Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0533

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200701619/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 1 februari 2007 heeft verweerder, voor zover hier van belang, aan de naamloze vennootschap "N.V. Afvalverbranding Zuid-Nederland" een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor het verbranden van huishoudelijke en daarmee vergelijkbare afvalstromen op het adres Middenweg 34 te Moerdijk. Dit besluit is op 12 februari 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200701619/1. Datum uitspraak: 19 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid "Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A." en de stichting "Stichting Natuur en Milieu", gevestigd te respectievelijk Nijmegen en Utrecht, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2007 heeft verweerder, voor zover hier van belang, aan de naamloze vennootschap "N.V. Afvalverbranding Zuid-Nederland" een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor het verbranden van huishoudelijke en daarmee vergelijkbare afvalstromen op het adres Middenweg 34 te Moerdijk. Dit besluit is op 12 februari 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2007. Bij brief van 12 april 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 juli 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door drs. ing. J.G. Vollenbroek, en verweerder, vertegenwoordigd door S. Nahari en G.M.P.F.H. Stekhuizen, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster gehoord, vertegenwoordigd door H.S.W. Diederen en C.M.F. van Rossum. 2.    Overwegingen 2.1.    Ter zitting hebben appellanten hun beroep ingetrokken voor zover dat betrekking heeft op de monitoring van kwik. 2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellanten niet-ontvankelijk is, voor zover het is ingesteld door de stichting "Stichting Natuur en Milieu".    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.    Niet in geschil is dat de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid "Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A." binnen de daarvoor gestelde termijn zienswijzen naar voren heeft gebracht. Ter zitting hebben appellanten, onder verwijzing naar een door hen meegebrachte brief, aannemelijk gemaakt dat zij, eveneens binnen de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen, kenbaar hebben gemaakt dat de naar voren gebrachte zienswijzen moesten worden geacht mede naar voren te zijn gebracht namens de stichting "Stichting Natuur en Milieu". Verweerder heeft dit niet betwist.    Gelet op het bovenstaande is het beroep van appellanten, ook voor zover het de stichting "Stichting Natuur en Milieu" betreft, ontvankelijk. 2.3.    De veranderingsvergunning heeft onder meer betrekking op de wijziging van de rookgasreiniging van verbrandingslijn vier en op een uitbreiding van de te verbranden stoffen met afvalstoffen die binnen de inrichting ontstaan, zoals filterdoeken vervuild met actief kool, absorptiekorrels en poetsdoeken vervuild met minerale oliën. 2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.    Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.    Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe. 2.5.    Voor zover appellanten zich in het beroepschrift dan wel ter zitting hebben beperkt tot een verwijzing naar dan wel een herhaling van de (strekking van de) over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen, overweegt de Afdeling als volgt. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn reactie gegeven op deze zienswijzen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden. Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.6.    Appellanten betogen dat ten onrechte vergunning is verleend voor het verbranden van absorptiemateriaal en filterdoeken met actief kool. Dit omdat dit afval gezien de hoeveelheid kwik die het bevat waarschijnlijk als gevaarlijk afval moet worden beschouwd en vergunninghoudster geen vergunning heeft voor het verbranden hiervan.    Zo het te verbranden materiaal inderdaad als gevaarlijk afval moet worden beschouwd en vergunninghoudster voor het verbranden van dergelijk afval nog geen vergunning had, heeft zij hier als gevolg van de vergunningverlening bij het bestreden besluit voor het verbranden van de desbetreffende afvalstoffen wel een vergunning voor. Het beroep van appellanten treft in zoverre geen doel. 2.7.    Appellanten betogen dat het verbranden van adsorbens bij de vierde verbrandingslijn niet kan worden beschouwd als toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Zij betogen in dit verband dat de rechtstreeks werkende emissiegrenswaarden voor kwik van het Besluit verbranden afvalstoffen (hierna: het Bva) niet in overeenstemming zijn met het BREF-document "Reference document on Best Available techniques for Waste Incineration" (hierna: het BREF WI), welk document verweerder bij de beoordeling van de vraag of de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, heeft betrokken.    Zoals appellanten stellen, wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat het adsorbens van de vierde verbrandingslijn meer verontreinigingen bevat dan het adsorbens bij de andere drie verbrandingslijnen. In tegenstelling tot wat appellanten stellen, wordt in het deskundigenbericht echter wel geconcludeerd dat de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze conclusie niet juist is. Zij overweegt hierbij dat de grenswaarde voor kwik in het Bva gelijk is aan de in het BREF WI opgenomen waarde voor niet continue metingen. Gelet hierop waarborgt het Bva, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 4 april 2007 in zaak no. 200602517/1, in voldoende mate dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. In de enkele omstandigheid dat, zoals appellanten stellen, bij een aantal inrichtingen in Nederland strengere waarden aan de vergunning zijn verbonden, wat daar ook van zij, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voor onderhavige inrichting verdergaande eisen had moeten stellen.    Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beschermingsniveau toereikend is wat de emissie van kwik betreft. Het beroep van appellanten faalt in zoverre. 2.8.    Voor zover appellanten betogen dat ten onrechte niet is onderzocht of in de inrichting, voor zover deze niet wordt veranderd bij het bestreden besluit, de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op activiteiten waarop het bestreden besluit ziet. Reeds daarom kan het beroep in zoverre niet slagen. 2.9.    In het overige door appellanten aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. 2.10.    Het beroep is ongegrond. 2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. H.G. Sevenster, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat. w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd     w.g. Van Hamond Voorzitter     ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007 446.