Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0524

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702631/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 9 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd appellante een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van 4 bergingen op het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).


Uitspraak

200702631/1. Datum uitspraak: 19 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak in zaak no. 06/78 van de rechtbank Zutphen van 27 februari 2007 in het geding tussen: appellante en het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn. 1.    Procesverloop Bij besluit van 9 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) geweigerd appellante een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van 4 bergingen op het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Bij besluit van 7 december 2005 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 februari 2007, verzonden op 8 maart 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 13 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 10 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 14 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door C.J. Griesdoorn en bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en het college vertegenwoordigd door W.M. van Wegen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ter zitting is gebleken dat appellante geen eigenaresse meer is van de recreatiewoningen ten behoeve waarvan de vergunning voor het plaatsen van een berging is aangevraagd, aangezien deze recreatiewoningen zijn verkocht. Ter zitting heeft appellante gesteld dat zij nog steeds procesbelang heeft omdat zij op grond van de verkoopovereenkomst verplicht is de nieuwe eigenaren een recreatiewoning mét berging te leveren. Onder deze omstandigheden heeft appellante, anders dan het college ter zitting heeft betoogd, voldoende aannemelijk gemaakt dat zij nog steeds belang heeft bij een uitspraak op het hoger beroep. 2.2.    Het bouwplan voorziet in het plaatsen van vier bergingen op het perceel. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Beekbergen" rust op het perceel de bestemming "Recreatieve woonverblijven (Rw)". 2.3.    Het college heeft de bouwvergunning geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met artikel 2.15, tweede lid, sub d, van de planvoorschriften en vrijstelling krachtens de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) niet mogelijk is. 2.4.    Ingevolge artikel 2.15, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart blijkens de daarop voorkomende verklaring als zodanig aangewezen gronden, bestemd voor verblijfsrecreatieve doeleinden met de daarbij behorende gebouwen (waaronder begrepen ten hoogste één dienstwoning met daarbij behorende bijgebouwen en carports), andere bouwwerken en andere werken.    Ingevolge artikel 2.15, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van gebouwen en andere bouwwerken de volgende regels: waar op de plankaart de aanduiding "Rw" voorkomt mogen uitsluitend vrijstaande recreatiewoonverblijven worden gebouwd met een bebouwde oppervlakte van 65 m². Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van de recreatiewoonverblijven. Per bebouwingsvlak mogen niet meer recreatiewoonverblijven worden gebouwd dan binnen de onderscheiden vlakken aangegeven getallen. Ter plaatste van het recreatiebedrijf aan de [locatie] mogen bovendien gebouwen ten behoeve van recreatie en ontspanning, met uitzondering van horecadoeleinden en garageboxen, op deze gronden worden gebouwd tot een totale oppervlakte van 425 m². 2.5.     Appellante betoogt dat de rechtbank een onjuiste interpretatie heeft gegeven aan artikel 2.15, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften en het bouwplan in overeenstemming met genoemd planvoorschrift is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de interpretatie van de rechtbank dat op het perceel "uitsluitend" recreatiewoningen mogen worden gebouwd te eng is, met name nu de laatste zinsnede van dit artikel de mogelijkheid openlaat andere gebouwen te realiseren, niet zijnde gebouwen ten behoeve van horecadoeleinden en garageboxen. Ook stelt appellante zich op het standpunt dat de berging ten dienste staat van de recreatie ter plaatse. 2.6.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een berging naar aard en functie niet bestemd is voor en ingericht op ontspanning en recreatie. Voorts wordt in artikel 2.15 van de planvoorschriften een onderscheid gemaakt tussen enerzijds recreatiewoningen en recreatiebedrijven anderzijds. De in het tweede lid onder b, van dat artikellid genoemde mogelijkheid tot realiseren van andere gebouwen heeft alleen betrekking op gebouwen ten behoeve van recreatiebedrijven. Hieruit volgt dat bijgebouwen bij recreatiewoningen, zoals de nu aan de orde zijnde bergingen, niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. 2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk     w.g. Lodder Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007 17-567.