
Jurisprudentie
BC0554
Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702408/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702408/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord (hierna: het dagelijks bestuur) zijn beslissing om op 2 september 2005 bestuursdwang toe te passen voor het ontmantelen van de op het perceel [locatie] te Rotterdam aangetroffen hennepkwekerij, op schrift gesteld. Daarbij heeft het dagelijks bestuur beslist dat de kosten van toepassing van bestuursdwang voor rekening van appellant komen.
Uitspraak
200702408/1.
Datum uitspraak: 19 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 06/3875 van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2007 in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord (hierna: het dagelijks bestuur) zijn beslissing om op 2 september 2005 bestuursdwang toe te passen voor het ontmantelen van de op het perceel [locatie] te Rotterdam aangetroffen hennepkwekerij, op schrift gesteld. Daarbij heeft het dagelijks bestuur beslist dat de kosten van toepassing van bestuursdwang voor rekening van appellant komen.
Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, na wijziging van de motivering van het besluit van 12 oktober 2005, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 februari 2007, verzonden op 22 februari 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 15 juni 2007 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij gezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. J.J.A. Bosch, advocaat te Rotterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. L. Sprengers en mr. I. Baens, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als getuige gehoord [getuige]
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Woningwet schrijven burgemeester en wethouders, indien een woning wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijke voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.
Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Woningwet schrijven burgemeester en wethouders, indien een woning, woonkeet of woonwagen wordt bewoond op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, de hoofdbewoner of elke afzonderlijke bewoner aan binnen een door hen te bepalen termijn de bewoning in overeenstemming met die voorschriften te brengen.
Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijne laste behoren te komen.
Ingevolge artikel 2.52 van het Bouwbesluit 2003 heeft een bestaand bouwwerk een veilige voorziening voor elektriciteit.
Ingevolge artikel 7.3.2, aanhef en onder a, van de Bouwverordening Rotterdam 1993 is het verboden in, op of aan een bouwwerk, of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te gebruiken, waardoor overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein.
Ingevolge artikel 7.3.2, aanhef en onder c, van de Bouwverordening Rotterdam 1993 is het verboden in, op of aan een bouwwerk, of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te gebruiken, waardoor brand- of ander gevaar wordt veroorzaakt.
2.2. In het huis aan de [locatie] is op 2 september 2005 een illegale hennepkwekerij aangetroffen, hetgeen strijd oplevert met artikel 2.52 van het Bouwbesluit 2003 en de artikelen 7.3.2, aanhef en onder a, en 7.3.2, aanhef en onder c, van de Bouwverordening Rotterdam 1993. Het dagelijks bestuur was dan ook op grond van artikel 14, eerste lid en derde lid, van de Woningwet gehouden tot het doen van een aanschrijving en tevens bevoegd tot het toepassen van bestuurdwang.
2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij als overtreder kan worden aangemerkt. Hij voert daartoe onder meer aan dat hij het huis op de [locatie] vanaf mei 2005, dus voordat handhavend werd opgetreden, had onderverhuurd aan [huurder]. Appellant betoogt dat [huurder] de aangetroffen hennepkwekerij moet hebben opgericht.
2.3.1. Dit betoog faalt. De Afdeling overweegt dienaangaande dat het op de weg van het college lag om aannemelijk te maken dat appellant overtreder was van artikel 2.52 van het Bouwbesluit 2003 en de artikelen 7.3.2, aanhef en onder a, en 7.3.2, aanhef en onder c, van de Bouwverordening Rotterdam 1993 en de daartoe vereiste feiten te stellen. Het was vervolgens aan appellant om die feiten, indien daartoe aanleiding bestond, te weerleggen of nader te verklaren, bij gebreke waarvan de rechter in beginsel van de juistheid van de feiten, zoals het college die heeft vastgesteld, dient uit te gaan.
Vaststaat dat appellant ten tijde van het handhavend optreden als bewoner op het adres [locatie] te Rotterdam stond ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Tevens was hij op dat moment contractant van energieleverancier Eneco Netbeheer. Gelet hierop heeft het college appellant als overtreder van artikel 2.52 van het Bouwbesluit 2003 en de artikelen 7.3.2, aanhef en onder a, en 7.3.2, aanhef en onder c, van de Bouwverordening Rotterdam 1993 aangemerkt en als zodanig aangeschreven.
Met de door appellant genoemde omstandigheden heeft hij naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij die artikelen niet daadwerkelijk heeft geschonden. Zo is niet aannemelijk geworden dat ten tijde van het handhavend optreden de woning door appellant daadwerkelijk was onderverhuurd aan [huurder]. Weliswaar heeft appellant tot bewijs daarvan een huurovereenkomst overgelegd, maar hieraan kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend nu door het dagelijks bestuur - onweersproken - is aangegeven dat [huurder] onvindbaar is en appellant met betrekking tot de te betalen huur wisselende verklaringen heeft afgelegd. Met de stelling van appellant dat een medewerker van [installatiebedrijf] zou kunnen bevestigen dat in de periode van februari 2005 tot mei 2005 in de woning geen hennepkwekerij aanwezig was, is appellant er evenmin in geslaagd aannemelijk te maken dat hij geen overtreder is van meergenoemde bepalingen. Evenmin biedt steun voor het betoog van appellant de door [getuige] ter zitting afgelegde verklaring dat zij in de periode van februari tot en met mei 2005 de woning heeft bezocht en daar geen hennepkwekerij heeft aangetroffen. Zij heeft desgevraagd immers ook aangegeven in de periode van eind mei tot en met september 2005 niet in de woning te zijn geweest, terwijl de overtreding op 2 september 2005 door het dagelijks bestuur is geconstateerd. De in hoger beroep overgelegde verklaring van [getuige 1] doet aan het voorgaande evenmin af, reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, niet aannemelijk is gemaakt dat de woning door appellant daadwerkelijk was onderverhuurd aan [huurder].
Het dagelijks bestuur heeft appellant dan ook terecht als overtreder aangemerkt. De rechtbank is op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Klein Nulent
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007
218-552.