
Jurisprudentie
BC0559
Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200704163/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200704163/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Op 25 oktober 2005 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) naar aanleiding van diens verzoek de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan een over appellant uitgebracht individueel ambtsbericht slechts gedeeltelijk openbaar gemaakt.
Uitspraak
200704163/1.
Datum uitspraak: 19 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. 06/172 van de rechtbank Dordrecht van 25 mei 2007 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
1. Procesverloop
Op 25 oktober 2005 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) naar aanleiding van diens verzoek de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan een over appellant uitgebracht individueel ambtsbericht slechts gedeeltelijk openbaar gemaakt.
Bij besluit van 23 december 2005 heeft de minister het tegen de beperking van de openbaarmaking door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij faxbericht van 4 juli 2007 heeft [appellant] toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Bij brief van 10 juli 2007 heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2007, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. drs. L.J. Blijdorp, advocaat te Culemborg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.C.T.M. van Eeuwijk, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister de belangen van bronbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek bij de niet aan hem verstrekte tekstpassages niet ten onrechte aan de orde heeft geacht, heeft miskend dat het algemene belang bij openbaarmaking samenvalt met zijn individuele belang daarbij en hij door de aangebrachte beperking ten onrechte niet kan controleren of het individueel ambtsbericht voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en daardoor in zijn processuele belangen is geschaad.
2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juli 2007 in zaak no. 200700307/1), dient de in de Wob geregelde aanspraak op openbaarmaking uitsluitend het algemeen belang van een goede en democratische bestuursvoering dat die wet vooronderstelt. Dat het controleren van de juistheid van het ambtsbericht, naar appellant stelt, ook de goede en democratische bestuursvoering dient, betekent niet dat de minister diens belang daarbij ten onrechte niet afzonderlijk in de afweging tussen het belang bij openbaarmaking enerzijds en de door de weigering daarvan te beschermen belangen anderzijds heeft betrokken.
2.1.2. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de niet openbaar gemaakte tekstpassages in de stukken die aan het individueel ambtsbericht ten grondslag hebben gelegen. De rechtbank heeft terecht de belangen waarop de minister zich heeft beroepen bij de informatie in deze passages betrokken geacht en in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister bij vorenbedoelde afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren deze passages openbaar te maken.
2.2. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister er terecht op heeft gewezen dat vragen inzake de totstandkoming en het waarheidsgehalte van het uitgebrachte ambtsbericht in de asielprocedure aan de orde kunnen worden gesteld, heeft miskend dat door de weigering een vacuüm in de rechtsbescherming tegen de weigering hem een verblijfsvergunning te verlenen ontstaat.
2.2.1. De rechtbank heeft terecht uitsluitend onderzocht of de voorgedragen beroepsgronden aanleiding geven tot het oordeel dat de minister de desbetreffende tekstpassages in de stukken die aan het individueel ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt. De Afdeling heeft evenals de rechtbank kennis genomen van de niet openbaar gemaakte passages en aldus de afweging door de minister op rechtmatigheid getoetst. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat het ambtsbericht niet juist is, heeft de rechtbank evenzeer terecht overwogen dat dat naar voren kan worden gebracht in de procedure omtrent de verlening van een verblijfsvergunning. Een lacune in de rechtsbescherming, als door [appellant] gesteld, doet zich niet voor. Het betoog faalt.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Den Broeder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007
301-384.