Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0509

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200704356/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 13 december 2004 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) [appellant] bevolen zich uit het gebied "Zeedijk en omgeving" te verwijderen voor de duur van acht uur.


Uitspraak

200704356/1. Datum uitspraak: 19 december 2007. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. 05/4991 van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2007 in het geding tussen: appellante en de burgemeester van Amsterdam. 1.    Procesverloop Bij besluit van 13 december 2004 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) [appellant] bevolen zich uit het gebied "Zeedijk en omgeving" te verwijderen voor de duur van acht uur. Bij besluit van 12 januari 2005 heeft de burgemeester [appellant] bevolen zich uit het gebied "Zeedijk en omgeving" te verwijderen voor de duur van acht uur. Bij besluit van 23 september 2005 heeft de burgemeester de door [appellant] tegen de besluiten van 13 december 2004 en 12 januari 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 mei 2007, verzonden op 14 mei 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 juli 2007. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 14 augustus 2007 heeft de burgemeester een verweerschrift ingediend. Bij brief van 22 november 2007 heeft [appellant] een nader stuk ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2007, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. drs. F.H. Garretsen, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. Dooren en mr. R. Osterwald, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 van Amsterdam (hierna: de APV) is het verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig harddrugs te gebruiken of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben.    Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het verboden zich op of aan de weg op te houden, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen of daarop gelijkende waar, te kopen of te koop aan te bieden.    Ingevolge artikel 2.6A, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, is degene die in een gebied dat door de burgemeester is aangewezen omdat naar zijn oordeel de openbare orde in dat gebied ernstig is verstoord door de handel of het gebruik van harddrugs, zich gedraagt in strijd met artikel 2.3, verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van acht uur niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven. 2.2.    Bij besluit van 18 februari 2002 heeft de burgemeester het gebied "Zeedijk en omgeving" aangewezen als gebied waar naar zijn oordeel de openbare orde ernstig is verstoord door de handel of het gebruik van harddrugs. Bij besluiten van 13 december 2004 en 12 januari 2005 zijn namens de burgemeester aan [appellant] verwijderingsbevelen (hierna: de verwijderingsbevelen) uitgereikt voor de duur van acht uur wegens het zich gedragen in strijd met artikel 2.3. van de APV. 2.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester ten onrechte geen afschriften van de verwijderingsbevelen heeft bewaard. Volgens haar is hierdoor onduidelijk wat precies de inhoud van de verwijderingsbevelen was. Dit is in strijd met de rechtszekerheid en tevens kan hierdoor niet gecontroleerd worden of de verwijderingsbevelen zijn uitgereikt in overeenstemming met de ambtsinstructie van de burgemeester aan de chef van district 3 van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland van 23 juli 2003 (hierna: de ambtsinstructie), aldus [appellant]. 2.4.    Dit betoog faalt. De aan [appellant] gegeven verwijderingsbevelen zijn vastgelegd in de door de betrokken politieambtenaren op ambtseed/belofte telkens opgemaakte processen-verbaal, welke digitaal worden opgeslagen. Ter plaatse is aan [appellant] een zogenoemd mini proces-verbaal uitgereikt. Naar het oordeel van de Afdeling is deze wijze van vastlegging en uitreiking van een verwijderingsbevel passend en met voldoende waarborgen omkleed. Uit zowel het ter zake opgemaakte proces-verbaal als het uitgereikte mini proces-verbaal blijkt dat de betrokken politieambtenaren [appellant] zowel op 3 december 2004 als op 12 januari 2005 het bevel hebben gegeven zich te verwijderen uit het gebied "Zeedijk en omgeving" voor de duur van acht uur. Op de achterzijde van de mini processen-verbaal is aangegeven wat de grenzen zijn van het gebied "Zeedijk en omgeving". Tevens is op de mini processen-verbaal de reden van de verwijderingsbevelen vermeld, te weten het zich gedragen in strijd met artikel 2.3. van de APV. Aldus is aan [appellant] voldoende duidelijk gemaakt dat zij zich gedurende acht uur niet in het gebied "Zeedijk en omgeving" mocht begeven. Niet valt in te zien en evenmin is toegelicht wat een afschrift van het mini proces-verbaal daarnaast nog aan waarborg of zekerheid zou kunnen toevoegen.    Het betoog van [appellant] dat zij niet kon controleren of de verwijderingsbevelen zijn gegeven in overeenstemming met de ambtsinstructie faalt. Van beide verwijderingsbevelen heeft zij zowel het mini proces-verbaal als het proces-verbaal gekregen. Voor zover sprake zou zijn geweest van strijd met de ambtsinstructie, had zij dit op grond van deze stukken kunnen aanvoeren. 2.5.    [appellant] verwijst voorts naar haar eerder in beroep bij de rechtbank aangevoerde gronden. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank deze beroepsgronden op goede grond heeft verworpen. 2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat. w.g. Van Altena     w.g. Klein Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007. 176-512.