
Jurisprudentie
BC0523
Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702593/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702593/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 5 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) de aanvraag van appellante om bouwvergunning voor het verbouwen van een showroom/garage tot winkelruimte ten behoeve van een supermarkt op het perceel plaatselijk bekend als Sittarderweg160-160a-162 en Palemigerboord 399/401 te Heerlen (hierna: het perceel) buiten behandeling gesteld.
Uitspraak
200702593/1.
Datum uitspraak: 19 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Bemo (Beleggings- en Exploitatie Maatschappij Onroerend Goed) B.V.", gevestigd te Heerlen,
appellante,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/1491 van de rechtbank Maastricht van 5 maart 2007 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) de aanvraag van appellante om bouwvergunning voor het verbouwen van een showroom/garage tot winkelruimte ten behoeve van een supermarkt op het perceel plaatselijk bekend als Sittarderweg160-160a-162 en Palemigerboord 399/401 te Heerlen (hierna: het perceel) buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 maart 2007, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 11 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 18 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, en W. Buttolo, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een bestuursorgaan een aanvraag niet in behandeling nemen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijke voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
2.1.1. Ingevolge artikel 47 van de Woningwet kan van de in artikel 4:5 van de Awb geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen en bedraagt de door het college van burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn ten hoogste vier weken.
2.1.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: Biab), zoals dat destijds gold, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een reguliere bouwvergunning de gegevens en bescheiden, bedoeld in de paragraaf 1.2.6.e van de bij dit besluit behorende bijlage, voor zover die gegevens en bescheiden naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig zijn om aannemelijk te maken dat het desbetreffende bouwen voldoet aan bij of krachtens de wet voor dat bouwwerk geldende eisen.
2.1.3. Ingevolge paragraaf 1.2.6, onder e, van het Biab, zoals dat destijds gold, behoren hiertoe mede de gegevens en bescheiden samenhangend met een eventueel benodigde vrijstelling van het bestemmingsplan.
2.2. Appellante heeft een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor het verbouwen van een showroom/garage tot winkelruimte ten behoeve van een supermarkt op het perceel. Het college heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellante, hoewel daarom verzocht, geen gegevens heeft overgelegd ten behoeve van de vrijstelling van het bestemmingsplan, terwijl deze gegevens in verband met de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan, zijn opgevraagd. Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens niet zijn overgelegd.
2.3. Appellante keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 4:5 van de Awb te besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen en dat het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zij neemt primair het standpunt in dat op het bouwwerk het "Uitbreidingsplan in hoofdzaken" van toepassing is en dat het perceel is gelegen op de gronden die zijn aangeduid als "Bebouwde kom" en niet op de gronden die zijn aangeduid als "Rechtsgeldige uitbreidingsplannen in onderdelen". Subsidiair betoogt zij dat ook al zou het bouwwerk gelegen zijn op de gronden aangeduid als "Rechtsgeldige uitbreidingplannen in onderdelen", de voorgenomen verbouwing niet in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met de aanduiding "Rechtsgeldige uitbreidingsplannen in onderdelen" wordt aangegeven dat een uitbreidingsplan in onderdelen - te weten: het als bestemmingsplan, geldende uitbreidingsplan in onderdelen "Meesenbroek-Gewan, herziening" (hierna: "Meesenbroek-Gewan") - van toepassing is. "Meesenbroek-Gewan" kan volgens appellante niet geldend zijn, omdat het "Uitbreidingsplan in hoofdzaken" van latere datum is.
2.4. Zowel het primaire als het subsidiaire betoog faalt. Zoals ter zitting is gebleken, is het te verbouwen pand niet gelegen in het gebied waar op de plankaart van het "Uitbreidingsplan in hoofdzaken" de aanduiding "Bebouwde kom" is aangegeven, doch geheel in het gebied met de aanduiding "Rechtsgeldige uitbreidingsplannen in onderdelen". Uit de aanduiding op de plankaart valt af te leiden dat voor de gebieden met deze laatste aanduiding de desbetreffende uitbreidingsplannen in onderdelen zijn blijven gelden. De rechtbank heeft dan ook terecht vastgesteld dat met deze aanduiding geen bestemming is aangegeven, maar dat voor deze gebieden een uitbreidingsplan in onderdelen van kracht is, in dit geval "Meesenbroek-Gewan".
2.5. Op grond van "Meesenbroek-Gewan" rust op het perceel de bestemming "Terrein bestemd voor verkeersverzorging". Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders toestemming verlenen tot het oprichten van gebouwen en bijbehorende installaties tot voorziening met benzine, olie, lucht en water ten behoeve van motorvoertuigen. Aangezien het bouwplan in strijd is met deze bestemming, is, teneinde een bouwvergunning te kunnen verlenen, een vrijstellingsprocedure noodzakelijk, waarvan een ruimtelijke onderbouwing een onderdeel vormt. Appellante diende derhalve op verzoek van het college gegevens en bescheiden over te leggen ten behoeve van deze vrijstellingsprocedure. Nu vast staat dat appellante deze gegevens niet heeft overgelegd, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college met toepassing van artikel 4:5 van de Awb bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007
17-567