
Jurisprudentie
BD4445
Datum uitspraak2008-04-28
Datum gepubliceerd2008-06-19
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers143393 / KG ZA 08-125
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-06-19
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers143393 / KG ZA 08-125
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verbod om illegale muziek ten gehore te brengen.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 143393 / KG ZA 08-125
Vonnis in kort geding van 28 april 2008
in de zaak van
1. de vereniging
VERENIGING BUMA,
gevestigd te Hoofddorp,
2. de stichting
STICHTING STEMRA,
gevestigd te Amstelveen,
3. de vereniging
NEDERLANDSE VERENIGING VAN PRODUCENTEN EN IMPORTEURS VAN BEELD- EN GELUIDSDRAGERS,
gevestigd te Hilversum,
eiseressen,
procureur mr. C. Borstlap,
advocaat mr. R.M. Zimmermann te Amsterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen zullen hierna Buma c.s. en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van Buma c.s..
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Buma en Stemra exploiteren ingevolge overeenkomsten met auteurs, auteursrechthebbende muziekuitgeverijen en buitenlandse zusterorganisaties op eigen naam de uitvoerings- en uitzendrechten (Buma) respectievelijk de Mechanische reproductierechten (Stemra) ten aanzien van vrijwel het volledige wereldmuziekrepertoire.
2.2. De Nederlandse Vereniging van Producenten en Importeurs van beeld- en geluidsdragers (hierna te noemen NVPI) coördineert namens haar leden de bestrijding van de ongeautoriseerde exploitatie van NVPI-repertoire. Leden van de NVPI (afdeling audio) zijn fonogrammenproducenten (platenmaatschappijen), die er hun bedrijf van maken om krachtens daartoe met uitvoerende kunstenaars gesloten (exclusieve) overeenkomsten, fonogrammen (geluidsopnamen) van door die uitvoerende kunstenaars gegeven uitvoeringen van muziekwerken te (doen) vervaardigen, zulks om die fonogrammen vervolgens op welke wijze dan ook te reproduceren en openbaar te maken. Ook houden zij zich bezig met het reproduceren van fonogrammen krachtens met andere producenten tot stand gekomen licentie- en/of distributiecontracten.
2.3. Voor het vastleggen van muziekwerken op geluidsdragers bestemd voor het ten gehore brengen van achtergrondmuziek bieden Stemra en NVPI namens haar leden de mogelijkheid om tegen een vergoeding het Stemra- en NVPI-repertoire te gebruiken, in de vorm van een “Overeenkomst Achtergrondmuziek Digitale Elektronische Muziekbestanden”.
2.4. Door [de heer A] (hierna te noemen [de heer A]) werd tussen 1993 en 1998 onder de naam “[bedrijf B]” een onderneming gedreven in achtergrondmuziek ten behoeve van horecagelegenheden. Hij had te dien einde met Stemra en NVPI overeenkomsten gesloten voor het vastleggen van muziekwerken (toen nog op analoge geluidsbanden) bestemd voor het ten gehore brengen van achtergrondmuziek. Deze overeenkomsten zijn in 1998 ontbonden. [de heer A] en/of zijn partner mevrouw [C] (hierna te noemen [mevrouw C]) hebben het gebruik van het Stemra- en NVPI-repertoire sindsdien voortgezet en zijn achtergrondmuziek (en systemen voor het opslaan en afspelen daarvan) blijven leveren aan horecagelegenheden. Zij hebben daarbij mede gehandeld onder de namen [bedrijf C], [bedrijf D], Audio Player B.V. en [Bedrijf E], een mede door Audio Player B.V. opgerichte Belgische onderneming.
2.5. Onder het in dit vonnis hierna gebruikte begrip “muzieksysteem” wordt verstaan een personal computer met op de harde schijf muziekbestanden tezamen met de software nodig voor het gebruik en het afspelen van die muziekbestanden.
2.6. [de heer A] brengt zijn muzieksystemen in de handel onder de namen Multi Media Player Systeem (MMP Systeem) en [bedrijf F] systeem.
2.7. Buma c.s. voeren al jaren een juridische strijd tegen [de heer A] en [mevrouw C]. Bij vonnis van 29 juli 1999 is het [de heer A] en [mevrouw C] door de president van de rechtbank Zutphen in kort geding verboden ongeautoriseerde geluidsdragers te verhandelen, welk vonnis in hoger beroep door het Gerechtshof te Arnhem op 4 juni 2002 is bekrachtigd.
2.8. Bij vonnis van 30 november 2000 is de vordering van [de heer A] om Stemra te veroordelen hem in staat te stellen muziekbestanden te exploiteren door de president van de rechtbank Amsterdam afgewezen, welk vonnis in hoger beroep door het Gerechtshof te Amsterdam op 1 mei 2003 is bekrachtigd.
2.9. Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zutphen van 25 november 1999 is [de heer A] veroordeeld ter zake van:
- het als bedrijf uitoefenen van het opzettelijk inbreuk maken op eens anders auteursrecht, meermalen gepleegd;
- het als bedrijf uitoefenen van het opzettelijk inbreuk maken op de rechten als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de naburige rechten, meermalen gepleegd.
Deze veroordeling is zowel in hoger beroep als in cassatie in stand gebleven.
2.10. Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zutphen van 14 januari 2002 is [de heer A] veroordeeld ter zake van opzettelijk een voorwerp waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat openlijk ter verspreiding aan te bieden en ter verveelvuldiging of ter verspreiding voorhanden hebben.
2.11. Op 10 oktober 2002 is [de heer A] door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Zutphen veroordeeld wegens auteursrechtinbreuk en belastingfraude tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk. [mevrouw C] is daarbij veroordeeld wegens belastingfraude. Van dit vonnis is nu hoger beroep aanhangig.
2.12. Koninklijke Horeca Nederland, de brancheorganisatie voor de horeca, heeft sinds september 2006 op het ledengedeelte van haar website – voor zover hier van belang – de volgende tekst geplaatst:
(…)
Sinds 2000 levert [de heer A], ook bekend onder de naam [bedrijf F], Audioplayer en [bedrijf G], achtergrondmuziek voor horecabedrijven. De heer [de heer A] draagt hiervoor geen vergoeding af aan BUMA/STEMRA. Ondanks rechterlijke veroordelingen en verboden opereert de heer [de heer A] nog steeds op de markt.
Wij raden u aan niet (langer) zaken te doen met de heer [de heer A]. Niet alleen zijn deze activiteiten illegaal en concurrentievervalsend, u kunt uiteindelijk te maken krijgen met inbeslagname van apparatuur in uw bedrijf.
(…)
2.13. [gedaagde] drijft onder de naam “[eetcafé]” een horecagelegenheid in [woonplaats].
2.14. Op 15 mei 2007 is door medewerkers van Buma/Stemra vastgesteld dat in [eetcafé] muziekwerken ten gehore werden gebracht die zijn vastgelegd op een van [de heer A] afkomstig [bedrijf G] muzieksysteem. [de heer A] leverde aan [gedaagde] maandelijks een update met nieuwe muziekwerken.
2.15. Bij brief van 22 mei 2007 hebben Buma c.s. [gedaagde] er (onder meer) op gewezen dat noch [de heer A], noch [mevrouw C], noch de direct dan wel indirect aan hen gelieerde ondernemingen toestemming hebben verkregen van en een vergoeding hebben betaald aan de auteurs- en naburig rechthebbenden voor het vervaardigen en het verhandelen van achtergrondmuziekbestanden behorend tot het Stemra/NVPI-repertoire.
Ook hebben Buma c.s. [gedaagde] erop gewezen dat zowel [de heer A] als [mevrouw C] al jaren inbreuk maken op de door Stemra en de leden van NVPI uitgeoefende auteursrechten respectievelijk naburige rechten en dat zij al diverse malen civielrechtelijk en strafrechtelijk zijn veroordeeld wegens deze inbreuk.
Buma c.s. hebben [gedaagde] gewezen op het illegale karakter van het betreffende muzieksysteem en op het feit dat [gedaagde] door het gebruik van dat muzieksysteem in strijd handelt met artikel 11 van de op de overeenkomst tussen hem en Buma toepasselijke algemene voorwaarden. Buma c.s. hebben [gedaagde] verzocht en gesommeerd dit gebruik te staken, bij gebreke waarvan Buma heeft aangekondigd dat zij de overeenkomst zal ontbinden en met Stemra en NVPI de benodigde rechtsmaatregelen zal nemen om dit gebruik te staken.
2.16. Bij brief van 11 juni 2007 heeft Buma/Stemra – voor zover hier van belang – het volgende aan [eetcafé] bericht:
(…)
Op 22 mei jl. hebben wij u een brief gestuurd waarin wij u verzoeken ons schriftelijk te bevestigen in de toekomst geen muziekwerken behorend tot Stemra/NVPI-repertoire meer ten gehore te brengen die zijn vastgelegd op computerapparatuur of andere muziekdragers afkomstig van de heer [de heer A], [bedrijf F], mevrouw [mevrouw C], [bedrijf G], Audio Player B.V. of [bedrijf E] of andere met [de heer A] en/of [mevrouw C] direct of indirect gelieerde ondernemingen (…) en ons te bevestigen dat u de [de heer A] apparatuur met daarop Stemra/NVPI repertoire aan een van onze medewerkers ter vernietiging zult afstaan, dan wel zult wissen. (…)
U hebt tot op heden niet op deze brief gereageerd.
Buma gunt u thans nog een laatste termijn om uw overeenkomst met Buma na te komen. Als u niet uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief alsnog volledig aan het gevorderde in onze brief van 22 mei jl. voldoet, en zulks binnen 14 dagen schriftelijk aan Buma bevestigt, ontbindt Buma nu reeds voor alsdan uw overeenkomst met Buma buitengerechtelijk wegens wanprestatie per 27 juni a.s. (…) Dit betekent dat als u niet binnen 14 dagen aan het voorgaande voldoet het u per 27 juni a.s. niet meer is toegestaan nog Buma repertoire in uw onderneming ten gehore te brengen.
(…)
2.17. [gedaagde] heeft bij brief van 15 juni 2007 hierop gereageerd en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet gehouden is het gebruik van het van [de heer A] afkomstige muzieksysteem te staken. Tevens heeft hij alle correspondentie met Buma c.s. retour gezonden.
2.18. Op 1 augustus 2007 is door een medewerker van Buma/Stemra wederom vastgesteld dat in [eetcafé] muziekwerken ten gehore werden gebracht met een MMP Audioplayercomputer die afkomstig is van [de heer A] en/of met hem gelieerde ondernemingen en/of [mevrouw C] en/of met haar gelieerde ondernemingen. Het rapport van bevindingen, opgemaakt door [relatiemanager], als relatiemanager in dienst van Buma/Stemra, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
(…)
Op 1 augustus 2007 was ik aanwezig in [eetcafé] aan de [adres] te [woonplaats]. Ik sprak met ondernemer H. [gedaagde]s. Hij vertelde mij de MMP-computer niet te hebben verwijderd omdat hij netjes aan al zijn verplichtingen voldoet. Tevens zei hij “lak” aan Buma/Stemra te hebben. (…)
Met ongeveer 15 aanwezigen stelde ik vast dat in de voor het publiek toegankelijke ruimte van deze onderneming muziekwerken behorende tot het Buma/Stemra/NVPI-repertoire ten gehore werden gebracht.
(…)
Ik heb vastgesteld dat voornoemde muziekwerken ten gehore werden gebracht met een MMP Audioplayer-computer die afkomstig is van [de heer A] en/of met hem gelieerde ondernemingen en/of [mevrouw C] en/of met haar gelieerde ondernemingen.
(…)
2.19. Bij dagvaarding van 27 november 2007 hebben Buma c.s. [gedaagde] in kort geding gedagvaard tegen 6 december 2007 en gevorderd dat [gedaagde] - kort gezegd en onder meer - zou worden verboden nog muziek ten gehore te brengen met gebruikmaking van een illegaal muzieksysteem. Daags voor de zitting heeft [gedaagde] alsnog toegezegd het gebruik van het illegale muzieksysteem te staken en heeft [gedaagde] ter bevestiging daarvan een onthoudingsverklaring ondertekend.
2.20. In de week van 6 december 2007 zijn er tegen andere horecaondernemers wel korte gedingen gevoerd waarin door de rechtbank te Arnhem en door de rechtbank te Zutphen de vorderingen van Buma c.s. steeds zijn toegewezen. Deze horecaondernemers zijn inmiddels allen overgestapt op een legaal muzieksysteem.
2.21. Ook op 8 maart 2008, 14 maart 2008 en 15 april 2008 heeft een medewerker van Buma/Stemra vastgesteld dat [gedaagde] nog steeds een illegaal muzieksysteem in gebruik heeft. Tijdens de controle op 15 april 2008 is vastgesteld dat [gedaagde] inmiddels twee illegale muzieksystemen in gebruik heeft.
3. Het geschil
3.1. Buma c.s. vordert uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] te verbieden muziekwerken ten gehore te brengen zonder de daartoe vereiste voorafgaande toestemming van of vanwege Buma, op straffe van verbeurte door [gedaagde] aan Buma van een direct opeisbare dwangsom van EUR 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) voor iedere dag dat [gedaagde] handelt in strijd met het op te leggen verbod;
2. [gedaagde] te verbieden muziekwerken ten gehore te brengen met gebruikmaking van een illegaal muzieksysteem, op straffe van verbeurte door [gedaagde] aan Buma van een direct opeisbare dwangsom van EUR 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) voor iedere dag dat [gedaagde] handelt in strijd met het op te leggen verbod;
3. [gedaagde] te bevelen alle zich onder hem bevindende illegale muzieksystemen en andere geluidsdragers waarop muziekwerken zijn vastgelegd zonder dat voor die vastlegging de vereiste voorafgaande toestemming van of vanwege Stemra en de leden van NVPI die het aangaat is verkregen, op eerste verzoek van Stemra binnen tien (10) dagen na het verzoek ten kantore van Stemra om niet in eigendom af te staan aan Stemra, dan wel, ter keuze van [gedaagde] de op zulke muzieksystemen en andere geluidsdragers vastgelegde muziekwerken ten overstaan van een door Stemra aan te wijzen medewerker van Stemra ten kantore van Stemra te wissen, een en ander op straffe van verbeurte door [gedaagde] aan Stemra van een direct opeisbare dwangsom van EUR 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) voor iedere dag dat [gedaagde] niet voldoet aan het op te leggen bevel;
4. [gedaagde] te veroordelen in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten van deze procedure, tot aan het moment van dagvaarden begroot op EUR 4.001,00;
5. de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv te bepalen op drie (3) maanden.
Buma c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] door het ten gehore brengen van muziekwerken die zijn vastgelegd op een van [de heer A] afkomstig illegaal muzieksysteem toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn overeenkomst met Buma. Ook handelt [gedaagde] jegens Buma c.s. onrechtmatig. [gedaagde] handelt namelijk in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid die hem jegens Buma c.s. en de door hen vertegenwoordigde rechthebbenden betaamt door het muzieksysteem van [de heer A] te blijven gebruiken terwijl hij is gewezen op het onrechtmatig karakter daarvan. Ook maakt hij zich schuldig aan het misdrijf van gewoonteheling (art. 417 Sr.). Sinds Buma de overeenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk heeft ontbonden, maakt [gedaagde] inbreuk op de door Buma uitgeoefende auteursrechten, waartegen Buma zich op grond van art. 1 jo. 12 van de Auteurswet (hierna te noemen Aw) kan verzetten. Stemra en de NVPI hebben op grond van art. 28 Aw en art. 17 Wet op de naburige rechten (hierna te noemen WNR) recht op afgifte van de van [de heer A] afkomstige illegale muzieksystemen althans op het wissen van de inhoud van deze systemen, welke zijn te beschouwen als roerende zaken die een ongeoorloofde verveelvoudiging vormen van muziekwerken.
Buma c.s. voeren al jaren een juridische strijd tegen [de heer A] en [mevrouw C], die diverse malen civielrechtelijk en strafrechtelijk zijn veroordeeld wegens auteursrechtinbreuk en belastingfraude. In weerwil van deze veroordelingen zetten [de heer A] en [mevrouw C] hun inbreukmakende handelingen tot op heden voort. Buma c.s. zien geen andere mogelijkheden meer tot handhaving van hun rechten jegens [de heer A] en om de markt in achtergrondmuziek weer “schoon” te krijgen, dan via het aanspreken van de afnemers van de illegale muzieksystemen van [de heer A] (voornamelijk horecaondernemers). Zij stellen daarbij een spoedeisend belang te hebben.
3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. In dit geding is in voldoende mate gebleken van het spoedeisend belang van Buma c.s. bij de vordering.
4.2. Tussen partijen staat onweersproken vast dat [gedaagde] op 15 mei 2007, 1 augustus 2007 en 14 maart 2008 in de door hem geëxploiteerde horecagelegenheid, zijnde een voor het publiek toegankelijke ruimte, met behulp van een door Audio Player B.V. geleverde NMP Audioplayer-computer, muziekwerken behorende tot het Buma/Stemra/NVPI-repertoire ten gehore heeft gebracht.
4.3. Voorts staat onweersproken vast dat Audio Player B.V. niet in het bezit is van een licentie-overeenkomst met Stemra of NVPI voor het vastleggen van muziekwerken van het Stemra- en NVPI-repertoire op geluidsdragers bestemd voor het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in voor het publiek toegankelijke ruimten. Daarmee staat vast dat Audio Player B.V. niet gerechtigd is tot de verveelvoudiging van een muziekwerk van het Stemra-/NVPI-repertoire door vastlegging daarvan op geluidsdragers en/of het in verkeer brengen van geluidsdragers waarop dit repertoire is vastgelegd.
Met de levering aan [gedaagde] van het muzieksysteem met daarop ongeautoriseerde achtergrondmuziekbestanden maakt Audio Player B.V. inbreuk op de mechanische reproductierechten van Stemra.
4.4. De voorzieningenrechter is met Buma c.s. van oordeel dat de in geding zijnde van Audio Player B.V. afkomstige computer met harde schijf waarop muziekwerken zijn vastgelegd, die met behulp van software als achtergrondmuziek ten gehore worden gebracht, een illegaal muzieksysteem kan worden genoemd. Voor de vastlegging van die muziekwerken is de op grond van art. 1 jo. 13 jo. art. 14 Aw en art. 2 en 6 WNR vereiste voorafgaande toestemming door of vanwege Stemra en/of de leden van NVPI niet verkregen.
4.5. De voorzieningenrechter is tevens van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde] jegens Buma c.s. doordat [gedaagde] - welbewust - gebruik maakt van het voornoemde illegale muzieksysteem van Audio Player B.V. [gedaagde] is door Buma c.s. op 22 mei en 11 juni 2007 uitdrukkelijk gewezen op het feit dat noch [de heer A], noch [mevrouw C], noch de direct of indirect aan hen gelieerde ondernemingen waaronder Audio Player B.V., over de benodigde licenties van Stemra of NVPI beschikken voor het aan [gedaagde] geleverde muzieksysteem. Daarbij is [gedaagde] ook gewezen op de strafrechtelijke en civielrechtelijke veroordelingen van [de heer A] en [mevrouw C]. Op 5 december 2007 heeft [gedaagde] zelfs een onthoudingsverklaring ondertekend waarin hij verklaart dat hij per 2 januari 2008 het ten gehore brengen van muziekwerken met gebruikmaking van een illegaal muzieksysteem zal staken en gestaakt zal houden en dat hij op eerste verzoek van Stemra alle zich onder hem bevindende illegale muzieksystemen en andere geluidsdragers waarop muziekwerken zijn vastgelegd zonder dat voor die vastlegging de vereiste voorafgaande toestemming van of vanwege Stemra en de leden van NVPI die het aangaat is verkregen, binnen tien dagen na het verzoek ten kantore van Stemra om niet in eigendom af te staan aan Stemra, dan wel, ter keuze van [gedaagde] de op zulke muzieksystemen en andere geluidsdragers vastgelegde muziekwerken ten overstaan van een door Stemra aan te wijzen medewerker van Stemra ten kantore van Stemra te wissen. [gedaagde] heeft ter mondelinge behandeling niet weersproken dat hij – wederom – gebruik maakt van het illegale muzieksysteem dat hem door [de heer A] is geleverd, ondanks de door hem ondertekende onthoudingsverklaring. Door deze onthoudingsverklaring niet na te leven en het gebruik van het illegale muzieksysteem niet te staken, maar daarentegen daarmee juist bewust door te gaan, handelt [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en daarmee onrechtmatig jegens Buma c.s. en de door hen vertegenwoordigde rechthebbenden.
4.6. Het verweer van [gedaagde] dat hij via [de heer A] zijn afdracht aan Buma c.s. betaalt doet hier niet aan af, nu deze betalingen - voor zover [de heer A] al enig door [gedaagde] betaald bedrag aan Buma c.s. zou hebben afgedragen - de onrechtmatigheid van het handelen van [gedaagde] niet wegnemen.
4.7. Op grond van het vorenstaande zijn de vorderingen van Buma c.s. voor toewijzing vatbaar en behoeven de overige door [gedaagde] gevoerde verweren geen bespreking.
4.8. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
4.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De door Buma c.s. gevorderde veroordeling van [gedaagde] in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten van deze procedure, waarbij de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere kosten zijn begroot op EUR 4.001,00, zoals door Buma c.s. gespecificeerd in de door hen overgelegde productie 24, zal op grond van art. 1019h Rv. worden toegewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt deze procedure onder het bereik van art. 1019h Rv. omdat, zoals hierboven reeds is overwogen, [gedaagde] handelt in strijd met de door Buma c.s. uitgeoefende auteursrechten. De kosten aan de zijde van Buma c.s. worden begroot op:
- dagvaarding EUR 85,45
- vast recht 254,00
- salaris procureur 4.001,00
Totaal EUR 4.340,45
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. verbiedt [gedaagde] muziekwerken ten gehore te brengen zonder de daartoe vereiste voorafgaande toestemming van of vanwege Buma,
5.2. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij na betekening van dit vonnis het verbod onder 5.1. overtreedt aan Buma een dwangsom verbeurt van EUR 2.500,00, tot een maximum van EUR 50.000,00,
5.3. verbiedt [gedaagde] muziekwerken ten gehore te brengen met gebruikmaking van een illegaal muzieksysteem,
5.4. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij na betekening van dit vonnis het verbod onder 5.3. overtreedt aan Buma een dwangsom verbeurt van EUR 2.500,00, tot een maximum van EUR 50.000,00,
5.5. veroordeelt [gedaagde] alle zich onder hem bevindende illegale muzieksystemen en andere geluidsdragers waarop muziekwerken zijn vastgelegd zonder dat voor die vastlegging de vereiste voorafgaande toestemming van of vanwege Stemra en de leden van NVPI die het aangaat is verkregen, op eerste verzoek van Stemra binnen tien (10) dagen na het verzoek ten kantore van Stemra om niet in eigendom af te staan aan Stemra, dan wel, ter keuze van [gedaagde] de op zulke muzieksystemen en andere geluidsdragers vastgelegde muziekwerken ten overstaan van een door Stemra aan te wijzen medewerker van Stemra ten kantore van Stemra te wissen,
5.6. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan de veroordeling onder 5.5. te voldoen, aan Stemra een dwangsom verbeurt van EUR 2.500,00, tot een maximum van EUR 50.000,00,
5.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Buma c.s. tot op heden begroot op EUR 4.340,45,
5.8. bepaalt de termijn als bedoeld in art. 1019i Rv. waarop de bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt op drie (3) maanden,
5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.10. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2008.