Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0534

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200701995/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Utopia Nederland B.V." (hierna: Utopia) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een megabioscoop met horecafaciliteiten, gelegen op het perceel Roda JC-ring 2 te Kerkrade. Dit besluit is op 22 februari 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200701995/1. Datum uitspraak: 19 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij Bios B.V., h.o.d.n. "H5 Theaters", gevestigd te Heerlen, en [appellant a], wonend te [woonplaats], appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Utopia Nederland B.V." (hierna: Utopia) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een megabioscoop met horecafaciliteiten, gelegen op het perceel Roda JC-ring 2 te Kerkrade. Dit besluit is op 22 februari 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Exploitatiemaatschappij Bios B.V.", h.o.d.n. "H5 Theaters", gevestigd te Heerlen, en [appellant a] (hierna: [appellanten] bij brief van 16 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 3 mei 2007. Bij brief van 25 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft op 7 september 2007 een deskundigenbericht uitgebracht. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2007, waar het college, vertegenwoordigd door T.H.M. Mertens en A.F. van der Velden, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding. 2.2.    [appellanten] betogen dat het college in strijd heeft gehandeld met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding van een besluit door na vernietiging van het eerder genomen besluit niet weer een ontwerp van het besluit ter inzage te leggen. Volgens hen waren de gebreken van het vernietigde besluit zodanig dat het opstellen van een nieuw ontwerp in de rede lag. 2.2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 16 april 2003 in zaak no. 200202984/1 staat het, in het geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het opnieuw in de zaak voorzien terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op het verhandelde in die eerste procedure en de aard en de ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure, en niet een nieuw ontwerp van het besluit opstelt en ter inzage legt. 2.2.2.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2006 (zaak nr. 200601798/1) het eerder door het college op de aanvraag van Utopia genomen besluit van 24 januari 2006 vernietigd, omdat het college er ten onrechte van uit was gegaan dat het besluit in overeenstemming was met het Besluit luchtkwaliteit 2005. Na vernietiging heeft het college wederom onderzoek laten doen naar de gevolgen van de inrichting voor de luchtkwaliteit. Voor het overige is het nu voorliggende bestreden besluit niet gewijzigd ten opzichte van het besluit dat door de Afdeling in voormelde uitspraak is vernietigd. De enkele omstandigheid dat een nieuw rapport ten grondslag is gelegd aan het nieuwe besluit brengt naar het oordeel van de Afdeling niet met zich dat uit oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding een nieuw ontwerp ter inzage gelegd had moeten worden. Het college heeft in dit geval in redelijkheid kunnen terug vallen op de procedure die ten grondslag lag aan het vernietigde besluit. De beroepsgrond faalt. 2.3.    [appellanten] voeren voorts aan dat het college in strijd met artikel 8.7 van de Wet milieubeheer heeft gehandeld door niet de in dat artikel genoemde adviseurs te raadplegen. 2.3.1.    In artikel 8.7 van de Wet milieubeheer is bepaald dat het bevoegd gezag de in dat artikel genoemde adviseurs in de gelegenheid stelt hem advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning. 2.3.2.    Het college heeft het ontwerp van het eerder vernietigde besluit ter advies voorgelegd aan de in artikel 8.7 vermelde adviseurs. Nu onder 2.2.2. is overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen terugvallen op de procedure die ten grondslag lag aan het vernietigde besluit, behoefde het college vóór het nemen van het bestreden besluit niet wederom de vermelde adviseurs te raadplegen. De beroepsgrond faalt. 2.4.    [appellanten] betogen tevens dat het college de parkeerhinder vanwege de inrichting onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht. Volgens hen kunnen zich situaties voordoen waarbij de bioscoop veel bezoekers trekt, Roda JC een wedstrijd speelt en ook de omliggende winkels bezocht worden. In die gevallen zal er onvoldoende parkeerruimte zijn voor de bezoekers van de bioscoop, aldus [appellanten]. 2.4.1.    In de bij de aanvraag gevoegde parkeerbalans is vermeld dat in de drukste maand op de drukste avond en in geval van goedbezochte voorstellingen 673 parkeerplaatsen nodig zijn voor 2095 bezoekers. De uitgangspunten die zijn gehanteerd bij het bepalen van deze aantallen acht de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, niet onredelijk. De inrichting biedt parkeerruimte aan 528 personenauto's. De overige personenauto's kunnen gebruik maken van de parkeerterreinen van omliggende bedrijven, die gezamenlijk ruimte bieden aan meer dan 2500 personenauto's. Uit de parkeerbalans kan worden opgemaakt dat deze parkeerruimte ook voldoende zal zijn in geval van dubbelbezetting in verband met het gelijktijdig in werking zijn van het naast gelegen stadion in verband met een evenement of een wedstrijd. Met betrekking tot deze dubbelbezetting is voorts ter zitting gebleken dat het zeer onwaarschijnlijk is dat zowel het stadion als de bioscoop gelijktijdig door het maximaal aantal bezoekers zal worden bezocht. In hetgeen [appellanten] naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende parkeerruimte aanwezig is teneinde parkeerhinder te voorkomen. De beroepsgrond slaagt niet. 2.5.    Voor zover [appellanten] betogen dat het college de verkeershinder vanwege de inrichting onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht, nu het heeft volstaan met een verwijzing naar het in 2001, in het kader van een ruimtelijke procedure, opgestelde milieueffectrapport, overweegt de Afdeling dat in dat rapport verschillende aspecten van verkeershinder zijn onderzocht en de juistheid van de conclusies daarvan niet is bestreden. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afzien van nader onderzoek. De beroepsgrond faalt. 2.6.    [appellanten] betogen dat vergunningverlening in strijd is met hetgeen is bepaald in artikel 5.3 van de Wet milieubeheer, nu de vergunning hoe dan ook leidt tot meer luchtverontreiniging.    Voorts betogen [appellanten] dat het college de gevolgen van de inrichting voor de luchtkwaliteit onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht. Daartoe voeren zij aan dat het college gebruik heeft gemaakt van een berekeningsmodel dat volgens hen ongeschikt is voor deze inrichting, nu bij die berekeningen niet de invloed van de parkeerbewegingen is betrokken. 2.6.1.    Het college heeft een in het kader van het ontwerpbestemmingsplan "De Locht" door DHV Ruimte en Mobiliteit B.V uitgevoerd onderzoek naar de luchtkwaliteit ter plaatse van de inrichting bij het bestreden besluit betrokken. Volgens het college is dat onderzoek gedaan op basis van het meest recente rekenmodel CAR II, versie 5.1, en zijn bij het onderzoek de meest relevante bronnen betrokken. Op basis van dat onderzoek stelt het college zich op het standpunt dat de luchtkwaliteit in de toekomstige situatie verbetert en dat er geen overschrijdingen van de grenswaarden als opgenomen in het Besluit luchtkwaliteit 2005 plaatsvinden. 2.6.2.    Wat de door [appellanten] gestelde strijdigheid met artikel 5.2, derde lid, van de Wet milieubeheer betreft, overweegt de Afdeling dat uit artikel 2, tweede lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 volgt dat artikel 5.2, derde lid, eerste volzin van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. Het bestreden besluit kan dan ook wat de luchtkwaliteit betreft niet strijdig zijn met die bepaling. 2.6.3.    Het door het college bij het bestreden besluit betrokken onderzoek naar de luchtkwaliteit is in december 2006 opgesteld. Daarbij is gebruikt gemaakt van het berekeningsmodel CAR II, versie 5.1. Uit het deskundigenbericht maakt de Afdeling op dat in het gebruikte CAR-model de verkeersbewegingen in parkeergarages of op parkeerterreinen niet als afzonderlijke categorie beoordeeld. Maar volgens het deskundigenbericht zal de invloed van de parkeerbewegingen op de berekeningen marginaal zijn. Daarbij wordt gewezen op het aantal parkeerbewegingen waar in het onderzoek van uit is gegaan in verhouding tot de intensiteiten op de omliggende wegen, de lage snelheid en de korte verblijfsduur. De juistheid van deze aantallen en verkeersintensiteiten is niet door [appellanten] betwist. Ook overigens biedt hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college niet van de juistheid van het luchtkwaliteitonderzoek uit mocht gaan. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen van de inrichting voor de luchtkwaliteit niet op deugdelijke wijze zijn onderzocht. De beroepsgrond slaagt niet. 2.7.    Voor zover [appellanten] betogen dat het college eerst na het nemen van het bestreden besluit onderzoek heeft gedaan naar de externe veiligheid, mist dit betoog feitelijke grondslag. Het college heeft in het bestreden besluit aandacht besteed aan de externe veiligheid en daarbij voorts een onderzoek betrokken dat vóór het bestreden besluit is opgesteld. De beroepsgrond faalt. 2.8.    Het beroep is ongegrond. 2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Blok, ambtenaar van Staat. w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Blok Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007 428.