
Jurisprudentie
BC0539
Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200608956/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200608956/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 28 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Westvoorne het bestemmingsplan "Valweg/Hoefweg" vastgesteld.
Uitspraak
200608956/1.
Datum uitspraak: 19 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellant sub 2], wonend te woonplaats],
3. de vereniging "Vereniging van omwonenden van het Land van Vark" en [appellant sub 3a], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],
4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Westvoorne het bestemmingsplan "Valweg/Hoefweg" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 oktober 2006, kenmerk DRM/ARW/06/2729A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 12 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2006, [appellant sub 2] bij brief van 13 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2006, de vereniging "Vereniging van omwonenden van het Land van Vark" (hierna: de vereniging) en [appellant sub 3a] bij brief van 13 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2006, en [appellant sub 4] bij brief van 13 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2006, beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 juni 2007 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Westvoorne. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2007, waar [appellant sub 2], in persoon, de vereniging en [appellant sub 3a], vertegenwoordigd door [appellant sub 3a] onderscheidenlijk in persoon, [appellant sub 4], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ir. T. Leene, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Westvoorne, vertegenwoordigd door mr. drs. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, ing. L. Prinsenberg, G.H. Groeneveld, ir. J.S. Bennema en A.P.A. van Ewijk.
[appellant sub 1] is, zonder kennisgeving, niet verschenen.
2. Overwegingen
Overgangsrecht
2.1. Op 1 januari 2007 zijn de wet van 5 juli 2006, houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 350) en het Besluit geluidhinder in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wet en dit besluit doorgevoerde wijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding.
Ontvankelijkheid
2.2. Verweerder stelt dat het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk niet-ontvankelijk is omdat deze appellant zijn beroep mede op plandelen richt die hij niet in zijn zienswijze en bedenkingen heeft genoemd. De gemeenteraad stelt dat de beroepen van [appellant sub 2] en de vereniging en [appellant sub 3a] niet-ontvankelijk zijn voor zover zij in hun beroepschriften gronden inbrengen die geen grondslag vinden in de ingebrachte zienswijzen en bedenkingen.
2.2.1. Anders dan verweerder stelt, volgt uit de door [appellant sub 2] ingebrachte zienswijze en bedenkingen dat hij zich tegen het gehele plan verzet. In zijn zienswijze heeft appellant weliswaar een beperkt aantal punten genoemd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij zich slechts op bepaalde plandelen richt, hij heeft daarbij echter tevens verwezen naar door anderen ingebrachte zienswijzen waarvan buiten twijfel is dat deze op het gehele plan betrekking hebben. In zijn bedenkingen heeft appellant deze verwijzing herhaald.
Verder kunnen, anders dan de gemeenteraad stelt, nadere argumenten ter onderbouwing van in de zienswijzen en bedenkingen bestreden plandelen, voorschriften of aanduidingen nog in iedere fase van de procedure naar voren worden gebracht. In de fase van beroep bij de Afdeling kunnen derhalve argumenten worden aangevoerd die nieuw zijn ten opzichte van die in de zienswijze- en bedenkingenfase, tenzij een goede procesorde met zich brengt dat deze buiten beschouwing moeten worden gelaten. Voor dit laatste ziet de Afdeling in dit concrete geval geen aanleiding.
De beroepen van [appellant sub 2] en de vereniging en [appellant sub 3a] zijn dan ook in hun geheel ontvankelijk.
Toetsingskader
2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
Het plan
2.4. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de bouw van ongeveer 60 woningen en een voorzieningencentrum ten behoeve van een zwembad, een sporthal en een muziekoefenruimte in het gebied omsloten door de Molenweg en de Hoefweg, ten zuiden van het bestaande dorpsgebied van Oostvoorne.
De beroepen
2.5. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij verwachten negatieve gevolgen van de voorziene ontwikkeling voor de leefomgeving in en rond het plangebied en voeren daartoe verschillende beroepsgronden aan.
Noodzaak voorzieningencentrum
2.6. [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] kunnen zich vinden in enige woningbouw ter plaatse van het plangebied. De ontwikkeling van een voorzieningencentrum ligt echter volgens hen niet in de lijn van de verwachtingen. Zij achten nut en noodzaak daarvan op de voorziene plaats niet aangetoond. Ook is de omvang van met name de sporthal volgens hen te groot. Dit zal leiden tot een te lage bezettingsgraad van andere sportzalen in de gemeente. Voorts zal het voorzieningencentrum zich op grote afstand van scholen en het bejaardencentrum bevinden en is er pas op een afstand van ongeveer 600 meter een halte voor het openbaar vervoer, aldus appellanten.
2.6.1. De gemeenteraad wijst op de behoefte aan een nieuwe sportaccommodatie. Hij acht de gekozen locatie bij uitstek geschikt gezien de ligging aan de rand van het dorp, de aanwezigheid van voldoende infrastructuur, de beschikbare vrije ruimte en de mogelijkheid het zwembad en de sporthal in gezamenlijk verband en in combinatie met woningen en voldoende parkeervoorzieningen te realiseren. Aan de keuze ligt een locatieonderzoek ten grondslag waaruit de gekozen locatie als beste naar voren kwam, aldus de gemeenteraad.
2.6.2. Ten behoeve van de verwezenlijking van het voorzieningencentrum is in het midden van het plangebied voorzien in een plandeel met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (M)".
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de aldus bestemde gronden aangewezen voor:
a. een sportzaal en een zwembad alsmede ondergeschikte horeca met inbegrip van bijbehorende bergingen, nutsvoorzieningen en andere nevenruimten;
alsmede voor:
b. groenvoorzieningen, water, oevervoorzieningen, openbare ruimte, parkeervoorzieningen en in- en uitritten ten behoeve van parkeervoorzieningen voor de onbebouwd blijvende delen;
c. een muziekoefenruimte met een maximumbrutovloeroppervlak van 200 m².
2.6.3. Zoals weergegeven in 2.3. komt de gemeenteraad vrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Dat appellanten een andere invulling van het plangebied hadden verwacht, kan die vrijheid niet beperken. Daarbij hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de gemeenteraad zich in enigerlei opzicht heeft uitgesproken ter plaatse alleen in woningbouw te willen voorzien. Ook was de mogelijkheid voor een voorzieningencentrum al in het voorontwerp voor het bestemmingsplan opgenomen, zodat appellanten daar in een vroeg stadium kennis van hebben kunnen nemen.
2.6.4. Voor zover het betreft nut en noodzaak van het voorzieningencentrum heeft verweerder zich in navolging van de gemeenteraad gebaseerd op het advies van de Adviesraad Sport en Accommodaties van 22 april 2004. De gemeenteraad heeft daarbij voorts gewezen op de staat van onderhoud van de bestaande voorzieningen en op de wens deze te concentreren in een nieuw voorzieningencentrum. Daarbij acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat bij verschillende verenigingen en scholen behoefte bestaat aan een nieuwe sportaccommodatie. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder en de gemeenteraad van onjuiste veronderstellingen zijn uitgegaan dan wel dat zij zich anderszins niet op de uitgebrachte advisering hebben kunnen beroepen.
Wat betreft de voor het voorzieningencentrum voorziene grootte acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat deze niet passend is bij de schaal van de gemeente Westvoorne. Aan de omstandigheid dat niet valt uit te sluiten, zoals appellanten stellen, dat door de omvang van de sporthal van andere sportzalen in de gemeente minder gebruik gemaakt zal worden, heeft verweerder, gelet op de beleidsruimte die de gemeenteraad op dit punt toekomt, geen belangrijk gewicht behoeven toe te kennen.
De ligging van het voorzieningencentrum aan de zuidzijde van de kern Oostvoorne brengt, zoals appellanten terecht stellen, met zich dat de afstand tot het voorzieningencentrum voor de doelgroepen uit de kern Oostvoorne zelf in het algemeen groter zal zijn dan die tot de bestaande voorzieningen. Appellanten hebben evenwel, mede gelet op de schaal van Oostvoorne, niet aannemelijk gemaakt dat deze afstand zodanig groot wordt dat verweerder deze afstand niet meer redelijk heeft kunnen achten. Daarbij is ook van belang dat het voorzieningencentrum mede voor inwoners en scholieren uit andere delen van de gemeente is bedoeld. Voorts is niet uitgesloten dat maatregelen kunnen worden getroffen om de bereikbaarheid van het voorzieningencentrum te optimaliseren.
Noodzaak muziekoefenruimte
2.7. [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] zijn van mening dat zij onvoldoende gelegenheid hebben gehad om in te gaan op de mogelijkheid van een muziekoefenruimte in het voorzieningencentrum. Nut en noodzaak daarvan achten zij in relatie tot het nieuwe culturele centrum in het centrum van Oostvoorne bovendien onvoldoende aangetoond.
2.7.1. Zoals in 2.6.2. is weergegeven zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor "Maatschappelijke voorzieningen (M)", ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften mede aangewezen voor een muziekoefenruimte met een maximumbrutovloeroppervlak van 200 m².
2.7.2. Vaststaat dat de gemeenteraad in dit geval het plan gewijzigd heeft vastgesteld door de mogelijkheid van de muziekoefenruimte aan het plan toe te voegen. Deze afwijking van het ontwerp is naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Ook anderszins bestaat geen grond om te oordelen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met de gewijzigde vaststelling van het plan kon worden volstaan, en dat de wettelijke procedure, met inbegrip van de gelegenheid tot het indienen van zienswijzen tegen een nieuw ontwerpbestemmingsplan, niet opnieuw behoefde te worden doorlopen.
2.7.3. Wat betreft nut en noodzaak van de muziekoefenruimte overweegt de Afdeling dat uit het onderzoek Accommodatiebehoefte culturele activiteiten Oostvoorne van februari 2004 volgt dat er een structurele behoefte bestaat van 1.318 m². Niet is aannemelijk gemaakt dat aan de berekening van deze behoefte onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen dan wel dat verweerder anderszins niet van die behoefte heeft kunnen uitgaan. Uitgaande van een behoefte van 1.318 m² en een oppervlakte van het nieuwe culturele centrum De Man in het centrum van Oostvoorne van ongeveer 1.000 m² heeft verweerder zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt kunnen stellen dat in Oostvoorne nog ruimte bestaat voor een voorziening ter grootte van in ieder geval 200 m² zonder dat daardoor de instandhouding van het aanbod in het centrum van Oostvoorne in geding komt. Toevoeging van een muziekoefenruimte aan het voorzieningencentrum heeft verweerder voorts in die zin passend kunnen achten, omdat muziekactiviteiten, zoals ter zitting is toegelicht, gelet op de beoogde activiteiten in het voorzieningencentrum en anders dan in het nieuwe culturele centrum, goed zijn in te passen. Gelet hierop heeft verweerder een ruimtereservering van 200 m² voor een muziekoefenruimte in het voorzieningencentrum dan ook in redelijkheid passend kunnen achten.
Verkeerssituatie
2.8. [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] voeren aan dat het verkeersonderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. De gevolgen voor de omliggende woonwijken en de smalle polderwegen zijn onvoldoende bezien. Volgens appellanten is onduidelijk of de berekende gegevens representatief zijn voor het gehele jaar en afgestemd zijn op piekbelastingen. De cijfers in het verkeersonderzoek zijn verouderd en geen rekening is gehouden met busverkeer en de verwezenlijking van de muziekoefenruimte. Het gebruik van secundaire routes door licht gemotoriseerd verkeer is ten onrechte niet in de belangenafweging meegenomen. De ontsluiting voor langzaam verkeer via de Frank van Borselenweg is volgens appellanten uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet aanvaardbaar. Verder moet een groot aantal schoolgaande kinderen een drukke verkeersader oversteken om het voorzieningencentrum te bereiken, aldus deze appellanten.
[appellant sub 1] voert aan dat de Molenweg, die toegang geeft tot het plangebied, mede gelet op de aanwezige verkeersremmende obstakels, nauwelijks toereikend is voor een te verwachten aanmerkelijke toename van de verkeersintensiteit. Dit geldt ook voor de nog smallere Hoefweg waar de veiligheid van de langzame weggebruikers in het geding zal komen. Ten onrechte is volgens appellant in het plan niet voorzien in het treffen van verkeersbelemmerende maatregelen op de Hoefweg.
2.8.1. De gemeenteraad geeft aan dat in het plangebied voor de beoogde functies is voorzien in een uitsluitend hiervoor bedoelde ontsluitingsroute met bijbehorende verkeersvoorzieningen. Deze route sluit aan op de bestaande infrastructuur. De toename van het gemotoriseerde verkeer kan volgens de gemeenteraad binnen de huidige wegprofielen worden opgevangen. Het plangebied wordt voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers) ontsloten via de Frank van Borselenweg en de Hoefweg. Deze verbindingen leveren volgens de gemeenteraad geen onveilige of overlast gevende situaties op. Binnen de bebouwde kom wordt voor voetgangers langs de Molenweg een voetpad aangelegd. Verder zal nog worden voorzien in een oversteekvoorziening en fietsstroken, aldus de gemeenteraad.
2.8.2. Door Grontmij Verkeer & Infrastructuur is in januari 2004 een verkeersonderzoek uitgevoerd dat heeft geresulteerd in een rapportage van 23 januari 2004. In het kader van dit onderzoek zijn op zestien plaatsen in Oostvoorne verkeerstellingen verricht in de periode 6 januari 2004 tot en met 19 januari 2004. Daarbij zijn ook de snelheden en de voertuigklassen geregistreerd. In een nadere toelichting van 19 maart 2007 op het verkeersonderzoek geeft Grontmij Nederland B.V. (hierna: Grontmij) aan dat gebruik is gemaakt van geijkte tellers. Tijdens het onderzoek zijn handmatige visuele controletellingen (validatie meetonderzoek) verricht waarvan de uitkomsten niet afwijkend waren van de gemeten waarden met de telapparatuur. Er heeft een correctie plaatsgevonden met betrekking tot de gelede bussen die over twee voertuigklassen waren verdeeld. Aangezien zich in de telperiode geen bijzondere omstandigheden voordeden, geven de tellingen een representatief beeld van de normale verkeersbelasting ter plaatse, aldus Grontmij. Een onderverdeling naar licht, middelzwaar en zwaar verkeer is gebaseerd op het meten van de opvolgtijd, de snelheid en de mate van belasting van de telapparatuur door de assen van voertuigen. Dit is een gekalibreerde methode die volgens Grontmij een voldoende nauwkeurig beeld geeft.
2.8.3. De omstandigheid dat de verkeerstellingen hebben plaatsgevonden in januari 2004 leidt er naar het oordeel van de Afdeling niet toe dat deze voor verouderd moeten worden gehouden en om die reden niet ten grondslag hadden mogen worden gelegd aan de berekening van de toekomstige verkeersintensiteit. In dat verband is van belang dat het ontwerpbestemmingsplan in december 2005 ter visie is gelegd en dat het bestemmingsplan op 28 februari 2006 is vastgesteld.
In hetgeen appellanten voorts hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich in navolging van de gemeenteraad niet op het verkeersonderzoek uit januari 2004 heeft mogen baseren. Niet is aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop het verkeersonderzoek heeft plaatsgevonden, ondeugdelijk of anderszins onjuist is geweest. Appellanten hebben geen tegenonderzoek ingebracht. Wat betreft het onderzoek is van belang dat de tellingen hebben plaatsgevonden op dagen zonder bijzondere omstandigheden en dat de wegen geen belangrijke functie hebben voor het recreatieve verkeer naar of van het strand. Zoals volgt uit het verkeersonderzoek valt derhalve niet aan te nemen dat de verkeersdruk op de wegen rond het plangebied in de zomer veel hoger ligt dan in januari. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de verkregen resultaten anderszins niet representatief kunnen worden geacht.
2.8.4. Uit de berekeningen van Grontmij volgt dat voor het drukste punt van de Molenweg buiten de bebouwde kom met een extra verkeersintensiteit ten gevolge van de planontwikkeling van 195 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etm) in 2010 wordt gerekend. Het verkeer op de Valweg zal toenemen met 125 mvt/etm en op de Hoefweg met 70 mvt/etm. Hoewel dit ten opzichte van de absolute aantallen van rond de 1.000 voor de Molenweg en de Valweg en rond de 200 voor de Hoefweg in de huidige situatie relatief gezien grote aantallen zijn, is niet aannemelijk dat de desbetreffende wegen het extra verkeer niet zouden kunnen verwerken. Daarbij acht de Afdeling van belang dat niet is gebleken dat zich op deze wegen in de huidige situatie ernstige verkeersproblemen voordoen.
Voor zover het betreft de bij het vaststellen van het bestemmingsplan mogelijk gemaakte muziekoefenruimte overweegt de Afdeling nog dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de prognose voor de verkeersintensiteit onder meer is gebaseerd op het oppervlak van het bestemmingsvlak "Maatschappelijke voorzieningen (M)". Het moet er dan ook voor worden gehouden dat in zoverre is gerekend met de maximale invulling die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Niet valt uit te sluiten dat de toevoeging van de mogelijkheid voor een muziekoefenruimte zal leiden tot enige extra verkeersbewegingen. Gelet op de omvang van die voorziening heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen daarvan zeer beperkt zullen zijn.
Wat betreft het busverkeer naar het zwembad is ter zitting van de zijde van de gemeenteraad aangegeven dat ook dit in omvang beperkt zal zijn en dat naar verwachting niet de grootste bussen zullen worden ingezet. De Afdeling ziet geen aanleiding aan deze uitlatingen van de gemeenteraad te twijfelen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit busvervoer tot verkeersproblemen aanleiding zal geven, waarbij dient te worden bedacht dat verkeersmaatregelen kunnen worden getroffen om de toegang voor bussen op bepaalde wegvakken te reguleren.
De Afdeling ziet voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene ontsluitingswegen voor langzaam, al dan niet gemotoriseerd, verkeer naar de Hoefweg en de Frank van Borselenweg niet tot verkeersproblemen of wezenlijke hinder voor appellanten zullen leiden. Wat betreft het schuin parkeren op het doodlopende gedeelte van de Frank van Borselenweg is voldoende aannemelijk dat dit autoluwe weggedeelte voldoende breed is om ook het langzame verkeer van en naar het plangebied te verwerken.
Wat betreft het treffen van verkeersbelemmerende maatregelen door fysieke voorzieningen of het nemen van verkeersbesluiten overweegt de Afdeling dat dit buiten het kader van het bestemmingsplan kan worden geregeld. Het plan staat aan het treffen van dergelijke maatregelen niet in de weg.
Geluidhinder wegverkeer en industrieterrein
2.9. [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] voeren aan dat het onderzoek naar geluidhinder onzorgvuldig is tot stand gekomen. Ten onrechte is als uitgangspunt genomen dat de Valweg en de Hoefweg 30 km-wegen zijn. Verder zijn de gevolgen voor de bestaande woningen niet beoordeeld. Ook is de contour vanwege industrielawaai niet op de plankaart aangegeven en is niet voorzien in een berekening van het cumulatieve effect van industrielawaai en wegverkeerslawaai.
2.9.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het plan geen onevenredige toename van de verkeersintensiteit met zich zal brengen. Hij acht de gevolgen voor de geluidssituatie niet onaanvaardbaar.
2.9.2. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het plan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai. Door de maatregelen ter beperking van de geluidhinder die in het kader van het bestemmingsplan worden genomen, waaronder de aanleg van geluidsreducerend asfalt, zal de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer ook voor de bestaande woningen afnemen.
De gemeenteraad stelt voorts dat een akoestisch onderzoek is gedaan om te toetsen of ter plaatse van de geprojecteerde woningen kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai vanwege het industrieterrein Europoort/Maasvlakte. Voor de geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van het plangebied is een hogere grenswaarde vastgesteld.
2.9.3. Wat betreft het industrielawaai volgt uit de stukken dat het gehele plangebied is gelegen binnen de bij het industrieterrein Europoort/Maasvlakte behorende geluidszone. Een geluidscontour kan dan ook niet op de plankaart worden weergegeven. Voorts is van belang dat vanwege de ligging van het plangebied in de geluidszone van het industrieterrein Europoort/Maasvlakte bij -inmiddels onherroepelijk- besluit van 3 januari 2006 door verweerder een hogere grenswaarde tot 55 dB(A) is vastgesteld.
2.9.4. Door Grontmij is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat heeft geresulteerd in het rapport Nieuwbouwplannen Valweg/Hoefweg en De Ruy te Oostvoorne van 30 augustus 2004. In het kader van dit onderzoek zijn de nieuw te projecteren woningen aan de Hoefweg en de Molenweg getoetst aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Voor de nieuwe woningen aan de Hoefweg is volgens het rapport geen sprake van een overschrijding van deze voorkeursgrenswaarde. Aangezien de geluidsbelasting voor de nieuwe woningen aan de Molenweg wel hoger zou zijn dan de voorkeursgrenswaarde is nader onderzoek uitgevoerd naar de toepassing van geluidsreducerend asfalt op deze weg. Bij toepassing van een geluidsarme wegverharding (zeer stil asfalt, semi-dicht) zal de geluidsreductie volgens het akoestische onderzoeksrapport zodanig zijn dat kan worden voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde.
2.9.5. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt en ook tussen partijen is onweersproken, dat door Grontmij bij de berekening van de te verwachten geluidsbelasting vanwege het verkeer op de Molenweg abusievelijk is uitgegaan van de helft van de te verwachten verkeersintensiteiten. Niet valt uit te sluiten dat deze omissie zich ook heeft voorgedaan bij de berekening van de te verwachten geluidsbelasting vanwege het verkeer op de Hoefweg. Dit betekent dat op grondslag van onjuiste verkeerscijfers is bepaald of aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. Deze omissie werkt door in de beoordeling van de gevolgen van de cumulatie met het industrielawaai. Verweerder heeft dit miskend. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Deze beroepsgrond van [appellant sub 2] en de vereniging en [appellant sub 3a] slaagt.
Luchtkwaliteit
2.10. [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] voeren aan dat het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit onzorgvuldig is tot stand gekomen. De berekening is volgens hen slechts gebaseerd op verkeerstellingen uit januari 2004, waarbij komt dat de verkeersaantrekkende werking van de muziekoefenruimte niet is meegenomen. Verder wijkt de voorziene groei van het autonome verkeer af van de in het akoestische rapport voorziene groei. Appellanten betwijfelen dat er geen verdere verslechtering van de luchtkwaliteit door het extra verkeer zal optreden, zeker indien wordt bedacht dat het extra verkeer op vaste momenten komt en gaat. Ook is volgens appellanten in het plan niet aangegeven hoe de kennelijk noodzakelijke saldering zal plaatsvinden.
2.10.1. De gemeenteraad stelt zich, gelet op de plantoelichting, op het standpunt dat kan worden voldaan aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005), behalve aan de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) die vaker dan 35 maal per jaar zal worden overschreden. Verwezenlijking van het bestemmingsplan leidt volgens de gemeenteraad niet tot een verdere overschrijding van deze grenswaarde gelet op het relatief beperkte nieuwbouwprogramma en de geringe verkeersintensiteiten.
2.10.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in dit besluit genoemde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes (PM10) in acht.
Ingevolge het derde lid kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:
a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.
Ingevolge artikel 20 geldt voor zwevende deeltjes (PM10) een grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens van 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.
2.10.3. Door Grontmij is een onderzoek naar de gevolgen van de planontwikkeling voor de luchtkwaliteit uitgevoerd, hetgeen heeft geresulteerd in het rapport Luchtkwaliteit Molenweg-Hoefweg te Oostvoorne van 15 november 2005. In dit onderzoek is de luchtkwaliteit berekend met model CAR II, versie 4.0, voor de huidige situatie (2004), de situatie in 2010 met de autonome ontwikkeling en de situatie in 2010 met de ontwikkeling van het project Molenweg-Hoefweg. Daarbij is voor een aantal drukkere straten een autonoom groeipercentage voor verkeer aangehouden van 1,1. Voor de minder drukke straten is aangenomen dat er geen groei van de verkeersintensiteit meer plaatsvindt.
Uit het onderzoek volgt dat in de bestaande situatie geen sprake is van overschrijdingen van de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10). Ook in 2010 worden de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) niet overschreden. Wel is dan langs verschillende wegvakken sprake van overschrijdingen van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) in die zin dat deze meer dan het maximale aantal van 35 per kalenderjaar wordt overschreden. Grontmij concludeert dat de overschrijdingen met name worden veroorzaakt door een hoge achtergrondconcentratie en dat het plan geen significante bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
2.10.4. De Afdeling stelt voorop dat verweerder in navolging van de gemeenteraad ter beantwoording van de vraag of het voorliggende plan voldoet aan het Blk 2005 een beroep heeft gedaan op artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van dat besluit. Anders dan appellanten veronderstellen is derhalve saldering, zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van het Blk 2005, niet aan de orde.
2.10.5. Onder verwijzing naar 2.8.3. overweegt de Afdeling voorts dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de verkeerstellingen uit januari 2004 een onvoldoende representatief beeld geven om te kunnen dienen als grondslag voor het luchtkwaliteitsonderzoek. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop die cijfers in de berekening zijn betrokken, ondeugdelijk of anderszins onjuist is geweest.
2.10.6. Uit tabel 3-3 in het luchtkwaliteitsonderzoek van Grontmij volgt dat het plan ter plaatse van de Gerard van Voorneweg in 2010 een verslechtering met zich brengt ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Het aantal overschrijdingsdagen van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) is met de voorziene ontwikkeling 41 en daarmee één dag meer dan in de autonome ontwikkeling. Gelet hierop heeft verweerder zijn standpunt dat deze concentratie in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, als bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005, niet op het onderzoek van Grontmij van 15 november 2005 kunnen baseren. Het bestreden besluit is ook om deze reden genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Deze beroepsgrond van [appellant sub 2] en de vereniging en [appellant sub 3a] slaagt.
Waterhuishouding
2.11. Volgens [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] is onvoldoende onderzoek gedaan naar de waterkwantiteit en de waterdoorstroming. Volgens hen is niet duidelijk dat de waterbeheerder definitief instemt met de voorziene oplossingen, hoe de afwatering zal plaatsvinden en of de bestaande sloten daarin in voldoende mate kunnen voorzien. Voorkomen moet worden dat wateroverlast optreedt in het aan het plangebied grenzende gebied, aldus appellanten.
[appellant sub 1] verwacht bij verwezenlijking van het plan problemen te ondervinden door een verminderde waterafvoer in en om het plangebied. Een deel van het plangebied staat in de winter al regelmatig onder water. Het plan voorziet onvoldoende in mogelijkheden om wateroverlast te voorkomen, aldus deze appellant.
Ook [appellant sub 4] vreest wateroverlast te ondervinden door de verwezenlijking van het plan. In de huidige situatie is zijn hemelwaterafvoer aangesloten op het oppervlaktewater in het plangebied. Onduidelijk is welke maatregelen worden getroffen om de afvoer van hemelwater van zijn perceel te waarborgen. Daarbij komt dat in de nieuwe situatie mogelijk sprake zal zijn van een verhoging van het maaiveld van het plangebied, aldus appellant.
2.11.1. Verweerder is van mening dat in de bestemmingsplanprocedure uitvoerig is ingegaan op de wateraspecten. De opmerkingen die tijdens het overleg met de waterbeheerder zijn gemaakt, zijn volgens hem afdoende in de plantoelichting verwerkt. Met de keuze voor brede duikers wordt een goede afwatering bevorderd en wordt het plegen van onderhoud mogelijk gemaakt. Bestaande duikers kunnen volgens hem behouden blijven.
2.11.2. De gemeenteraad geeft aan dat de in het bestemmingsplan neergelegde waterhuishoudkundige oplossing mede in overleg met de waterbeheerder tot stand is gekomen en voldoet aan de beleidseis dat minimaal 10% van een nieuwbouwproject uit oppervlaktewater bestaat. Daarbij komt dat het oppervlaktewater naast een waterbergende ook een sierfunctie dient te hebben, aldus de gemeenteraad.
2.11.3. Ingevolge artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) pleegt het college van burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een structuurplan, een bestemmingsplan of een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO overleg met de besturen van bij het plan of de vrijstelling betrokken waterschappen.
Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bro 1985 gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor vergezeld van een toelichting, waarin is neergelegd een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
2.11.4. Over de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding heeft in het kader van artikel 10 van het Bro 1985 overleg plaatsgevonden met het waterschap De Brielse Dijkring, thans Hollandse Delta. Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft ingestemd met de waterparagraaf in het bestemmingsplan. Daarbij is gewezen op het belang van de doorstroming van het water en voldoende onderhoudsvoorzieningen. De bestaande watergang in het noorden van het plangebied zal verbonden worden met de nieuwe waterpartij rond het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (M)" door een bevaarbare duiker. Voorts wordt een bevaarbare duiker aangelegd als verbinding tussen de grote waterpartij in het plangebied en de bestaande afwatering langs de Hoefweg.
2.11.5. Voor zover het artikel 12 van het Bro 1985 betreft zijn het bestemmingsplan en het ontwerp daarvoor vergezeld gegaan van een toelichting waarin een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding is neergelegd. Deze beschrijving bevat naar verweerder terecht heeft aangenomen, in het algemeen voldoende informatie over die gevolgen. Dat over de nadere detaillering nog overleg plaatsvindt met het waterschap, maakt dat niet anders.
2.11.6. De Afdeling ziet voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de planontwikkeling uit waterhuishoudkundig oogpunt ter plaatse niet inpasbaar zou zijn. Het verlies aan waterbergend vermogen door de toename van het verharde oppervlak wordt gecompenseerd door de aanleg van extra oppervlaktewater. Hiertoe is in het plan voorzien in twee vlakken met de bestemming "Water (Vw)". Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de oppervlakte daarvan ontoereikend moet worden geacht.
Voorts is voorzien in de aanleg van duikers en ondergrondse leidingen om te komen tot een circulerend watersysteem. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit systeem en de daarop aansluitende sloten niet afdoende zijn om te voorzien in een toereikende afvoer van grond- en oppervlaktewater uit het plangebied en vanaf hun percelen. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat de mogelijk van de zijde van het waterschap Hollandse Delta nog vereiste vergunning niet zal kunnen worden verleend. In dat verband acht de Afdeling van belang dat de planontwikkeling in nauw overleg met het waterschap heeft plaatsgevonden en dat ook van de zijde van het waterschap aandacht uitgaat naar een goede afwatering. Voorts is ter zitting van de zijde van de gemeenteraad aangegeven dat ter bestrijding van wateroverlast in en om het plangebied nadere maatregelen worden bezien, zoals het aanleggen van een drainagesysteem en duikers alsmede het ophogen van delen van het plangebied. De Afdeling ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeenteraad onvoldoende oog heeft voor de waterhuishoudkundige situatie in en om het plangebied. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de planontwikkeling het treffen van afdoende maatregelen om wateroverlast in de toekomst te voorkomen in de weg staat. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen ernstige waterhuishoudkundige bezwaren met zich brengt.
Volkshuisvestingsbeleid
2.12. [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] voeren voorts aan dat de voorziene verdeling van de woningen over de categorieën starterswoningen, eengezinswoningen en villa's afwijkt van het in het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid neergelegde woningbouwprogramma dat uitgaat van 40% sociale huur- en koopwoningen, 15% betaalbare koopwoningen en 45% middeldure en dure huur- en koopwoningen.
2.12.1. Gelet op de bouwvlakken op de plankaart en de toelichting daarop is met het plan beoogd de bouw van 59 tot 62 woningen mogelijk te maken. Dit betreft in ieder geval negen vrijstaande woningen, waarvan er drie blijkens de aanduiding op de plankaart als twee-onder-een-kapwoning kunnen worden uitgevoerd. De overige woningen bestaan uit grondgebonden rijwoningen en gestapelde woningen. Door het bestemmingsplan wordt niet geregeld voor welke doelgroep de woningen zijn bedoeld, nog daargelaten de vraag of dit mogelijk is. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de in het plan neergelegde woningbouwmogelijkheden strijdig moeten worden geacht met het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid. Dat voor de nadere invulling wordt gedacht aan twintig appartementen voor jongeren en starters, 22 grondgebonden woningen voor starters, acht eengezinswoningen en negen villa's is hierbij niet van belang, nu dit niet rechtstreeks uit het plan volgt. Daarbij komt bovendien dat het woningbouwprogramma en de daarin genoemde percentages voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelden en appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan in dat licht bezien strijdig zou zijn met het volkshuisvestingsbeleid.
Bouwhoogte
2.13. [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] voeren voorts aan dat de bouwhoogte van twaalf meter voor het merendeel van de voorziene woningen en het voorzieningencentrum niet aansluit bij de bebouwing in de omgeving. Deze hoogte is, nog afgezien van het voornemen het maaiveld van het plangebied met een meter te verhogen, buiten verhouding; van een geleidelijke overgang naar het landelijke gebied is volgens hen geen sprake.
2.13.1. Verweerder stemt in met de stedenbouwkundige onderbouwing van het plan. Daarbij wijst hij op de maximumgoothoogten voor de woningen van vier en zeven meter en de keuze voor bebouwing met een extensief karakter aan de zijde van het landelijke gebied. Hij is van mening dat daarmee een goede geleidelijke overgang naar het landelijke gebied wordt gecreëerd. Voor het voorzieningencentrum is een hogere bouwhoogte volgens verweerder gerechtvaardigd gezien het bijzondere gebruik en de ligging in het midden van het plangebied.
2.13.2. De gemeenteraad is van mening dat de goot- en bouwhoogte van zeven onderscheidenlijk twaalf meter voor het merendeel van de woningen een dorps karakter heeft en aansluit bij de bestaande bebouwing. Gelet op de functie van het voorzieningencentrum acht de gemeenteraad een bouwhoogte van twaalf meter daarvoor noodzakelijk.
2.13.3. Voor het voorzieningencentrum is, gelet op de aanduiding op de plankaart, voorzien in een maximale bouwhoogte van twaalf meter. In een maximale goothoogte is niet voorzien. De goot- en bouwhoogte van de woningen die rondom het voorzieningencentrum zijn geprojecteerd bedragen zeven onderscheidenlijk twaalf meter. De goot- en bouwhoogte voor de vrijstaande woningen in het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied langs de Molenweg en Hoefweg bedragen vier onderscheidenlijk tien meter.
2.13.4. Wat betreft de gevolgen van een eventuele verhoging van het maaiveld van het plangebied voor de maximale goot- en bouwhoogte overweegt de Afdeling allereerst het volgende.
Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften wordt de goothoogte gemeten vanaf het peil als bedoeld in artikel 1, onder 9, tot de hoogst gelegen horizontale snijlijn van het gevelvlak en het dakvlak. Ingevolge het bepaalde onder 3 wordt de bouwhoogte van een gebouw gemeten tussen de bovenkant van het gebouw […] en het peil als bedoeld in artikel 1, onder 9. Ingevolge dat voorschrift wordt onder peil verstaan de kruin van de Molenweg ter plaatse van het plangebied.
Niet is gebleken dat is voorzien in een verhoging van de Molenweg. Een verhoging van het maaiveld van het plangebied zal dan ook, anders dan appellanten veronderstellen, naar rato leiden tot een lagere maximale goot- en bouwhoogte.
2.13.5. Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt zijn de maximale bouwhoogten van twaalf meter van het voorzieningencentrum en de voorziene, omliggende woningen op elkaar afgestemd.
Volgens het deskundigenbericht zal het hoogste gedeelte van de sporthal, ongeveer een derde van de totale oppervlakte, ongeveer 10,5 meter hoog worden. Het resterende gedeelte zal ongeveer negen meter hoog worden en ook voor het zwembad is een hoogte van negen meter het uitgangspunt. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad meegedeeld dat een ruimere bouwhoogte dan negen meter voor het zwembad nodig is vanwege de op de bovenzijde daarvan te plaatsen technische apparatuur. Hoewel het plan, gelet op het voorgaande, voor het voorzieningencentrum met twaalf meter in ruime bouwmogelijkheden voorziet, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze mogelijkheden niet in redelijkheid passend heeft kunnen achten. Daarbij overweegt zij dat een dergelijke bouwhoogte voor een voorzieningencentrum in het algemeen niet ongebruikelijk behoeft te worden geacht. Van belang is voorts dat het voorzieningencentrum is gelokaliseerd in het midden van het plangebied, derhalve niet aan de naar het buitengebied gekeerde zijde daarvan. Met een maximale bouwhoogte van twaalf meter kan voorts worden voorzien in enige flexibiliteit voor het bouwkundige ontwerp voor het voorzieningencentrum.
Hoewel de maximale bouwhoogte voor de rondom het voorzieningencentrum voorziene woningen groter is dan die van de bestaande omliggende woonbebouwing, ziet de Afdeling ook hier onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder deze hoogte niet in redelijkheid passend heeft kunnen achten. Zij stelt daarbij voorop dat het hier gaat om het verwezenlijken van een nieuwe woonwijk aan de bestaande woonkern en niet om een toevoeging van nieuwe woningen aan het buitengebied. Met de maximale bouwhoogte van twaalf meter bestaat de mogelijkheid de desbetreffende woningen bouwkundig te laten aansluiten op de hoogte van het voorzieningencentrum. Daarbij is van belang dat de hoogte en bouwmassa van de woningen mede worden beperkt door de maximale goothoogte van zeven meter. Verweerder heeft voorts van belang kunnen achten dat aan de buitenzijde van het plangebied langs de Molenweg en de Hoefweg is voorzien in vrijstaande woningen met een lagere maximale goot- en bouwhoogte, namelijk vier onderscheidenlijk tien meter, waarmee mede een afstemming op de bestaande woonbebouwing in en een geleidelijke overgang naar het buitengebied zijn beoogd.
Afstand tussen de bebouwing
2.14. [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] voeren aan dat volgens de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) tussen het voorzieningencentrum en woningen een afstand van ten minste 50 meter in acht genomen moet worden. Het plan voldoet hier niet aan en daar is ten onrechte geen afdoende verklaring voor gegeven, aldus appellanten.
2.14.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de onderlinge afstanden aanvaardbaar zijn. Daarbij wijst hij erop dat het plan voorziet in een pleinruimte aan de noordzijde en een waterpartij aan de zuid(oost)zijde van het voorzieningencentrum. Hij is van mening dat het bestemmingsvlak ruim is opgezet met mogelijkheden voor groenvoorzieningen, openbare ruimte en parkeervoorzieningen.
2.14.2. De gemeenteraad stelt dat voor het bestemmingsplan geen toepassing is gegeven aan de VNG-brochure. De gewenste functiemenging en stedenbouwkundige indeling brengen met zich dat kortere afstanden dan zoals neergelegd in de VNG-brochure, worden aangehouden. Daarbij geeft de gemeenteraad aan dat het zwembad en de sporthal zullen voldoen aan de daaraan te stellen geluidsnormen. Dit stelt eisen aan het bouwplan en de eventuele geluidsproducerende installaties die de inrichting zal krijgen. Verder worden de gestapelde woningen ten westen van het zwembad stedenbouwkundig geïntegreerd in het middengedeelte van het plangebied, aldus de gemeenteraad.
2.14.3. Het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (M)", voor zover daarop gebouwen zijn toegestaan, ziet op een oppervlakte van ongeveer 4.400 m². Het vloeroppervlak voor de sporthal en het zwembad is in de planvoorschriften noch op de plankaart nader begrensd. Uit de plantoelichting volgt dat hiervoor is gekozen om flexibiliteit in de situering van de gebouwen mogelijk te maken, terwijl hiermee tevens rekening kan worden gehouden met eventuele toekomstige uitbreidingen.
2.14.4. Ter voorkoming van hinder wordt in de VNG-brochure een afstand van 50 meter aanbevolen tussen een rustige woonwijk en een overdekt zwembad en een sporthal. Bepalend voor deze afstand is het aspect geluid.
2.14.5. Gemeten op de plankaart bedraagt de kortste afstand van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (M)" tot gevels van bestaande woningen, afgezien van de woning Molenweg 40 die in het kader van de planverwezenlijking zal worden gesloopt, tussen de 45 en 50 meter.
De afstand tussen het gedeelte van het plandeel waar gebouwen zijn toegelaten, en de ten noorden en ten westen daarvan voorziene aaneengesloten woningen bedraagt ongeveer 35 meter. De kleinste afstand tot de ten zuidoosten van dat gedeelte van het plandeel voorziene woningen bedraagt 25 meter, terwijl de voorziene gestapelde woningen direct aan dat gedeelte van het plandeel grenzen.
De afstand van het gedeelte van het plandeel waar geen gebouwen mogen worden opgericht en parkeergelegenheid is voorzien, tot de voorziene aaneengesloten woningen aan de noord- en westzijde van het plangebied bedraagt ongeveer 13 meter.
2.14.6. De gemeenteraad heeft bij het voorbereiden van het plan geen gebruik gemaakt van de in de VNG-brochure opgenomen aanbevelingen en is daartoe ook niet verplicht. Hij behoefde dan ook de afwijkingen van de in de VNG-brochure gegeven aanbevelingen niet uitdrukkelijk te motiveren. Dit laat onverlet dat de gemeenteraad en in navolging daarvan verweerder dienen te onderbouwen waarom de in het plan neergelegde afstanden uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, waartoe ook behoort het voorkomen van milieuhinder in nieuwe situaties, aanvaardbaar zijn.
Voor zover het betreft de afstand tussen het voorzieningencentrum en de omliggende bestaande woningen ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder er niet in redelijkheid van mocht uitgaan dat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat vanwege het voorzieningencentrum beperkt kunnen worden geacht.
De afstand tussen het voorzieningencentrum en een groot gedeelte van de nieuwe woonbebouwing is evenwel aanzienlijk korter. Dit vloeit voort uit het stedenbouwkundige plan waarmee is beoogd ter plaatse te voorzien in zowel de woonfunctie als een maatschappelijke functie. Bij de beoordeling van de vraag of de in het plan neergelegde afstanden tot de nieuwe woonbebouwing uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kunnen worden aanvaard, is van belang dat in artikel 7 van de planvoorschriften, zoals weergegeven in 2.6.2., een gedetailleerde doeleindenomschrijving is gegeven die de invulling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (M)", afgezien van de gebruikelijke inrichtingselementen, beperkt tot sporthal, zwembad en muziekoefenruimte. Het plan voorziet niet in een mogelijkheid voor een andere invulling, zodat andere potentieel milieuhinderlijke gebruiksvormen zijn uitgesloten. Dit brengt ook met zich dat er vanuit gegaan mag worden dat het gebruik van de onbebouwde ruimte ten noorden van het voorzieningencentrum zich zal beperken tot parkeren en dat hier derhalve geen bedrijfsmatige activiteiten zullen worden ontplooid. Daarbij bestaat voorts de mogelijkheid de parkeergelegenheid af te schermen.
Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt, is de gemeenteraad zich er voorts van bewust dat de planverwezenlijking niet mogelijk is zonder het treffen van bouwkundige en milieukundige maatregelen. In dat verband is van belang dat, nu het hier een geheel nieuwe woonwijk betreft, het treffen van voorzieningen om mogelijke hinder te voorkomen in beginsel mogelijk kan worden geacht. Daarbij is er door de gemeenteraad op gewezen dat het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer op het voorzieningencentrum van toepassing is en dat in die regeling geluidsnormen zijn voorgeschreven waaraan ter plaatse van de nabijgelegen woningen moet worden voldaan. Niet aannemelijk is geworden dat deze normen aan de verwezenlijking van het voorzieningencentrum en de woningen in de weg staan. Daarbij kunnen, indien nodig, nog nadere eisen worden gesteld. Ter zitting is van de zijde van het gemeentebestuur verder uitdrukkelijk toegezegd dat bouwkundige en technische voorzieningen, zoals dove gevels bij de gestapelde woningen, een luchtbehandelingsinstallatie en niet te openen vensters bij het zwembad en de sporthal, zullen worden getroffen om geluidsoverlast naar de bewoners van de nieuwe woningen toe te voorkomen. Voorts heeft hij erop gewezen dat geluidsveroorzakende installaties op afstand van woningen zullen worden geplaatst. De Afdeling ziet geen aanleiding aan de mededeling van het gemeentebestuur dat aan deze mogelijkheden toepassing zal worden gegeven, te twijfelen. Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het treffen van maatregelen ernstige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van de bewoners van de nieuwe woningen rond het voorzieningencentrum kunnen worden voorkomen.
Parkeerbehoefte
2.15. [appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] achten het onderzoek naar de parkeerbehoefte onvolledig. Het voorziene aantal parkeerplaatsen van 153 achten zij te laag. Daarbij komt volgens hen dat de gevolgen van de muziekoefenruimte en beroepen aan huis bij de berekening van de parkeerbehoefte ten onrechte niet zijn betrokken.
2.15.1. Uit artikel 4 van de planvoorschriften volgt dat voor gronden, op de plankaart bestemd voor "Woondoeleinden (aaneengesloten) (W(a))", een parkeernorm van minimaal 1,8 parkeerplaats per woning in acht wordt genomen. Voor gronden, op de plankaart bestemd voor "Woondoeleinden (gestapeld) (W(s))", wordt op grond van artikel 5 een parkeernorm van minimaal 1,3 parkeerplaats per woning in acht genomen. Ingevolge artikel 6 wordt voor gronden, op de plankaart bestemd voor "Woondoeleinden (vrijstaand) (W(v))", een parkeernorm van minimaal 2,4 parkeerplaatsen per woning in acht genomen, waarbij geldt dat per woning ten minste twee parkeerplaatsen binnen het bestemmingsvlak dienen te worden gesitueerd. Uit artikel 7 volgt voor gronden, op de plankaart bestemd voor "Maatschappelijke voorzieningen (M)", dat gebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen uitsluitend zijn toegestaan indien binnen de gronden met deze bestemming minimaal 60 parkeervoorzieningen worden gerealiseerd.
2.15.2. Uit de in de planvoorschriften neergelegde parkeernormen, bezien in samenhang met het voorziene aantal woningen, vloeit voort dat rekening wordt gehouden met de aanleg van 153 parkeerplaatsen in het openbare gebied. De gemeenteraad heeft zich gebaseerd op de parkeerkencijfers in de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, zoals deze worden uitgegeven door de stichting CROW. Deze cijfers voorzien in een minimum- en een maximumvariant en zijn zodoende niet aan te merken als harde normen. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bij de vaststelling van het plan niet van deze kencijfers kon worden uitgegaan.
Voor zover het de parkeerbehoefte van de woningen betreft en de op grondslag daarvan in de planvoorschriften neergelegde parkeernormen hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat deze niet in overeenstemming zijn met de desbetreffende parkeerkencijfers dan wel anderszins te laag zijn. Voor zover de gevolgen van aan-huis-gebonden beroepen al niet in de kencijfers zijn verwerkt, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat voor dit plangebied rekening moet worden gehouden met een groot aantal aan-huis-gebonden beroepen.
De parkeerbehoefte van de sporthal en het zwembad wordt volgens de parkeerkencijfers met name gebaseerd op de omvang van de brutovloeroppervlakte van de sporthal en de oppervlakte van het zwembassin. Het aantal van minimaal 60 parkeerplaatsen op de gronden met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (M)" is daarop afgestemd. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat ter bepaling van dit aantal niet van de redelijkerwijs maximaal mogelijke invulling van het plandeel met vorenbedoelde bestemming is uitgegaan. De mogelijke extra parkeerbehoefte van de muziekoefenruimte kan volgens de parkeerkencijfers op vier tot acht plaatsen worden geschat. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit aantal niet binnen het aantal van 60 parkeerplaatsen voor het voorzieningencentrum of anderszins binnen het plangebied kan worden opgevangen. Daarbij is nog van belang dat de voorziene parkeerruimte voor het zwembad volgens de parkeerkencijfers een zekere overcapaciteit heeft alsmede dat artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften zich er niet tegen verzet dat een groter aantal parkeerplaatsen dan 60 ter plaatse van het bestemmingsvlak "Maatschappelijke voorzieningen (M)" wordt aangelegd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor een tekort aan parkeerruimte niet behoeft te worden gevreesd.
Schaduwwerking
2.16. [appellant sub 4] voert aan dat verweerder ten onrechte heeft ingestemd met de bouwmogelijkheid voor een woning op de gronden naast zijn perceel aan de [locatie]. Woningbouw acht appellant hier ongewenst vanwege de slagschaduw van zijn coniferenhaag op dat perceel. De verwijzing door verweerder naar het privaatrecht acht hij niet juist. Hiermee kan geen ruimtelijk aanvaardbare situatie worden bereikt, aldus appellant.
[appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] voeren vergelijkbare beroepsgronden aan voor zover het betreft de voorziene aaneengesloten woningbouw aan de westzijde van het plangebied, naast een bomenrij op het perceel van [appellant sub 2]. Voor de bewoners van die woningen zal schaduwoverlast ontstaan, aldus appellanten.
2.16.1. Verweerder acht beide situaties aanvaardbaar. Daarbij acht hij van belang dat de kap van de beplantingen met een beroep op artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is af te dwingen voor zover deze zich op een afstand van minder dan twee meter tot de erfgrens bevinden.
2.16.2. Op een afstand van ongeveer acht meter van de grens van het perceel van [appellant sub 4] is voorzien in een nieuw bouwvlak voor een vrijstaande woning. Op of direct naast de perceelsgrens bevindt zich een hoge coniferenhaag welke ouder is dan twintig jaar.
De aaneengesloten woningen aan de westzijde van het plangebied zijn voorzien op een afstand van ongeveer 14 meter tot een bomenrij van tien meter breed en 16 meter hoog op het perceel van [appellant sub 2].
2.16.3. Daargelaten de vraag of in dit geval op grondslag van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek verwijdering van de houtopstanden op of nabij de desbetreffende erfgrenzen kan worden gevorderd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege de aanwezigheid van de beplantingen niet voor een ernstige verstoring van het woon- en leefklimaat voor de nieuwe bewoners behoeft te worden gevreesd. Hiertoe overweegt zij dat van de coniferenhaag ten zuidwesten van het nieuwe bouwperceel aan de [locatie] en van de loofbomen ten westen van de voorziene aaneengesloten woningen weliswaar gedurende een gedeelte van de dag schaduwwerking zal uitgaan, maar dat toetreding van zonlicht tot de nieuwe woningen op andere tijdstippen voldoende is gewaarborgd.
Planschaderisico en financiële uitvoerbaarheid
2.17. [appellant sub 4] voert aan dat niet duidelijk is of een planschaderisicoanalyse is gemaakt en of daar bij de economische onderbouwing van het plan rekening mee is gehouden.
[appellant sub 2], de vereniging en [appellant sub 3a] voeren aan dat voor hen onvoldoende inzichtelijk is of het plan financieel uitvoerbaar is. In de plantoelichting had hiertoe in ieder geval een aantal algemene elementen en uitgangspunten vermeld kunnen worden zoals het planschaderisico, het exploitatiesaldo en verschillende kosteneffecten. Afgezet tegen een aantal bekende financiële risico's is het plan voor de gemeente niet evenwichtig, aldus appellanten.
[appellant sub 1] acht het voorzieningencentrum niet rendabel. Tekorten komen volgens hem ten onrechte voor rekening van de burgers.
2.17.1. Verweerder wijst erop dat de financiële gegevens hem vertrouwelijk zijn voorgelegd. Op basis daarvan is hij van mening dat het plan economisch uitvoerbaar is. In de begroting is rekening gehouden met de mogelijkheid van planschade, aldus verweerder.
2.17.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Bro 1985 verricht het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente.
Ingevolge het tweede lid heeft het in het eerste lid bedoelde onderzoek bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.
Blijkens de Nota van Toelichting bij het Bro 1985 ligt het in de rede bij het onderzoek met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid van het plan aan mogelijke planschade aandacht te besteden, indien de planschade op voorhand is te voorzien.
2.17.3. Uit de plantoelichting volgt dat voor het project een exploitatieopzet is opgesteld met daarin een raming van de relevante kosten en de te verwachten opbrengsten. De exploitatie van het project vertoont een negatief saldo. Het tekort wordt ten laste gebracht van de reserve grondexploitatie. Uit de plantoelichting volgt voorts dat, nu het bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging van het gebied en een uitbreiding van het aantal woningen, rekening is gehouden met enkele planschadevergoedingen. Volgens de plantoelichting is het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar.
In een nader stuk heeft de gemeenteraad inzicht gegeven in de financiële haalbaarheid van het project Valweg/Hoefweg. De financiële gevolgen zijn bezien in relatie tot het project Centrumontwikkeling Oostvoorne. In het kader van dat project is onder meer voorzien in de ontwikkeling van een nieuw cultureel centrum. Uit het ingebrachte raadsvoorstel van 21 februari 2006 volgt dat het financiële resultaat van de plannen tezamen positief is. Het negatieve resultaat voor het project Valweg/Hoefweg wordt, zoals ook in de plantoelichting is aangegeven, ten laste gebracht van de reserve grondexploitatie. De gemeenteraad heeft op 28 februari 2006 ingestemd met de in het raadsvoorstel neergelegde financiële kaders.
2.17.4. Zoals uit de plantoelichting volgt en ook ter zitting door verweerder is uiteengezet, is binnen de begroting van het project rekening gehouden met mogelijke aanspraken om vergoeding van planschade door enkele omwonenden. De gemeenteraad heeft dit risico derhalve onder ogen gezien en aanvaard. Hoewel de informatie hieromtrent summier is, heeft de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat geen afdoende inschatting van dit risico heeft plaatsgevonden. Daarbij overweegt zij nog dat het aantal omwonenden beperkt is en dat appellanten de hoogte van de eventuele planschadevergoedingen niet hebben onderbouwd.
Voor het overige volgt uit de stukken dat het bestemmingsplan tot een negatief saldo leidt dat ten laste wordt gebracht van de reserve grondexploitatie. Niet is gebleken dat deze reserve hiervoor onvoldoende ruimte biedt. De Afdeling kan verder niet treden in de keuze van de gemeenteraad het project op deze wijze te financieren.
Gezien het bovenstaande acht de Afdeling onvoldoende grond aanwezig om te oordelen dat in dit opzicht niet genoegzaam onderzoek is gedaan, dan wel dat er voor verweerder aanleiding was om aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan te twijfelen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan in strijd met artikel 9 van het Bro 1985 heeft goedgekeurd.
Conclusies
2.18. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.8.3.-2.8.4., 2.11.5.-2.11.6., 2.16.3. en 2.17.4. is de conclusie dat de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] geen aanleiding geven voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] zijn ongegrond.
2.18.1. Uit 2.9.5. en 2.10.6. volgt dat de beroepen van [appellant sub 2] en de vereniging en [appellant sub 3a] gegrond zijn. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.
Toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb
2.19. De Afdeling ziet aanleiding om na te gaan of toepassing kan worden gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb, nu door de gemeenteraad een herzien, akoestisch rapport van Grontmij, gedateerd 22 augustus 2007, en twee herziene rapportages van Grontmij inzake de luchtkwaliteit, gedateerd 8 maart 2007 en 22 augustus 2007, zijn ingebracht.
Geluidhinder wegverkeer en industrieterrein
2.20. In het herziene rapport is, naar ter zitting onweersproken is gesteld, gerekend met de juiste verkeersintensiteiten. Daarbij is enig middelzwaar verkeer meegenomen. Naar ter zitting is toegelicht, kan hieronder het voorziene busverkeer worden verstaan. Als uitgangspunt is voorts genomen een autonome groei van het wegverkeer van 2% per jaar. Uit het rapport volgt niet dat voor de Valweg en Hoefweg is gerekend met een maximale snelheid van 30 km/uur. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het herziene rapport anderszins onjuistheden zou bevatten of ondeugdelijk zou zijn.
Uit het rapport volgt dat kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de Wgh voor wegverkeerslawaai. Voor de woningen langs de Hoefweg bedraagt de geluidsbelasting 42-43 dB(A). Voor zover het betreft de Molenweg zal daartoe het in 2.9.4. bedoelde geluidsreducerende asfalt moeten worden aangebracht, hetgeen alsdan resulteert in een geluidsbelasting voor de nieuwe woningen van 46-48 dB(A). De gemeenteraad heeft meegedeeld dat het aanbrengen van deze asfaltverharding zal plaatsvinden en wel voordat de desbetreffende woningen aan de Molenweg worden verwezenlijkt.
2.20.1. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de akoestische gevolgen van de planontwikkeling voor de bestaande woningen in de omgeving van het plangebied niet dan wel onvoldoende zijn bezien. Daarbij is van belang dat het aanbrengen van de vorenbedoelde asfaltverharding op de gehele Molenweg zal plaatsvinden. Niet is aannemelijk gemaakt dat de situatie voor de bestaande woningen niet vergelijkbaar is met die van de nieuwe woningen langs de Molenweg. Zij ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidssituatie vanwege het wegverkeer voor de bewoners van de bestaande woningen niet in betekenende mate zal verslechteren.
2.20.2. Wat betreft het bezwaar dat niet is voorzien in een berekening van het cumulatieve effect van het wegverkeerslawaai en het industrielawaai overweegt de Afdeling dat de Wgh voor de cumulatie van geluid geen maximale te handhaven geluidsbelasting voorschrijft. Dit laat echter onverlet dat verweerder bij de beslissing omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan ook cumulatie van geluid in het kader van de vereiste belangenafweging moet betrekken aangezien een cumulatieve geluidsbelasting ten opzichte van de geluidsbelasting door afzonderlijke bronnen op zich een negatieve invloed kan hebben op het woon- en leefklimaat.
In dit verband is in artikel 157, eerste lid, van de Wgh, voor zover deze bepaling destijds luidde en voor zover thans van belang, bepaald dat indien afdeling 2 van hoofdstuk VI van deze wet of van het krachtens deze onderdelen bepaalde van toepassing is op woningen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 53 en 74 van deze wet, het college van gedeputeerde staten ervoor zorgdraagt dat voldoende aandacht wordt geschonken aan de noodzakelijke onderlinge afstemming en samenhang van de onderscheiden te treffen maatregelen.
Beoordeeld dient te worden of en in hoeverre het woon- en leefklimaat door de cumulatieve geluidhinder vanwege het industrieterrein Europoort/Maasvlakte en het wegverkeerslawaai op de wegen rondom het plangebied zal worden beïnvloed. Daarbij is van belang dat uit een berekening van de Milieudienst Rijnmond van 5 oktober 2005 in het kader van de vaststelling van een hogere grenswaarde vanwege het industrielawaai volgt dat de geluidsbelasting tot en met de derde bouwlaag beperkt blijft tot 51 dB(A) alsmede dat de aldus vastgestelde hogere grenswaarde inmiddels onherroepelijk is. Voorts is van belang dat de geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai, met toepassing van vorenbedoelde wegverharding op de Molenweg alsmede ook op de Hoefweg, ruim onder de voorkeursgrenswaarde blijft. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de gecumuleerde gevolgen van het industrielawaai en het wegverkeerslawaai in redelijkheid beperkt kunnen achten.
Luchtkwaliteit
2.21. In het rapport van 8 maart 2007 is voor de autonome groei van het wegverkeer, evenals in het in 2.10.3. bedoelde rapport van 15 november 2005, uitgegaan van 1,1%. In het rapport van 22 augustus 2007 is, evenals in het akoestische rapport, als worst-case benadering gerekend met 2%. De Afdeling ziet aanleiding haar oordeel te baseren op het meest recente rapport. Zij overweegt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat een groeipercentage van 2 per jaar voor onredelijk of anderszins onjuist of te laag moet worden gehouden. Het door hen ingebrachte argument van de woningbouwopgave voor de gemeente ziet op een groeipercentage van 1,1.
In het rapport van 22 augustus 2007 is de luchtkwaliteit bepaald voor de huidige situatie (2005), de situatie in 2010, 2015 en 2017 voor de autonome ontwikkeling en de situatie in die jaren met planverwezenlijking. De berekeningen zijn uitgevoerd met model CAR II, versie 5.1. De verkeersgegevens zijn gebaseerd op de hierboven in 2.8.3. besproken verkeerstellingen in januari 2004. Uit het onderzoek volgt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) voor alle berekende jaren en voor alle wegvakken ruim onder de grenswaarden van 40 microgram per m3 blijven. Ook het aantal overschrijdingen van de vierentwintig-uurgemiddelde grenswaarde van 50 microgram per m3 voor zwevende deeltjes (PM10) blijft met 18-19 ruim onder de 35.
Appellanten hebben geen tegenrapport ingebracht of anderszins aannemelijk gemaakt dat aan het rapport van 22 augustus 2007 onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen dan wel dat dit anderszins onjuistheden bevat. Gelet op dit rapport is thans voldoende duidelijk dat de uitvoering van het plan niet zal leiden tot een overschrijding van de in acht te nemen grenswaarden voor de luchtkwaliteit.
Slotconclusie
2.22. Nu hetgeen [appellant sub 2] en de vereniging en [appellant sub 3a] voor het overige hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en daarin ook geen aanleiding wordt gevonden dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Proceskostenveroordeling
2.23. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van de vereniging en [appellant sub 3a] te worden veroordeeld. De door deze appellanten ingebrachte kosten voor advisering door Adromi B.V. komen niet voor vergoeding in aanmerking reeds vanwege de omstandigheid dat deze kosten niet zijn gemaakt met het oog op de behandeling van het ingestelde beroep. Wat betreft [appellant sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft [appellant sub 1] en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en de vereniging en [appellant sub 3a] gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 17 oktober 2006, kenmerk DRM/ARW/06/2729A;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] ongegrond;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij de vereniging en [appellant sub 3a] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 52,23 (zegge: tweeënvijftig euro en drieëntwintig cent); het dient door de provincie Zuid-Holland aan de vereniging en [appellant sub 3a] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [appellant sub 2] en de vereniging en [appellant sub 3a] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 2] en € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor de vereniging en [appellant sub 3a] vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.
w.g. Kosto w.g. Bechinka
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007
371.