Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0508

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702348/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 28 maart 2006, dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft appellant (hierna: het college) aan het gemeentebestuur van Wymbritseradiel vrijstelling verleend voor de aanleg van een randweg, westelijk van Heeg.


Uitspraak

200702348/1. Datum uitspraak: 19 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Wymbritseradiel, appellant, tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/1117, 06/1152, 06/1171, 06/1172 en 06/1173 van de rechtbank Leeuwarden van 31 januari 2007 in het geding tussen: [wederpartijen], allen wonend te [woonplaats], en de Stichting Van Ommenpolder, gevestigd te Wymbritseradiel, en appellant. 1.    Procesverloop Bij besluit van 28 maart 2006, dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft appellant (hierna: het college) aan het gemeentebestuur van Wymbritseradiel vrijstelling verleend voor de aanleg van een randweg, westelijk van Heeg. Bij uitspraak van 31 januari 2007, verzonden op 22 februari 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de daartegen door [wederpartij] e.a. ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 28 maart 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 3 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 4 juni 2007 heeft [wederpartij D] van antwoord gediend. Bij brief van 5 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: gedeputeerde staten), die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden. Bij brieven van 19 april 2007 en 7 juni 2007 heeft [wederpartij B] van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij B], [wederpartij D] en de Stichting Van Ommenpolder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Haeser, advocaat te Rotterdam, ing. S. Joustra, K.J. Elzinga en drs. R. Meijer, ambtenaren in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts zijn als partij, gehoord [wederpartij D], vertegenwoordigd door P.P.J.M. Bredius, gemachtigde, [wederpartij B], in persoon en bijgestaan door mr. drs. T.L. Fernig, gemachtigde, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door drs. K. van Stralen, ambtenaar in dienst van de provincie. Voorts is als partij gehoord de Stichting Van Ommenpolder, vertegenwoordigd door mr. H.W. Knottenbelt, advocaat te Assen, en [gemachtigde]. 2.    Overwegingen 2.1.    Het betoog van [wederpartij B] ter zitting van de Afdeling dat het college niet binnen de termijn een besluit tot het instellen van hoger beroep heeft genomen op de wijze zoals die is voorschreven in de Gemeentewet, slaagt niet. Het hoger beroepschrift is binnen de termijn ingediend door mr. W.J. Haeser. Daarbij is door hem gesteld dat hij als advocaat-gemachtigde van het college optreedt. Nu het tegendeel niet is gebleken, gaat de Afdeling er vanuit dat mr. W.J. Haeser tot het indienen van het hoger beroepschrift gemachtigd was en het college derhalve binnen de termijn tot het instellen van hoger beroep heeft besloten. 2.2.    Het project waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling is verleend, voorziet in het aanleggen van een nieuwe westelijke randweg bij Heeg. 2.3.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Daartoe betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat de noodzaak voor de met de vrijstelling mogelijk gemaakte rondweg voldoende is aangetoond. Voorts heeft de rechtbank volgens het college miskend dat de Flora- en faunawet niet aan de verlening van de vrijstelling in de staat. 2.4.    Het bestemmingsplan "Heeg Randweg" voorziet in de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling. Dit bestemmingsplan is door gedeputeerde staten op 19 december 2006 goedgekeurd. Het onderhavige project is daarmee in overeenstemming. De tegen dit goedkeuringsbesluit ingestelde beroepen bij de Afdeling zijn bij uitspraak van heden, in zaak no. 200701065/1, ongegrond verklaard. Als gevolg hiervan is het bestemmingsplan "Heeg Randweg" onherroepelijk geworden. Onder verwijzing naar hetgeen in die uitspraak is overwogen is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. 2.5.    Indien de beroepen van [wederpartij] e.a. zouden leiden tot vernietiging van het besluit van 28 maart 2006, zou het college een nieuwe beslissing moeten nemen, waarbij het project aan voormeld bestemmingsplan moet worden getoetst. Aangezien het daarmee in overeenstemming is, zou verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan niet nodig zijn. Hieruit volgt dat [wederpartij] e.a. geen belang meer hebben bij de beoordeling van hun beroepen. 2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de bij de rechtbank ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaren. 2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het hoger beroep gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 januari 2007 in de zaken nos. AWB 06/1117, 06/1152, 06/1171, 06/1172 en 06/1173; III.    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren     w.g. Van Dorst Voorzitter     ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007 17-430.