Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0618

Datum uitspraak2007-07-25
Datum gepubliceerd2008-03-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/1811 VPB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Onduidelijkheid strekking compromis maakt de termijnoverschijding bij het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar, de rechtbank voorziet niet zelf in de zaak maar wijst deze terug naar verweerder.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 07/1811 VPB Uitspraakdatum: 25 juli 2007 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X.] B.V., gevestigd te [Z.], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [P.], verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 23 januari 2007 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2002 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 497.028. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2007. Daar zijn verschenen namens eiseres [gemachtigden]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigden]. 1. Beslissing De rechtbank: -verklaart het beroep gegrond; -vernietigt het bestreden besluit; -draagt verweerder op om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak van de rechtbank; -veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 654, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen; -gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt. 2. Gronden 2.1. R.D. [ X.], de zoon van J.A. [ X.], is directeur en enig aandeelhouder van eiseres. Eiseres heeft 100% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X.] B.V. J.A. [X. ] is directeur van [X.] BV. Het dagelijks bestuur over eiseres was in 2002 in handen van J.A. [X.], R.D. [X.] (hierna: de zoon) en G.[X.-Y], zijn moeder. Eiseres en [X.] BV vormen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. 2.2. In 2002 is door [X.] BV als lening een bedrag van € 110.000 verstrekt aan J.H. [X.], de dochter (hierna: de dochter) van J.A. [X.] (hierna: de vader). In datzelfde jaar is de dochter gearresteerd en veroordeeld wegens oplichting. Vervolgens is de dochter failliet verklaard. Dit faillissement is in 2004 wegens gebrek aan baten opgeheven. Eiseres heeft de vordering op de dochter in eerste instantie afgewaardeerd en ten laste van het resultaat gebracht. 2.3. In 2004 is bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld. Blijkens het (concept)rapport van 14 september 2005 (hierna: het rapport) was de reikwijdte van het onderzoek als volgt: “Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften: - Inkomstenbelasting en Premie volksverzekeringen 1999 tot en met 2003 - Vennootschapsbelasting 1999 tot en met 2003 - Omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 - Loonbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 - Belasting van Personenauto’s en motorrijwielen over het tijdvak 1999 tot en met 2003' 2.4. Met betrekking tot de voornoemde lening aan de dochter is in het rapport onder de kopjes Fiscale balans, Vennootschapsbelasting en Slotopmerkingen - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen: '2 Fiscale balans 2.1.Immateriële vaste activa (...) Tijdens de slotbespreking is afgesproken dat het afgeboekte bedrag niet ten laste van het fiscale resultaat van de vennootschap zal komen. Verder is afgesproken dat het genoemde bedrag, per 31 december 2002, gedebiteerd zal worden in de rekening-courant met de heerJ.A. [X.] en de heer R.D. [X.] voor ieder € 55.000. De volgende afspraken zijn hierbij gemaakt: Ø De correctie in de rekening-courant verhouding met de heren [X.] zal met ingang van 1 januari 2003 rentedragend worden. Ø Over het jaar 2003 zal een herziene aangifte vennootschapsbelasting worden ingediend waarin de correcties zullen zijn verwerkt. (...) 4 Vennootschapsbelasting 4.1. Fiscale winst 4.1.1 Afboeking lening mevrouw J.H. [X.] (...) Na uitwisseling van de onderlinge standpunten is overeengekomen dat de afboeking van de lening aan mevrouw J.H. [X.] niet ten laste van het fiscale resultaat dient te komen. De afboeking zal derhalve gecorrigeerd worden. 9 Slotopmerkingen (...) Met betrekking tot de lening aan mevrouw J.H. [X.] heeft er op 30 mei 2005 een aparte slotbespreking plaatsgevonden tussen de heer [A. van Accountantskantoor A.] en de Belastingdienst [namen medewerkers]. Een afschrift van het rapport zal, ter beoordeling van de heffing van successie, worden toegezonden aan Belastingdienst. (...) 2.5. Eiseres heeft vervolgens overeenkomstig de onder 2.4. genoemde afspraken met de belastingdienst een herziene aangifte vennootschapsbelasting 2002 ingediend. Met dagtekening 12 november 2005 is aan eiseres conform die aangifte de onderhavige aanslag vennootschapsbelasting 2002 opgelegd. 2.6. Eiseres heeft in januari 2006 vernomen dat de belastingdienst voornemens was om ter zake van de lening aan de dochter nog een aanslag in het schenkingsrecht wilde opleggen. Naar aanleiding daarvan heeft zij bij brief van 3 februari 2006 tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2002 alsnog bezwaar gemaakt. Bij zijn uitspraak van 23 januari 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. 2.7. In geschil is of de termijnoverschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. 2.8. Partijen zijn beiden van mening dat zij een compromis hebben gesloten omtrent de afhandeling van de aangifte vennootschapsbelasting. Zij verschillen echter van mening over de vraag of in dat compromis tevens de afhandeling van het schenkingsrecht aangaande de voornoemde lening van € 110.000 is begrepen, en wel in die zin of er ter zake van die lening een aanslag schenkingsrecht kan worden opgelegd. Verweerder meent dat het compromis niet tevens de afhandeling van het schenkingsrecht omvat, terwijl eiseres meent dat dit wel het geval is. 2.9. Eiseres stelt - samengevat - dat zij pas geruime tijd nadat de aanslag vennootschapsbelasting 2002 overeenkomstig het compromis is opgelegd tot de ontdekking kwam dat verweerder ter zake van de lening aan de dochter nog een aanslag in het schenkingsrecht wilde opleggen waarvoor de vader en de zoon vervolgens naar alle waarschijnlijkheid aansprakelijk gesteld zullen worden, dat het compromis tevens de afhandeling van het schenkingsrecht omvat, dat zij zulks gelet op de wijze waarop het compromis tot stand is gekomen ook heeft mogen menen, dat zij het compromis niet zou hebben gesloten als dit niet tevens het schenkingsrecht omvatte, dat zij zo spoedig mogelijk nadat zij vernam van verweerders voornemen om een aanslag in het schenkingsrecht aan de dochter op te leggen alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2002. Eiseres stelt zich op het standpunt dat gelet op al deze omstandigheden de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. 2.10. Verweerder stelt - kort gezegd - dat het compromis niet tevens de afhandeling van het schenkingsrecht omvat, dat dit ook kan worden afgeleid uit het rapport, dat eiseres zulks redelijkerwijs ook niet heeft mogen menen, dat het compromis bindend is voor de vennootschapsbelasting en dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat nog geen aanslag schenkingsrecht is opgelegd. 2.11. De rechtbank overweegt dat eiseres, wat er ook zij van de inhoud van het tussen partijen tot stand gekomen compromis, in de opgelegde aanslag vennootschapsbelasting de uitkomst van het compromis zoals zij stelt dat te hebben gesloten terugvond, zodat zij tegen die aanslag geen bezwaar hoefde te maken. Alle omstandigheden overziende, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet kan worden verweten dat bij haar onduidelijkheid bestond over de reikwijdte van het gesloten compromis. De rechtbank neemt daarbij onder meer in aanmerking dat eiseres in haar faxbericht van 27 juli 2004 en brief van 30 september 2004 aan [werknemer] die namens de belastingdienst aanwezig is geweest bij de slotbespreking met betrekking tot de lening aan de dochter, nadrukkelijk de heffing van schenkingsrecht bij de dochter dan wel (via een eventuele aansprakelijkheidstelling) bij de vader en de zoon heeft betwist. Nu eiseres tot het moment dat zij vernam dat de belastingdienst een aanslag in het schenkingsrecht wilde gaan opleggen niet gebleken was dat verweerder het compromis anders interpreteerde dan zijzelf, kan haar niet worden verweten dat zij niet eerder tegen de aan haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2002 is opgekomen. De rechtbank hecht daarbij ook waarde aan het feit dat verweerder, die heeft gesteld dat een mondelinge afspraak met eiseres ook een partijen bindende vaststellingsovereenkomst is, het compromis anders heeft vastgelegd dan is beschreven in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 december 1997, 'Kaders voor vaststellings-overeenkomsten', nr. AFZ 97/2412U, V-N 1997/4702. Nu eiseres, zoals uit de gedingstukken ook blijkt, binnen een redelijke termijn nadat zij van het voornemen van verweerder vernam om een aanslag in het schenkingsrecht aan de dochter op te leggen bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige aanslag, is de termijnoverschrijding naar het oordeel van de rechtbank verschoonbaar. Het bezwaar is bij de bestreden uitspraak derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 2.12. In zijn arrest van 9 juni 2006, nr. 41 130, BNB 2006/290 *, heeft de Hoge Raad onder rechtsoverweging 3.2. het volgende overwogen: 'Indien de inspecteur de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, dient de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, lid 4, Awb de inspecteur op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet.' 2.13. De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval geen vorenbedoelde goede grond om van terugwijzing naar verweerder af te zien. Daarbij heeft de rechtbank onder meer gelet op het feit dat eiseres nadrukkelijk heeft verzocht om terugwijzing van de zaak naar verweerder en dat zij zich in de beroepsfase in beginsel ook met name heeft gericht op de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar. Voorts kan, gelet op de onduidelijkheid van de reikwijdte van het compromis, naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat eiseres zou worden benadeeld indien de rechtbank zelf in de zaak zou voorzien. De rechtbank heeft derhalve aanleiding gevonden om na de vernietiging van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar de zaak terug te wijzen naar verweerder om opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen. De rechtbank overweegt ten slotte dat in de onderhavige problematiek van doorslaggevend belang is of de belastingdienst bevoegd is om ter zake van de lening aan de dochter nog een aanslag in het schenkingsrecht op te leggen, en dat daarom de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst het beste in dat kader kan worden getoetst. 2.14. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard. 2.15. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor de overige proceskosten, te weten reis- en verblijfskosten wordt verweerder, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 10. Hierbij overweegt de rechtbank nog dat gelet op het bepaalde van artikel 8:75 en artikel 7:15 van de Awb, de kosten van bezwaar slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien in de bezwaarfase om een dergelijke vergoeding is verzocht. Nu uit de gedingstukken niet blijkt dat eiseres een dergelijk verzoek heeft gedaan voordat verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan en daarvan ook anderszins niet is gebleken, komt eiseres niet in aanmerking voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. Deze uitspraak is gedaan op 25 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.F. Slijpen, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.