Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC9907

Datum uitspraak2008-03-27
Datum gepubliceerd2008-04-22
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3366 MAW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Raad niet bevoegd kennis te nemen van hoger beroep. Geen militair ambtenaar, ambtenaar of dienstplichtige.


Uitspraak

07/3366 MAW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2007, 06/10052 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: minister) Datum uitspraak: 27 maart 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens de minister is een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen. De minister heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. De grootvader van appellant was tot 25 juli 1950 in dienst bij het Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger (voordien Koninklijk Nederlands Indisch Leger, hierna: KNIL). Het KNIL is met ingang van 26 juli 1950 opgeheven. 1.2. Bij brief van 29 augustus 2006 heeft appellant bij de minister een aanvraag ingediend om toekenning van de aanspraken op de sociale voorzieningen voor het militair personeel van het KNIL, zoals die op 26 december 1949 en 24 juli 1950 golden. 1.3. Appellant heeft op 9 november 2006 bezwaar gemaakt tegen de in de brief van 29 september 2006 neergelegde mededeling van de minister dat hij geen besluit kan nemen op het verzoek van appellant. 1.4. Bij besluit van 15 november 2006 heeft de minister het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de militaire ambtenarenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna ook: rechtbank). 1.5. De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de grootvader van appellant niet is te beschouwen als een (gewezen) militair in de zin van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (hierna: MAW). Dit houdt in dat artikel 4 van de MAW niet van toepassing is en dat appellant, in zijn hoedanigheid van nagelaten betrekking van een gewezen KNIL-militair, geen rechtsingang heeft bij de met rechtspraak op grond van de MAW belaste rechtbank ’s-Gravenhage. De rechtbank heeft voorts gelast een afschrift van het beroepschrift en de overige gedingstukken ter behandeling door te zenden naar de wel bevoegde rechtbank Breda. 2. Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen. Naar zijn mening heeft de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd verklaard en heeft hij wel rechtsingang bij de rechtbank ’s-Gravenhage. 3. De Raad overweegt het volgende. 3.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Raad. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Raad hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6. van de Awb inzake: a. een besluit of een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet (hierna: AW) als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden, belanghebbende zijn, en b. een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort. Ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de AW is degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AW zijn, tenzij het tegendeel blijkt, onder ambtenaren tevens gewezen ambtenaren begrepen. 3.2. In zijn uitspraak van 8 juni 2006, LJN AX8683 en TAR 2007, 2, waarbij appellant ook partij was, heeft de Raad uitgesproken dat de grootvader van appellant ten tijde in geding geen militair ambtenaar was in de zin van de MAW, zoals deze luidde ten tijde van belang, en dat hij geen toegang kan krijgen tot de met rechtspraak op grond van artikel 4 van de MAW belaste rechtbank ’s-Gravenhage. 3.3. Hetgeen thans door appellant is aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding zijn in voornoemde uitspraak neergelegde standpunt, welk standpunt ook is ingenomen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 16 juli 2007, LJN BA9911, te wijzigen. 3.4. Het bestreden besluit heeft evenmin betrekking op aanspraken van een ambtenaar dan wel gewezen ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste, respectievelijk vierde lid, van de AW, noch op een nagelaten betrekking of rechtverkrijgende in de zin van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Beroepswet. De Raad merkt hierbij op dat de ABRS in zijn uitspraak van 13 februari 2002, LJN AL2398 en JB 2002/94, reeds in gelijke zin oordeelde. 3.5. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet, komt de Raad tot de conclusie dat de Raad niet bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep van appellant. Aangezien appellant ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard geen prijs te stellen op doorzending van zijn hogerberoepschrift aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zal de Raad hiertoe niet overgaan. 4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.W.J. Hospel. HD