
Jurisprudentie
BC0518
Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702400/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702400/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 14 februari 2007 heeft verweerder voorschrift 4.1a van de aan appellante bij besluit van 12 juli 2004 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning gedeeltelijk gewijzigd en enkele voorschriften aan die vergunning toegevoegd.
Uitspraak
200702400/1.
Datum uitspraak: 19 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Albemarle Catalysts Company B.V.", gevestigd te Amsterdam,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2007 heeft verweerder voorschrift 4.1a van de aan appellante bij besluit van 12 juli 2004 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning gedeeltelijk gewijzigd en enkele voorschriften aan die vergunning toegevoegd.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 3 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2007, beroep ingesteld.
Bij brief van 5 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 september 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.J. Niezen, ir. Y.K. Veninga en A. Quist, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, A.J.P. van Eck en ing. I.L.P. Kaspori, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In de inrichting van appellante zijn twee sproeidroogtorens aanwezig. In beide torens bevindt zich een dubbele gasafvoerlijn, via welke het afgas naar de buitenlucht wordt geëmiteerd. Het afgas wordt door een bank met drie parallelle droogcyclonen, een blower, een bank met twee paralelle zogenoemde high efficiency natcyclonen en in drie van de vier lijnen een warmteterugwinningstoren geleid. De vierde lijn eindigt met een schoorsteen.
2.2. Bij het bestreden besluit is voorschrift 4.1a in die zin gewijzigd dat de concentratie stof afkomstig van de sproeidrogers (in het oude voorschrift 4.1a nog aangeduid als de emissiepunten E061 tot en met E064) vanaf 1 oktober 2008 maximaal 20 mg/Nm3 mag bedragen. Ingevolge het gewijzigde voorschrift mag de concentratie stof afkomstig van de emissiepunten E061 tot en met E064 tot 1 oktober 2008 nog maximaal 50 mg/Nm3 bedragen.
2.3. Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, wijzigen.
Ingevolge het tweede lid van deze bepaling zijn met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die voorschriften de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Bij de toepassing van de laatstgenoemde bepaling komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.
2.4. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte de in de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (hierna: de NeR) opgenomen emissiegrenswaarde voor totaal stof van 20 mg/Nm3 heeft overgenomen in voorschrift 4.1a. Volgens haar is uit door adviesbureau TAUW verricht onderzoek gebleken dat de in de inrichting aanwezige cycloonsystemen stand der techniek als bedoeld in de NeR zijn, dat nageschakelde technieken niet kosteneffectief zijn en dat door optimalisatie van de bestaande installatie een emissie van 45 mg/Nm3 haalbaar is. Verweerder heeft volgens appellante onvoldoende gemotiveerd waarom hij, ondanks de uitkomsten van dit onderzoek, een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 heeft gesteld. Voorts zou het moeten voldoen aan deze eis, zo al mogelijk, volgens appellante leiden tot voor haar onevenredige gevolgen, zoals het moeten verwijderen van het bestaande natcycloonsysteem.
2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de grenswaarde van 20 mg/Nm3 voor totaal stof overeenstemt met hetgeen volgens paragraaf 3.2.2 van de NeR kan worden geëist bij het gebruik van een niet-filtrerende installatie. Deze grenswaarde kan volgens hem worden bereikt als de beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit diverse BAT-Reference Documents, waaronder die inzake Anorganische fijnchemie en Afgas- en afwaterbehandeling, valt volgens verweerder af te leiden dat de in de inrichting aanwezige cyclonen als zogeheten stand-alone techniek niet als de beste beschikbare technieken zijn aan te merken. Nu het hier volgens verweerder bovendien om oude installaties gaat, is het volgens hem niet relevant dat het niet mogelijk is om die installaties kosteneffectief aan te passen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aan vergunninghoudster is om maatregelen te nemen die er toe leiden dat aan de gestelde grenswaarde kan worden voldaan. Volgens haar is uit de diverse rapporten niet gebleken dat dit onmogelijk is. De omstandigheid dat dit waarschijnlijk aanzienlijke kosten met zich brengt, is volgens verweerder geen reden om te constateren dat de grenswaarde van 20 mg/Nm3 maatregelen met zich brengt die zo kostenineffectief zijn dat deze grenswaarde om die reden niet mag worden gesteld.
2.4.2. Verweerder heeft de met ingang van 1 oktober 2008 gestelde emissiegrenswaarde voor stof afkomstig van de sproeidrogers overgenomen uit paragraaf 3.2.2 van de NeR, waarin een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 wordt aanbevolen voor het geval dat het niet mogelijk is om filtrerende afscheiders toe te passen en sprake is van een emissievracht van 0,2 kilogram per uur of meer. In de NeR is in paragraaf 2.1.4 het uitgangspunt geformuleerd dat de algemene emissie-eisen, zoals de hier aan de orde zijnde, veelal te realiseren zijn met maatregelen overeenkomstig de stand der techniek. Hierop bestaan volgens deze paragraaf twee uitzonderingen, waarvan in dit geval de tweede van belang is: de emissie-eis wordt ondanks gebruik van voorzieningen overeenkomstig de stand der techniek overschreden. Volgens paragraaf 2.1.4 van de NeR moeten vergunningverlener en aanvrager in dat geval de mogelijkheden tot verdergaande voorzieningen nagaan. Als dat technisch of economisch niet mogelijk wordt geacht, wijkt het bevoegd gezag in geval van overschrijding gemotiveerd af van de algemene eisen, aldus de NeR. Uit het vorenstaande volgt dat het bevoegd gezag bij het opleggen van een algemene emissie-eis uit de NeR dient te bezien of aan die eis met toepassing van de beste beschikbare technieken kan worden voldaan en zo niet, of en in hoeverre verdergaande maatregelen in redelijkheid van vergunninghoudster kunnen worden gevergd.
Verweerder heeft zich in dit geval beperkt tot de constatering dat de in de inrichting aanwezige cyclonen oude installaties betreffen die niet kunnen worden aangemerkt als de beste beschikbare technieken. Hij heeft evenwel niet onderzocht of, zonder de grondslag van de aan het besluit van 12 juli 2004 ten grondslag liggende aanvraag te verlaten, met toepassing van de beste beschikbare technieken, dan wel met verdergaande maatregelen die in redelijkheid van vergunninghoudster kunnen worden gevergd, aan de door hem gestelde emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 kan worden voldaan. Verweerder heeft in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten.
Het beroep treft doel.
2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient vanwege de samenhang tussen de voorschriften in zijn geheel te worden vernietigd. Gezien het vorenstaande behoeft de beroepsgrond dat de door verweerder gestelde termijnen voor het indienen van een saneringsplan en het moeten voldoen aan de strengere emissiegrenswaarde te krap zijn, geen verdere bespreking.
2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 14 februari 2007, kenmerk 2007-5759;
III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.
w.g. Oosting w.g. Lap
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007
288.