Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0515

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200701557/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een rietteelt- en visserijbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 januari 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200701557/1. Datum uitspraak: 19 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2.    [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats], 3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een rietteelt- en visserijbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 januari 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 1 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2007, [appellanten sub 2] bij brief van 3 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2007, en [appellant sub 3] bij brief van 6 maart 2007, op dezelfde dag bij de Raad van State ingekomen, beroep ingesteld. Bij brief van 1 mei 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2007, waar het college, vertegenwoordigd door M. Betzema, ambtenaar in dienst van de gemeente, en M. Zuijderduijn, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. A.A. Westers en [gemachtigde], als partij gehoord. 2.    Overwegingen 2.1.    Op 6 december 2006 is het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit landbouw) in werking getreden.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit landbouw is dit besluit van toepassing op een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit landbouw wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt verstaan: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het telen van akkerbouwproducten of tuinbouwproducten op of in de open grond. 2.2.    In de toelichting op het Besluit landbouw is vermeld dat onder tuinbouw in de open grond tevens wordt verstaan: de teelt van riet. Blijkens het deskundigenbericht is de inrichting in hoofdzaak bestemd voor het telen van riet in de open grond. Anders dan [appellant sub 1] in zijn zienswijze op het deskundigenbericht betoogt, is voor het bestemd zijn van de inrichting voor rietteelt niet vereist dat die teelt plaatsvindt op het terrein van de inrichting zelf.    De inrichting is gelet op het voorgaande een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit landbouw. Nu niet is gebleken dat één van de uitzonderingsbepalingen van de artikelen 3 en 4 van het Besluit landbouw van toepassing is, moet worden geconcludeerd dat de inrichting onder de werkingssfeer van het Besluit landbouw valt. Ingevolge artikel 8.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer is in een dergelijk geval voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting geen krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning vereist.     2.3.    Gezien het voorgaande bestond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen vergunningplicht voor de inrichting. Door desalniettemin een vergunning te verlenen, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. 2.4.    De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 2.5.    Het college dient ten aanzien van [appellant sub 3] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart de beroepen gegrond; II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland van 9 januari 2007, kenmerk 42WM/06; III.    weigert de bij aanvraag van 1 mei 2006 gevraagde vergunning voor de inrichting aan de [locatie] te [plaats]; IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Steenwijkerland aan [appellant sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI.    gelast dat de gemeente Steenwijkerland aan [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 1], € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellanten sub 2] en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 3] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat. w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd     w.g. Van der Zijpp voorzitter     ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007 262-493.