Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0604

Datum uitspraak2007-11-26
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersTBS 2007\287
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uit het verlengingsadvies van Forensisch Psychiatrisch Instituut De Rooyse Wissel volgt dat er naar het oordeel van de kliniek bij betrokkene een groot maatschappelijk risico bestaat op recidive en dat de vooruitgang in de behandeling marginaal is. Op grond van dit bestaande delictgevaar zou een verlenging van de maatregel van de terbeschikkingstelling op zich mogelijk zijn. Het hof heeft in zijn beslissing van 23 januari 2007 ten aanzien van de vorige vordering verlenging van de terbeschikkingstelling echter als volgt overwogen: Gelet op de grootte van het recidivegevaar en op de omstandigheid dat nog geen begin is gemaakt met een resocialisatietraject zodat betrokkene geen verloven heeft gehad, acht het hof aan de ene kant verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk. Aan de andere kant is het hof van oordeel dat na verloop van één jaar een situatie zal zijn bereikt waarin – gelet op de proportionaliteit en het gebrek aan behandelingsvooruitzicht - verdere verlenging van de maatregel in beginsel bij ongewijzigde omstandigheden niet meer zal kunnen plaatsvinden. Dat betekent dat de maatregel van terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar zal worden verlengd. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden niet gewijzigd zijn. In de beoordeling van het delictgevaar door de kliniek is geen wijziging gekomen. De incidenten die zich sinds de beslissing van 23 januari 2007 in de kliniek hebben voorgedaan zijn niet van een zodanige aard en een zodanig gewicht dat het hof thans tot een andere beoordeling zou moeten komen. De kliniek heeft geen nieuwe behandelingspogingen noch resocialisatiepogingen gedaan. Aan de andere kant staat de kliniek kennelijk niet op het standpunt dat betrokkene in aanmerking zou komen voor plaatsing op een longstay-afdeling. De omstandigheid dat betrokkene na invrijheidstelling mogelijk niet in een gespecialiseerde inrichting binnen de GGZ kan worden ondergebracht waarin hij kan worden opgevangen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Gelet op de proportionaliteit en het gebrek aan behandelingsmogelijkheden van betrokkene is het hof daarom van oordeel dat verdere verlenging van de maatregel niet meer kan plaatsvinden. Het hof merkt hierbij nog het volgende op. Het hof heeft er kennis van genomen dat door de rechtbank Maastricht op 19 november 2007 een voorlopige machtiging in het kader van de Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen is afgegeven om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van maximaal zes maanden. Het hof heeft eveneens kennisgenomen van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen.


Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM TBS 200787 Beslissing d.d. 26 november 2007 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [terbeschikkinggestelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], verblijvende in [verblijfplaats]. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 3 september 2007, houdende de afwijzing van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Overwegingen: Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht zal doen mede op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundige heeft verklaard ter terechtzitting. Het hof overweegt het volgende. Uit het verlengingsadvies van [de inrichting] volgt dat er naar het oordeel van de kliniek bij betrokkene een groot maatschappelijk risico bestaat op recidive en dat de vooruitgang in de behandeling marginaal is. Op grond van dit bestaande delictgevaar zou een verlenging van de maatregel van de terbeschikkingstelling op zich mogelijk zijn. Het hof heeft in zijn beslissing van 23 januari 2007 ten aanzien van de vorige vordering verlenging van de terbeschikkingstelling echter als volgt overwogen: “Thans is gebleken dat betrokkene pas eind oktober 2006 is aangemeld voor de Piet Roorda Kliniek; een intakegesprek met betrokkene heeft in dat kader niet plaats gevonden. Naar mededeling van de getuige-deskundige Koolen volgde op 22 december 2006 een afwijzingsbrief. Van enige andere inspanning op dit punt vanuit de kliniek is niet gebleken. Het gebrek aan voortvarendheid van de kliniek houdt kennelijk verband met de opvatting, zoals deze naar voren komt in de verklaring ter terechtzitting van het hof van de getuige-deskundige Koolen, dat een opname van betrokkene in een verslavingskliniek niet mogelijk is, omdat aan hem niet de daarvoor noodzakelijke bewegingsvrijheid kan worden gegeven, terwijl verlofmogelijkheden niet aan de orde zijn vanwege zijn stemmingswisselingen en het risico dat betrokkene recidiveert. Hiermee ontbreekt praktisch gesproken elk perspectief op behandeling van de verslavingsproblematiek en uiteindelijk ook op beëindiging van de terbeschikkingstelling. Het hof is van oordeel dat, bij een afweging tussen de belangen van de terbeschikkinggestelde en de belangen van de maatschappij, het belang van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder dient te wegen naar mate de maatregel van terbeschikkingstelling langer duurt. De terbeschikkingstelling van betrokkene is ingegaan op 3 augustus 1997 en loopt dus thans meer dan negen jaren. Bij de beoordeling van de proportionaliteit neemt het hof voorts in aanmerking dat de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken. Het betreft een feit dat van minder ernstige aard is dan andere delicten waarbij terbeschikkingstelling pleegt te worden opgelegd. Uit het verlengingsadvies volgt dat bij betrokkene onder andere sprake is van afhankelijkheid van verschillende middelen en een persoonlijkheidsstoornis met borderline, antisociale en narcistische kenmerken. Het recidivegevaar wordt op korte en middellange termijn hoog ingeschat. Het is van belang dat betrokkene meer controle krijgt over zijn spanningen en daarmee controle op zijn agressie krijgt. De psychomotore therapie en de psychotherapie dienen hiervoor nog te worden gecontinueerd. Het bovenstaande in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat. Gelet op de grootte van het recidivegevaar en op de omstandigheid dat nog geen begin is gemaakt met een resocialisatietraject zodat betrokkene geen verloven heeft gehad, acht het hof aan de ene kant verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk. Aan de andere kant is het hof van oordeel dat na verloop van één jaar een situatie zal zijn bereikt waarin – gelet op de proportionaliteit en het gebrek aan behandelingsvooruitzicht - verdere verlenging van de maatregel in beginsel bij ongewijzigde omstandigheden niet meer zal kunnen plaatsvinden. Dat betekent dat de maatregel van terbeschikkingstelling voor de duur van één jaar zal worden verlengd. Met het oog hierop is het van groot belang dat de kliniek de thans beschikbare tijd ten volle en met voortvarendheid benut om een traject voor betrokkene te realiseren, waarin toegewerkt wordt naar de beëindiging van de maatregel. Het hof denkt hierbij met name ook aan verwijzing van betrokkene naar de polikliniek bij een Forensisch Psychiatrische Kliniek voor nazorg en de noodzakelijke ambulante voorzieningen. “ Het hof is van oordeel dat de omstandigheden niet gewijzigd zijn. In de beoordeling van het delictgevaar door de kliniek is geen wijziging gekomen. De incidenten die zich sinds de beslissing van 23 januari 2007 in de kliniek hebben voorgedaan zijn niet van een zodanige aard en een zodanig gewicht dat het hof thans tot een andere beoordeling zou moeten komen. De kliniek heeft geen nieuwe behandelingspogingen noch resocialisatiepogingen gedaan. Aan de andere kant staat de kliniek kennelijk niet op het standpunt dat betrokkene in aanmerking zou komen voor plaatsing op een longstay-afdeling. De omstandigheid dat betrokkene na invrijheidstelling mogelijk niet in een gespecialiseerde inrichting binnen de GGZ kan worden ondergebracht waarin hij kan worden opgevangen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Gelet op de proportionaliteit en het gebrek aan behandelingsmogelijkheden van betrokkene is het hof daarom van oordeel dat verdere verlenging van de maatregel niet meer kan plaatsvinden. Het hof merkt hierbij nog het volgende op. Het hof heeft er kennis van genomen dat door de rechtbank Maastricht op 19 november 2007 een voorlopige machtiging in het kader van de Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen is afgegeven om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van maximaal zes maanden. Het hof heeft eveneens kennisgenomen van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen. Beslissing: Het hof: Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Utrecht van 3 september 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde. Wijst af de vordering van de officier van justitie. Aldus gedaan door mr Lensing als voorzitter, mrs Van Dijk en Rutgers van der Loeff als raadsheren, en drs Mensing en drs Poll als raden, in tegenwoordigheid van mr Bosma als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2007. Mr Van Dijk, Rutgers van der Loeff en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.