
Jurisprudentie
BD7475
Datum uitspraak2006-01-18
Datum gepubliceerd2008-07-17
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 05/1243
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-07-17
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 05/1243
Statusgepubliceerd
Indicatie
Inkomstenbelasting. Terecht bijtelling voor privé-gebruik van auto toegepast nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de zakenauto niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Registratienummer: AWB 05/1243
Uitspraakdatum: 18 januari 2006
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X],
wonende te [Z], eiser,
en
de inspecteur van de belastingdienst Randmeren / kantoor Lelystad
verweerder,
vertegenwoordigd door: [gemachtigde]
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (aanslagnummer: [00].H11) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.755.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2005 te Arnhem.
Eiser is niet verschenen, verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2. De feiten
Met dagtekening 22 juni 2004 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2001 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van € 12.882.
Eiser heeft hiertegen, bij brief van 19 juni 2004, bezwaar gemaakt.
Met dagtekening 21 juli 2004 heeft verweerder de definitieve aanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2001 vastgesteld, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.755. Het bezwaar van eiser gericht tegen de voorlopige aanslag (H11) is vervolgens door verweerder aangemerkt als bezwaar tegen de definitieve aanslag (H16). Verweerder heeft de definitieve aanslag uitsluitend gebaseerd op de door eiser verstrekte gegevens in zijn aangiftebiljet over het jaar 2001.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder, bij brieven van 29 november 2004 en 14 december 2004, aan eiser nadere informatie gevraagd omtrent de kosten van kinderopvang, erfpacht, en het privé-gebruik van de auto. Eiser heeft hierop niet gereageerd.
Verweerder heeft vervolgens geconstateerd dat eiser het huurwaardeforfait tot een te hoog bedrag heeft aangegeven en heeft dit bedrag gecorrigeerd. Naar aanleiding van deze correctie heeft verweerder bij besluit met dagtekening 2 april 2005 de aanslag verminderd tot een te betalen bedrag van € 9.839.
3. Het geschil
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.
In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder voor het jaar 2001 de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen tot het juiste bedrag heeft vastgesteld.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
4. Beoordeling van het geschil
Op grond van artikel 13 van de Algemene wet rijksbelastingen (verder: Awr) kan verweerder volgens de regels van hoofdstuk 5 van de Uitvoeringsregeling Awr 1964 aan de belastingplichtige een of meer voorlopige aanslagen opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, na verrekening van de voorheffingen, zal worden vastgesteld.
Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte bijtelling bij zijn inkomen heeft doen plaatsvinden vanwege het privè-gebruik van de (zaken) auto. Voorts wenst eiser aftrek van kosten in verband met de eigen woning in verband met de door hem betaalde erfpacht. Daarnaast stelt eiser recht te hebben op aftrek van uitgaven voor kinderopvang en aftrek van advocaatkosten. Ook wenst eiser geen heffingsrente en invorderingsrente te betalen.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van de eerdergenoemde uitvoeringsregeling Awr 1964 de voorlopige aanslag terecht is opgelegd en tot het juiste bedrag verrekend is in de definitieve aanslag.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ten aanzien van het privé-gebruik auto
Op grond van artikel 3.145 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (verder: de Wet) wordt indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking gesteld, het voordeel op jaarbasis op tenminste 25% van de waarde van de auto bepaald. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel op nihil gesteld. De bewijslast hiervoor ligt bij eiser.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht voor het privé-gebruik van de auto een bijtelling bij het inkomen van eiser verricht nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt de zakenauto niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden te hebben gebruikt. De enkele stelling van eiser dat hij ook zelf nog een auto heeft gekocht acht de rechtbank hiervoor een onvoldoende onderbouwing. Dit temeer nu uit de aangifte blijkt dat eiser met zijn werkgever een bedrag heeft verrekend van € 464 voor het privé-gebruik van de zakenauto. Nu eiser geen aanvullende informatie heeft verstrekt is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de bijtelling vanwege het privé-gebruik van de auto heeft gehandhaafd.
Ter zitting heeft verweerder opgemerkt dat de hoge bijtelling vanwege het privé-gebruik van de zakenauto wellicht veroorzaakt is door een mogelijke verschrijving van eiser in zijn aangifte (guldens wellicht verwisseld met euro’s). Nu eiser hierover aan verweerder echter, ondanks een daartoe strekkend verzoek, geen nadere informatie heeft verstrekt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht de aangifte van eiser gevolgd. Overigens merkt de rechtbank op, gezien de uitlatingen van verweerder ter zitting, dat eiser op dit punt alsnog een herziening van zijn aangifte zou kunnen indienen bij verweerder.
Ten aanzien van de kosten van rechten van erfpacht
Op grond van artikel 3.120 lid 1, onderdeel b, van de Wet kunnen periodieke kosten die op grond van rechten van erfpacht verschuldigd zijn, als aftrek van kosten eigen woning in aanmerking worden genomen.
Nu eiser echter niet gereageerd heeft op het, bij brief van 29 november 2004, gedane verzoek van verweerder om hiertoe bewijsstukken in te zenden heeft verweerder terecht besloten de door eiser opgevoerde aftrek niet te verlenen.
Ten aanzien van de kosten voor kinderopvang
Op grond van hetgeen bepaald is in afdeling 3.10 van de Wet is het mogelijk om voor (gedeeltelijke) aftrek van kosten voor kinderopvang in aanmerking te komen. Nu eiser echter ook hiervan na herhaald verzoek, blijkens de brieven van verweerder van 19 november 2004 en 14 december 2004 geen bewijsstukken heeft overgelegd heeft verweerder terecht deze kosten niet in aftrek genomen.
Ten aanzien van de advocaatkosten
Verweerder heeft hiertoe terecht overwogen dat voor vergoeding van deze kosten een wettelijke grondslag in de Wet ontbreekt.
Ten aanzien van de heffingsrente
Op grond van Hoofdstuk VA van de Awr wordt met betrekking tot de Wet heffingsrente berekend ingeval een (voorlopige) aanslag of navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Nu niet gebleken is dat verweerder de aanslag tot een onjuist bedrag heeft vastgesteld heeft verweerder de verschuldigde heffingsrente terecht in rekening gebracht.
Ten aanzien van de invorderingsrente
Nu het in de onderhavige zaak gaat om het beroep van eiser tegen de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen kan hierbij een eventueel beroep tegen de invordering niet aan de orde komen. Overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder de invorderingsrente op onjuiste wijze zou hebben vastgesteld.
Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de voorlopige aanslag terecht is opgelegd en tot het juiste bedrag is verrekend in de definitieve aanslag.
De rechtbank verklaart het beroep derhalve ongegrond.
5. Proceskosten
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter. De beslissing is in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van M.J. Eggink, griffier, op 18 janauri 2006.
De griffier De rechter
Afschrift aangetekend
verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem
; dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.