
Jurisprudentie
BC0544
Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702819/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702819/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 24 februari 2005 heeft de raad van de gemeente Castricum (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te nemen voor de percelen [locatie] te [plaats] (hierna: de percelen).
Uitspraak
200702819/1.
Datum uitspraak: 19 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2803 van de rechtbank Alkmaar van 13 maart 2007 in het geding tussen:
appellante
en
de raad van de gemeente Castricum.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 februari 2005 heeft de raad van de gemeente Castricum (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te nemen voor de percelen [locatie] te [plaats] (hierna: de percelen).
Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft de gemeenteraad het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 maart 2007, verzonden op 19 maart 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 23 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 juli 2007 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2007, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. E. Groot-van Ederen en C.G. Foeken, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende].
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.
Ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor
a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of
b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.
Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid.
2.2. Appellante heeft een bouwplan ingediend dat ziet op de realisering van haar paardenbedrijf. Dit is in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Vinkenbaan" en "Buitengebied". Hiervoor kan slechts vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO worden verleend indien door de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO wordt genomen. De gemeenteraad heeft dit geweigerd.
2.3. Appellante betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van de gemeenteraad het voorbereidingsbesluit te nemen in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
2.3.1. In het kader van de beoordeling van de vraag of al dan niet aan een verzoek tot het nemen van een voorbereidingsbesluit zal worden voldaan komt de gemeenteraad, in aanmerking genomen de bewoordingen van
artikel 21, eerste lid, van de WRO en de aard van de bevoegdheid die hem daarin is toegekend, een ruime mate van beleidsvrijheid toe.
Bij de brieven van 9 april 2003 en 22 januari 2004, waarnaar appellante onder meer heeft verwezen, heeft het college van burgemeester en wethouders van Castricum (hierna: het college) zijn principebereidheid uitgesproken om medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO. Anders dan appellante betoogt, kan door haar aan de omstandigheid dat het college in principe bereid is mee te werken aan het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan, niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een ander bestuursorgaan, te weten de bij uitsluiting bevoegde gemeenteraad, bereid zou zijn het benodigde voorbereidingsbesluit te nemen. Dat de commissie Ruimtelijke Ordening, Milieu en Gemeentewerken (hierna: de commissie) in haar vergadering van 10 november 2004 heeft besloten het voorbereidingsbesluit als hamerstuk te agenderen voor de raadsvergadering van 25 november 2004 kan evenmin leiden tot het oordeel dat de gemeenteraad in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft geweigerd een voorbereidingsbesluit te nemen. Niet de commissie, maar slechts de gemeenteraad heeft de bevoegdheid een voorbereidingsbesluit te nemen. Voorts volgt uit het verslag van de vergadering van de commissie van 10 november 2004 niet dat het voorbereidingsbesluit zou worden genomen, maar uitsluitend dat een meerderheid van de commissie positief heeft geadviseerd over het raadsvoorstel aangaande het voorbereidingsbesluit. Appellante wijst in dit verband ook tevergeefs op de omstandigheid dat de gemeenteraad in haar vergadering van 25 november 2004 heeft besloten de beslissing over het voorbereidingsbesluit uit te stellen tot na het moment dat de Afdeling had beslist over de door het college aan appellante verleende milieuvergunning.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de gemeenteraad niet in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft geweigerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO te nemen. Het betoog van appellante faalt.
2.4. Appellante betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd.
2.4.1. Dit betoog slaagt niet. Ter zitting heeft de gemeenteraad aangegeven dat bij twee van de op de door appellante aangehaalde lijst van gerealiseerde bouwplannen in het buitengebied vermelde gevallen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO is genomen. In die gevallen was echter, naar aannemelijk is gemaakt, sprake van uitbreiding van reeds bestaande bedrijven en niet, zoals in het geval van appellante, van verplaatsing van een bedrijf dat in strijd is met het bestemmingsplan. Het gaat hier dus niet om gevallen die gelijk te stellen zijn aan dat van appellante.
De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.
2.5. Ten slotte kan appellante niet worden gevolgd in haar standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen overwegingen heeft gewijd aan haar betoog dat de gemeente jegens haar een inspanningsverplichting op zich had genomen, nu uit de in het dossier aanwezige stukken niet blijkt dat dit in beroep is aangevoerd.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Klein Nulent
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007
218-552.