Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0545

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702835/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 8 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom ad € 15.000 gelast het gebruik van twee loodsen voor reparatie-, onderhouds-, en waspoetswerkzaamheden aan auto's en motoren en de opslag van onder meer (motor)voertuigen en auto-onderdelen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.


Uitspraak

200702835/1. Datum uitspraak: 19 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/10506 van de rechtbank Haarlem van 7 maart 2007 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer. 1.    Procesverloop Bij besluit van 8 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom ad € 15.000 gelast het gebruik van twee loodsen voor reparatie-, onderhouds-, en waspoetswerkzaamheden aan auto's en motoren en de opslag van onder meer (motor)voertuigen en auto-onderdelen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden. Bij besluit van 8 september 2006 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 maart 2007, verzonden op 14 maart 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 26 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. A.S. van Gaalen, advocaat te Schiphol-Rijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Hoogewerf, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven".    Ingevolge artikel 1, eerste lid en onder bb, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften) wordt onder ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven verstaan een bedrijf dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen, alsmede op het verlenen van diensten.    Ingevolge artikel 1, eerste lid en onder cc, van de planvoorschriften wordt onder garagebedrijf verstaan een bedrijf gericht op de verkoop en het herstellen van motorvoertuigen en/of onderdelen hiervan, echter zonder plaatwerkerij en/of uitdeukerij.    Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als "Ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven" aangewezen gronden bestemd voor ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven met de daarbij behorende bouwwerken en open terreinen, waaronder opslag-, los-, laad- en parkeerplaatsen, met dien verstande dat slechts zijn toegestaan inrichtingen die genoemd zijn in de categorieën 1 tot en met 3 van de bij deze voorschriften behorende staat van inrichtingen, mits het geen bedrijven zijn die zijn genoemd in het besluit categorie A-inrichtingen op grond van de Wet Geluidhinder, alsmede bedrijven waarop de Hinderwet en de Wet inzake de Luchtverontreiniging niet van toepassing zijn.    Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de planvoorschriften is het, behoudens het bepaalde in artikel 51, verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken, op een wijze of tot een doel, strijdig met de in dit plan ter plaatse gegeven bestemming. 2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zijn op het perceel gevestigd bedrijf niet te kwalificeren is als een ambachtelijk bedrijf als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften. Volgens appellant zijn de door hem uitgeoefende werkzaamheden in overeenstemming met het bestemmingsplan en was het college niet bevoegd daartegen handhavend op te treden. 2.2.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten aanzien van de activiteiten die appellant op het perceel uitoefent, namelijk reparatie-, onderhouds-, en waspoetswerkzaamheden aan auto's en motoren en de opslag van onder meer (motor)voertuigen, auto-onderdelen en niet voor ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven noodzakelijke goederen, niet kan worden gesproken van een ambachtelijk bedrijf. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan voor bedrijven als deze de bestemming "Garagebedrijven" kent. De door appellant aangehaalde jurisprudentie en literatuur leiden niet tot een ander oordeel, nu daaraan niet die betekenis kan worden gegeven die appellant eraan wenst toe te kennen.    Voor het betoog van appellant dat beoordeeld dient te worden of zijn bedrijf behoort tot de in de bij de planvoorschriften behorende staat van inrichtingen genoemde ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3 bestaat, gelet op het voorgaande, geen grond.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 49, eerste lid, van de planvoorschriften, zodat het college, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, terzake handhavend kon optreden. 2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.4.    Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank zich met juistheid op het standpunt gesteld dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordeden die het oordeel rechtvaardigen dat het college van handhavend optreden had dienen af te zien.      De omstandigheid dat appellant beschikt over een milieuvergunning ten behoeve van de bedoelde activiteiten doet aan het voorgaande niet af, nu dit niet wegneemt dat die activiteiten in strijd zijn met de aan de grond gegeven bestemming. Uit de omstandigheid dat het college reeds enkele jaren bekend was met de aanwezigheid van het bedrijf van appellant, maar gedurende die tijd niet handhavend heeft opgetreden, kan evenmin worden afgeleid dat sprake is van een situatie waarin niet meer handhavend kon worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop is, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college in redelijkheid van handhavend optreden had behoren af te zien. Dat appellant als kostwinner afhankelijk is van de inkomsten die uit de onderneming voortkomen, leidt ook niet tot een ander oordeel. 2.5.    Voorts kan niet worden staande gehouden dat het college de hoogte van de dwangsom niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen op het bedrag dat het heeft bepaald. De financiële omstandigheden van appellant kunnen op zichzelf niet bepalend zijn voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Niet die omstandigheden, maar de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging vormen de maatstaf voor de hoogte van de dwangsom. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de gegeven termijn van zes maanden te kort is om aan de last onder dwangsom te kunnen voldoen.    De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. 2.6.    Tot slot dient het door appellant ter zitting gedane beroep op het overgangsrecht buiten beschouwing te blijven, nu hij in het hoger beroepschrift expliciet het door de rechtbank daarover gegeven oordeel buiten de omvang van het geding in hoger beroep heeft geplaatst. 2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat. w.g. Van Wagtendonk    w.g. Klein Nulent Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007 218-552.