
Jurisprudentie
BC0613
Datum uitspraak2007-07-25
Datum gepubliceerd2008-02-08
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/8363 IB/PVV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-02-08
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/8363 IB/PVV
Statusgepubliceerd
Indicatie
In privé betaalde hypotheekrente voor bedrijfspand niet aftrekbaar als negatieve inkomsten uit terbeschikkingstellingsregeling, economische eigendom kan niet worden aangemerkt als een genotsrecht als bedoeld in art. 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten derde, Wet IB 2001, voorbehouden juridische eigendom wordt niet ter beschikking gesteld.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht,
Enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/8363 IB/PVV
Uitspraakdatum: 25 juli 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Y],
eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Haaglanden,
kantoor [P.],
verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 21 augustus 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.788 (aanslagnummer [nummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2007.
Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Eiser is 100% aandeelhouder en directeur van [A.] B.V. (hierna: de BV). De BV is de economische eigenaar van het bedrijfspand aan de [a-straat] 6, [P.] (hierna: het pand). Eiser is de juridische eigenaar van dat pand en heeft ter financiering daarvan een hypothecaire lening afgesloten. Eiser heeft voor het jaar 2002 aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen gedaan naar het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.515. Hij heeft hierbij rekening houdend met de betaalde hypotheekrente ter zake van het pand ten bedrage van € 12.273. Die rente heeft eiser in mindering gebracht op zijn belastbaar inkomen als negatieve inkomsten uit ter beschikkinggesteld vermogen.
2.2. Aan eiser is met dagtekening 15 september 2004 een aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor het jaar 2002 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.788. Bij de vaststelling van die aanslag heeft verweerder, naar aanleiding van het in augustus 2004 ingestelde deelonderzoek bij de BV, de aftrek van de betaalde hypotheekrente gecorrigeerd.
2.3. Na tegen die aanslag ingediend bezwaar heeft verweerder bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.
2.4. Voor de rechtbank is in geschil of de betaalde hypotheekrente op grond van artikel 3.92 lid 2, onderdeel a, ten derde, van de Wet IB 2001 aftrekbaar is in box 1 als negatieve inkomsten uit terbeschikkingstellingsregeling. Indien de betaalde hypotheekrente niet aftrekbaar is op grond van dat artikel, houdt de partijen verdeeld of de hypotheekrente alsnog in box 1 als negatieve inkomsten uit terbeschikkingstellingsregeling in aftrek kan worden gebracht op grond van het vertrouwensbeginsel.
2.5. Eiser stelt dat de betaalde hypotheekrente op grond van artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten derde, van de Wet IB 2001 aftrekbaar is in box 1 als negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen. Naar lezing van de rechtbank voert eiser vervolgens aan dat in het geval dat de betaalde rente niet onder deze regeling valt de aanslag desondanks verminderd dient te worden, omdat bij eiser door verweerder in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de betaalde hypotheekrente in box 1 aftrekbaar was.
2.6. Verweerder bepleit dat de betaalde hypotheekrente niet onder de toepassing van de terbeschikkingsstellingsregeling valt en wijst ook eisers beroep op het vertrouwensbeginsel af.
2.7. Met betrekking tot de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente onder de terbeschikkingstellingsregeling overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, ten derde, van de Wet IB 2001 wordt met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen gelijkgesteld het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat aan de vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft ter beschikking wordt gesteld.
2.8. De rechtbank is van oordeel dat de economische eigendom niet kan worden aangemerkt als een genotsrecht als in vorenbedoelde zin en dat het voormelde artikel niet ziet op een situatie als de onderhavige. Eiser heeft slechts de juridische eigendom van het pand. Hij heeft zichzelf dit recht uitdrukkelijk voorbehouden bij de overdacht van de economische eigendom. Naar het oordeel van de rechtbank is ervan geen sprake dat eiser de juridische eigendom op enige wijze ter beschikking heeft gesteld van de BV. Dat ter zake van de juridische eigendom wel sprake zou zijn van enige vorm van terbeschikkingstelling, vindt geen steun in de gedingstukken en is ook anderszins niet gebleken of aannemelijk geworden. De betaalde hypotheekrente kan derhalve op grond van de wettelijke bepalingen niet in mindering worden gebracht op het belastbaar inkomen in box 1 als negatief resultaat uit inkomsten ter beschikking gesteld vermogen.
2.9. Met betrekking tot het beroep van eiseres op gewekt vertrouwen overweegt de rechtbank dat de in het kader van het verzoek om voorlopige teruggaaf met verweerder gevoerde correspondentie en het telefonisch onderhoud met een administratief medewerker van verweerder onvoldoende zijn voor het oordeel dat verweerder een uitdrukkelijk standpunt met betrekking tot aftrek van de betaalde hypotheekrente in het kader van de terbeschikkingstellingsregeling heeft ingenomen waaraan eiser zijn vertrouwen zou kunnen ontlenen. Uit de door partijen overgelegde correspondentie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat verweerder de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente in het kader van de terbeschikkingstellingsregeling inhoudelijk heeft beoordeeld. Uit die correspondentie blijkt veeleer dat verweerder slechts de door eiser voorgestelde wijziging van de reeds verleende teruggaaf heeft uitgevoerd. De rechtbank acht aannemelijk dat dit niet meer dan een administratieve handeling is geweest zonder nadere beoordeling of onderzoek.
2.10. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in verband met de vaststelling van de voorlopige teruggaaf 2001 telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van verweerder, waarbij een standpunt met betrekking tot de aftrekbaarheid van de rente is ingenomen. Met betrekking tot het contact in verband met de voorlopige teruggaaf 2002 overweegt de rechtbank dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat de betreffende medewerker van de belastingdienst slechts bevoegd was algemene mededelingen omtrent de vaststelling van de voorlopige teruggaaf te doen en niet beschikte over inhoudelijke kennis van de terbeschikkingstellingsregeling. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat deze medewerker toezeggingen heeft gedaan omtrent de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente in het kader van de terbeschikkingstellingsregeling.
2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Bandell-Hauptová, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier.
Afschrift aangetekend
verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.