 2005 € 349.620,- bedroeg en dat de omzet belegd vermogen tot en met 2005 € 637.110,- bedroeg.
Bij vier facturen van 8 december 2006 heeft de AFM eiseressen kosten in rekening gebracht wegens eenmalige toezichtkosten die samenhangen met de vergunningaanvraag en wegens doorlopend toezicht. Voor wat betreft de vaststelling van de ingelegde gelden is door de AFM daarbij telkens 31 december 2005 als peildatum gehanteerd, waarbij het aldus gaat om het totale saldo aan ingelegde gelden op 31 december 2005. Voorts is bij de heffing telkens het standaardbedrag van € 20.000,- in rekening gebracht.
Aan Tellit zijn de volgende bedragen in rekening gebracht:
- wegens eenmalige kosten in verband met vergunningaanvraag € 5.440,-;
- wegens doorlopend toezicht over 2006 € 22.050,-.
Aan ECCR zijn de volgende bedragen in rekening gebracht:
- wegens eenmalige kosten in verband met vergunningaanvraag € 3.040,-;
- wegens doorlopend toezicht over 2006 € 24.100,-.
Tegen alle facturen is bij brieven van 15 januari 2007 bezwaar gemaakt.
Met de bestreden besluiten zijn de bij eiseressen in rekening gebrachte bedragen gehandhaafd.
2.2 Standpunten van partijen
In beroep hebben eiseressen de rechtbank verzocht de betwiste facturen te herroepen en/of een schadevergoeding aan eiseressen toe te kennen wegens door hen geleden schade, die zij minimaal begroten op de hoogte van de bij hen in rekening gebrachte eenmalige en doorlopende toezichtkosten, met daarbij opgeteld minimaal een bedrag van € 100.000,- voor elk van hen. Eiseressen hebben daartoe – samengevat – aangevoerd:
- de AFM is met haar informatieverstrekking omtrent vergunningverlening en toezichtskosten, de klachtenafhandeling en de behandelingsduur van de bezwaarschriften tekortgeschoten jegens eiseressen;
- kleine ondernemingen zoals eiseressen worden buitenproportioneel getroffen door de doorlopende toezichtkosten die jaarlijks minimaal € 20.000,- per onderneming bedragen, met als gevolg dat in sommige gevallen alle voor derde belegde gelden opgaan aan toezichtskosten;
- de AFM stelt ten onrechte dat zij niet de bevoegdheid heeft af te wijken van de vastgestelde tarieven;
- de AFM heeft de branche waarin eiseressen werkzaam zijn niet geconsulteerd.
De AFM heeft gesteld dat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd:
- een vergelijking met de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) van 3 april 2008 (LJN: BD1965; JOR 2008/167) inzake Endex kan hier worden gemaakt. Weliswaar vormde in die zaak de heffingsmaatstaf het aantal op de beurs totstandgekomen transacties, maar ook voor ingelegde gelden is van belang dat er drie klassen zijn vastgesteld met een zekere bandbreedte en dat eiseressen in de laagste bandbreedte vallen. De Regeling toezichtkosten is geënt op het per 1 januari 2004 in werking getreden stelsel voor de financiering van het toezicht op de financiële markten en is tot stand gekomen na overleg met de toezichthouders en marktpartijen. De betrokken regelgeving is aldus op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en pakt niet onevenredig uit;
- eiseressen kunnen zich niet beroepen op bij hen opgewekt vertrouwen. Van de zijde van de AFM hebben geen voorafgaande (schriftelijke) contacten plaatsgevonden omtrent de verwachten heffing, nog daargelaten dat de Minister en niet de AFM de tarieven vaststelt, zoals ook in de Endex-uitspraak is geoordeeld. De brochure van de AFM waarop eiseressen zich beroepen kan hen ook niet op het verkeerde been hebben gezet, alleen al niet omdat die brochure dateert van juli 2006, terwijl eiseressen een vergunningaanvraag indiende in januari 2006;
- evenmin is sprake van strijd met de rechtszekerheid. In navolging van hetgeen door het College in de Endex-uitspraak is overwogen levert het feit dat eerst halverwege het jaar de tarieven voor dat jaar worden vastgesteld en bekendgemaakt, zodat ze mede betrekking hebben op een periode voor de vaststelling, zonder bijkomende omstandigheden die maken dat de oplegging van het bedrag voor eiseres onvoorzienbaar was, geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel op. Dergelijke bijzondere omstandigheden doen zich niet voor. De bij eiseressen in rekening gebrachte kosten zijn noch relatief, noch absoluut, zo hoog dat zij daar in redelijkheid in het geheel geen rekening mee had kunnen houden;
- dat de AFM het publiek in algemeen heeft gewaarschuwd voor de risico’s die kleven aan het investeren in beleggingsobjecten, maakt niet dat zij eiseressen voortdurend negatieve publiciteit heeft bezorgd;
- de AFM komt geen beleidsvrijheid toe af te wijken van de bandbreedten en tarieven;
- er was destijds geen representatieve brancheorganisatie van aanbieders van beleggingsobjecten die in het overleg betrokken kon worden;
- eerst in beroep wordt thans schade geclaimd. Die claim vormde geen onderdeel van het bezwaarschrift en dus maakte dus evenmin onderdeel uit van de heroverweging. Gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) valt de schadeclaim derhalve buiten de omvang van het beroep.
2.3 Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de beroepen zich – gelet op de uitdrukkelijke vermelding van de besluitkenmerken in de beroepschriften, de bijgevoegde bestreden besluiten en facturen inzake uitsluitend het doorlopende toezicht en het verhandelde ter zitting – enkel richten tegen de heffingen wegens doorlopend toezicht over 2006.
Voorts kan de wijze waarop de AFM is omgegaan met klachten van eiseressen geen rol spelen bij de beoordeling van de bestreden besluiten. Evenmin kan de enkele stelling dat de AFM niet tijdig op de bezwaren heeft beslist reeds leiden tot een gegrondverklaring van de beroepen. Daarvoor is eerst ruimte indien eiseressen schade hebben geleden door het niet tijdig nemen van de bestreden besluiten. Daarvan is de rechtbank niet gebleken.
Bij Koninklijk Besluit van 11 december 2006 (Stb. 2006, 664) is met ingang van 1 januari 2007 in werking getreden de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en de Invoerings- en aanpassingswet Wft. Met deze laatste wet is de Wfd per diezelfde datum ingetrokken. De invoering van deze wetten heeft, bij gebreke van overgangsrecht met betrekking tot artikel 98 van de Wfd en de daarop gebaseerde Regeling, geen gevolgen voor de onderhavige gedingen die zien op heffingen over het jaar 2006.
Naar vaste jurisprudentie kan de Minister, indien een wet in formele zin hem de mogelijkheid biedt, kosten die zijn gemoeid met toezicht uit hoofde van een financiële toezichtswet krachtens door hem te stellen regels, in rekening brengen bij de ondertoezichtgestelden. De rechtbank heeft eerder overwogen dat de Minister zonder in strijd te komen met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb besloten liggende verbod van willekeur kan kiezen voor verschillende heffingsgrondslagen, zoals een vast tarief of een variabel tarief. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de Regeling toezichtkosten is verder van belang dat – anders dan eiseressen menen – geen nadere individuele afweging door de AFM plaats kan hebben bij de vaststelling van de heffing wegens doorlopend toezicht.
De vraag ligt thans voor of de Minister op een zorgvuldige wijze tot de hier aan de orde zijnde heffingssystematiek is gekomen en, indien dit het geval is, of de gekozen systematiek, mede gelet op de hoogte van de bij eiseressen in rekening gebrachte bedragen, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
De rechtbank stelt vast dat de Regeling toezichtkosten is vastgesteld en bekendgemaakt voor 1 januari 2006. Voorts is de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht, gelet op de artikelen 13, 14 en 17 van de Regeling toezichtkosten, tijdig vastgesteld en op juiste wijze bekendgemaakt.
De grief van eiseressen dat de Regeling toezichtkosten onverbindend is omdat zij ten onrechte niet is geconsulteerd treft geen doel. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar hetgeen zij dienaangaande in haar uitspraak van heden inzake GoodWood c.s. (BC 07/3458-JURG t/m BC 07/3463-JURG) heeft overwogen.
De rechtbank is aldus van oordeel dat de Regeling toezichtkosten en de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht niet op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.
De rechtbank ziet vervolgens aanleiding te bezien of de heffing ter hoogte van het vaste tarief van € 20.000,- plus een variabale heffing van mimimaal € 2.050,- in strijd komen met de beginselen van behoorlijk bestuur.
De gekozen systematiek van variabele heffingen aan de hand van bandbreedten in combinatie met een vast tarief hoeft naar het oordeel van de rechtbank als zodanig niet in strijd te komen met het verbod van willekeur. In het onderhavige geval moet echter worden geoordeeld dat een dergelijk basistarief voor sommige aanbieders van beleggingsobjecten onevenredig zwaar uitpakt. In de gevallen van eiseressen zal, indien zij tezamen worden beschouwd, bij gelijkblijvende heffingen gedurende een volledige looptijd van twintig jaar gelden dat het totaal aan ingelegde gelden min of meer opgaat aan in rekening gebrachte toezichtkosten. De rechtbank acht dit een volstrekt onredelijke uitkomst.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Minister bij de totstandkoming van de betrokken regelgeving er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat één of meer van de (betrekkelijk kleine) subcategorie aanbieders van beleggingsobjecten onevenredig getroffen zouden worden door de gekozen heffingmaatstaf. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van het College van 18 juni 2008 (LJN: BD4852).
Om die reden en gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar hiervoor genoemde uitspraak van heden inzake GoodWood c.s. moet de Regeling toezichtkosten en de Vaststellingsregeling tarieven voor doorlopend toezicht voor deze subcategorie aanbieders wegens onverbindendheid buiten toepassing blijven.
Nu de AFM nieuwe besluiten op bezwaar zal dienen te nemen komt de rechtbank niet toe aan toepassing van artikel 8:73 van de Awb, maar zal de AFM zich alsnog dienen te buigen over de gestelde schade.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.
3 Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep van eiseressen gegrond,
vernietigt de aan hen gerichte bestreden besluiten terzake de doorlopende toezichtskosten,
bepaalt dat de AFM opnieuw op de bezwaren beslist met inachtneming van deze uitspraak,
bepaalt dat de AFM aan ieder van eiseressen het door hen betaalde griffierecht van € 285,-
(totaal derhalve € 570,-) vergoedt.
Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, en door deze en mr. drs. R. Stijnen, griffier, ondertekend.
De griffier: De rechter:
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2008.
Afschrift verzonden op:
Belanghebbende - onder wie in elk geval eiser[v] wordt begrepen - en de AFM kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.