
Jurisprudentie
BC0506
Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200701065/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200701065/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 6 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Wymbritseradiel het bestemmingsplan "Heeg randweg" vastgesteld.
Uitspraak
200701065/1.
Datum uitspraak: 19 december 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],
2. de stichting "Stichting Van Ommenpolder", gevestigd te Wymbritseradiel,
3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Wymbritseradiel het bestemmingsplan "Heeg randweg" vastgesteld.
Bij besluit van 19 december 2006, kenmerk 00670418, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 8 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2007, de stichting "Stichting Van Ommenpolder" (hierna: Stichting Van Ommenpolder) bij brief van 15 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2007, en [appellant sub 3] bij brief van 19 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2007, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 9 maart 2007. De Stichting Van Ommenpolder heeft haar beroep aangevuld bij brief van 2 maart 2007. [appellant sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 27 maart 2007.
Bij brief van 15 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2007, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. drs. T.L. Fernig, de Stichting Van Ommenpolder, vertegenwoordigd door mr. H.W. Knottenbelt, advocaat te Assen, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door P.P.J.M. Bredius en verweerder, vertegenwoordigd door drs. K. van Stralen, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Wymbritseradiel, vertegenwoordigd door mr. W.J. Haeser, advocaat te Rotterdam.
2. Overwegingen
2.1. Het plan bevat de juridisch planologische regeling voor de realisatie van een nieuwe westelijke randweg bij Heeg. Tevens voorziet het plan in compensatie voor de aantasting van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS). Verweerder heeft goedkeuring verleend aan dit plan. Appellanten richten zich in beroep tegen dit goedkeuringsbesluit.
2.2. Ter zitting heeft de Stichting Van Ommenpolder haar beroepsgrond dat ten onrechte geen strategische milieubeoordeling heeft plaatsgevonden, ingetrokken.
2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
2.4. [appellanten sub 1] alsmede [appellant sub 3] stellen zich op het standpunt dat de noodzaak voor de aanleg van de met het plan mogelijk gemaakte randweg ontbreekt.
Zij voeren in dit verband aan dat niet is gebleken van ernstige verkeersproblemen en dat het uitgevoerde verkeersonderzoek ondeugdelijk is. Voorts stellen appellanten dat de verkeersproblematiek door middel van handhaving en andere verkeersmaatregelen kan worden verholpen en dat de aanleg van de randweg de problemen niet oplost. Volgens appellanten zijn alternatieven onvoldoende onderzocht. Appellanten wijzen ter onderbouwing van het vorenstaande naar de uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden van 31 januari 2007 inzake de ten behoeve van de randweg verleende vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO.
2.4.1. Volgens de plantoelichting wordt het verkeer in Heeg op de doorgaande route De Skatting naar de Nijedyk, met name ter hoogte van de Harinxmastrjitte en De Syl al jaren als problematisch ervaren en leidt dit met name in het toeristenseizoen tot een conflict tussen de verkeersfunctie en de verblijfsfunctie. Volgens de toelichting speelt deze problematiek al enige decennia en heeft deze reeds meerdere malen op de agenda van het gemeentebestuur gestaan, doch zijn de problemen bij gebrek aan financiële middelen nooit structureel aangepakt.
2.4.2. Ten behoeve van de voorbereiding van het plan is een verkeersonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkeersonderzoek Heeg, omgeving Harinxmastrjitte/De Syl", opgesteld door Bügel Hajema Adviseurs, gedateerd 10 september 2003. Daarin staat dat in Heeg verkeersproblemen bestaan op de Harinxmastrjitte en De Syl. Volgens het rapport is regelmatig sprake van verkeersonveilige situaties en lange wachttijden voor het verkeer als gevolg van laden en lossen. De oorzaak hiervan ligt met name in de dubbelfunctie van de Harinxmastrjitte/De Syl als verblijfsgebied met een doorgaande verkeersfunctie met zowel snel- als langzaam verkeer en de smalle straatprofielen, aldus het rapport. Daarbij is opgemerkt dat de Harinxmastrjitte de belangrijkste winkelstraat is met een aantrekkelijk historisch karakter, die mede als gevolg daarvan grote aantallen toeristen trekt en dat dit langzame verkeer zich slecht verhoudt met het gemotoriseerde verkeer. In het rapport is voorts vermeld dat de autonome groei van de verkeersbewegingen met enige procenten per jaar zal toenemen.
In het rapport zijn drie oplossingsrichtingen bezien: de zogeheten nul-plus-variant, de by-pass-variant en de omleidingsvariant. In de nul-plus-variant wordt uitgegaan van het handhaven van de huidige verkeersroute, waarbij door het nemen van diverse maatregelen, waaronder een bussluis, wordt getracht de intensiteit van het verkeer te verminderen. Bij de by-pass-variant wordt de Tsjerkesleatswei via een nieuwe weg verbonden met de Weisleatstrjitte. Bij de omleidingsvariant wordt De Skatting ter hoogte van de Tollewei, via een weg door de Van Ommenpolder, verbonden met de Weisleatstrjitte. Volgens het rapport tracht de nul-plus-variant de huidige verkeersproblemen te verzachten en leidt het in het gunstigste geval tot een vermindering van de verkeersdruk met slechts 35%. Daarbij is opgemerkt dat de nul-plus-variant ertoe zal leiden dat personenauto's zullen moeten omrijden en dat daardoor de verkeersdruk elders toeneemt. De by-pass-variant heeft volgens het rapport het nadeel dat het karakter van de Tsjerkesleatswei van een rustige woonstraat verandert in een doorgaande weg en ook overigens leidt tot andere verkeerskundige bezwaren in het woongebied. Voorts is vermeld dat de variant "De Burd", die net als de omleidingsvariant de Van Ommenpolder doorsnijdt, niet in de beschouwingen is meegenomen omdat gezien de vrij grote afstand tussen deze voorgestelde route en Heeg, het aannemelijk is dat deze route slechts in beperkte mate bijdraagt aan het verminderen van het verkeer in de Harinxmastrjitte en De Syl en dat deze variant, gezien de ligging en langere afstand, in vergelijking met de omleidingsvariant, zonder meer leidt tot een grotere aantasting van de Van Ommenpolder en hogere aanlegkosten. Volgens het rapport leidt het realiseren van de (lange) omleidingsvariant tot een zeer aanzienlijke reductie van de verkeersintensiteit en de grootste verbetering van de verkeersveiligheid.
Naast de hiervoor genoemde alternatieven is door de Wetenschapswinkel Economie en Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen nog het alternatief van een korte éénrichtingsring in het centrum aangedragen. Dit alternatief voorziet vanaf de kruising Pharshoeke/Harinxmastrjitte in een verbinding over het water naar de Tsjerkesleatswei. In de nadere memorie van de gemeenteraad van 15 mei 2007 is met betrekking tot dit alternatief opgemerkt dat ter plaatse van de voorziene route, tegenover de kruising Pharshoeke/Harinxmastrjitte, een beschermd rijksmonument staat en dat alhier sprake is van een beschermd dorpsgezicht. De raad wijst verder op de rapportage "Het vierde alternatief" van Goudappel Coffeng, waarin staat dat bij deze variant de intensiteit op de Tsjerkesleatswei zal verveelvoudigen van enkele auto's per dag naar 1500 motorvoertuigen of meer en dat derhalve de verkeersonveiligheid en de hinder ter plaatse sterk zullen toenemen.
2.4.3. Gelet op de conclusies van het hiervoor aangehaalde verkeersonderzoek heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich op de doorgaande route van De Skatting naar de Nijedijk congestie- en verkeers(veiligheids)problemen voordoen en dat het, alleen al gelet op de autonome groei van de verkeersbewegingen, aannemelijk is dat deze verkeersproblematiek in de toekomst zal toenemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verkeersproblemen niet zozeer worden veroorzaakt door de verkeersintensiteit als zodanig maar vooral door de combinatie van de aanzienlijke verkeersintensiteit van gemotoriseerd verkeer, waaronder vrachtverkeer en landbouwverkeer, en het smalle straatprofiel en de belangrijke verblijfsfunctie van dit gebied. Gelet op het smalle straatprofiel en het aanwezige verkeer is het aannemelijk dat zich verkeersonveilige situaties voordoen. De noodzaak van de voorgenomen randweg is mede gelegen in de recreatieve betekenis en ontwikkelingsmogelijkheden van Heeg, dat volgens het Streekplan Friesland 1994 tot één van de belangrijkste recreatiekernen van de provincie Fryslân behoort. In dat verband neemt de Afdeling in aanmerking dat, mede gelet op de rapportage "Heeg Randweg, toeristisch-recreatieve belang" van 1 mei 2007 waaruit blijkt dat de ontwikkeling van het toerisme in Heeg sinds enkele jaren achter blijft, het verband tussen een aangenaam verblijfsklimaat in het centrum en de omvang van het toerisme in Heeg voldoende is onderbouwd nu Heeg is aangemerkt als recreatiekern.
Voor zover [appellanten sub 1] stellen dat de herkomst van de verkeersstromen niet inzichtelijk is gemaakt en dat daardoor de verschillende alternatieven niet goed kunnen worden beoordeeld, overweegt de Afdeling dat blijkens het verkeersonderzoek uiteindelijk voor de lange omleidingsvariant is gekozen omdat deze weg beter voor het doorgaand verkeer kan worden ingericht en een beperkt aantal aanwonenden zal hebben. De herkomst van de verkeersstromen is bij de uiteindelijke besluitvorming dan ook niet richtinggevend geweest.
Het betoog van [appellant sub 3], dat in het verkeersonderzoek de verkeerssituatie in het hoogseizoen niet inzichtelijk is gemaakt, leidt evenmin tot een ander oordeel nu niet is gesteld of gebleken dat de verkeersproblemen zich in het hoogseizoen niet voordoen. Volgens het verkeersonderzoek en de plantoelichting doen de verkeersproblemen zich in het hoogseizoen juist in toenemende mate voor, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk voorkomt. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat alleen in het hoogseizoen sprake is van een niet-optimale verkeersdoorstroming, wordt overwogen dat, mede gelet op de recreatieve betekenis en ontwikkelingsmogelijkheden van Heeg, juist in het hoogseizoen een verbetering van het verblijfsklimaat in het centrum wenselijk wordt geacht. Indien, zoals appellante stelt, de verkeersproblemen zich enkel in het hoogseizoen zouden voordoen, behoefde verweerder daarin geen aanleiding te zien voor de conclusie dat er geen noodzaak bestaat voor de aanleg van de onderhavige randweg.
Met betrekking tot de stelling van [appellanten sub 1] dat de noodzaak van een randweg niet aanwezig is omdat een aanzienlijk deel van het verkeer als bestemmingsverkeer moet worden aangemerkt, overweegt de Afdeling dat het blijkens de stukken de bedoeling is dat ook het bestemmingsverkeer gedeeltelijk uit het centrum wordt geweerd en dat op de Harinxmastrjitte éénrichtingsverkeer zal worden ingesteld. Uit het verhandelde ter zitting is bovendien gebleken dat het centrum na aanleg van de randweg zal worden heringericht en dat de parkeervoorzieningen aan de rand van het centrum zullen worden uitgebreid. Nu de omleiding samenhangt met de verbetering van het verblijfsklimaat, de herinrichting van het centrum en de realisering van extra parkeervoorzieningen, hebben appellanten evenmin hun stelling aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot een afname van de bestedingen bij de lokale middenstand.
In hetgeen appellanten overigens met betrekking tot de verkeerskundige onderzoeken hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat verweerder zich hierop in navolging van de gemeenteraad niet heeft mogen baseren.
Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de noodzaak voor de met het plan mogelijk gemaakte rondweg voldoende is aangetoond.
Voorts overweegt de Afdeling dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de alternatieven die in ogenschouw zijn genomen, reële alternatieven voor de in het plan voorziene randweg ontbreken. Hierbij heeft hij in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat de nul-plus-variant afvalt vanwege de relatief beperkte vermindering van de verkeersdruk, de toename van de verkeersdruk elders en het nadeel dat auto's moeten omrijden waardoor de bereikbaarheid van het centrumgebied wordt aangetast, de by-pass-variant afvalt vanwege het hoge aantal aanwonenden dat door deze route wordt gehinderd, de korte éénrichtingsring afvalt vanwege de aantasting van een rijksmonument en het beschermd dorpsgezicht en de verhoogde verkeersintensiteit op de Tsjerkesleatswei, alsmede dat de variant "De Burd" afvalt wegens de beperkte vermindering van de verkeersdruk, de grote aantasting van de Van Ommenpolder en de hoge aanlegkosten.
2.5. [appellanten sub 1], de Stichting Van Ommenpolder en [appellant sub 3] voeren voorts aan dat het plan leidt tot een aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en dat met de aanleg van de randweg niet een zodanig groot openbaar belang is gemoeid dat dit aantasting van de EHS rechtvaardigt. Volgens de Stichting Van Ommenpolder leidt het plan bovendien tot een aantasting van de cultuurhistorische waarden van de Van Ommenpolder. [appellant sub 3] betoogt voorts dat de compensatie financieel en planologisch niet is gegarandeerd. Volgens de Stichting Van Ommenpolder is in het plan bovendien onvoldoende voorzien in compensatie, aangezien het compensatiegebied voor de bijzonder bedreigde diersoorten als Noordse woelmuis, Waterspitsmuis en vleermuizen geen alternatief is.
2.5.1. Een belangrijk deel van het plangebied ligt in de Van Ommenpolder. Niet in geschil is dat deze polder deel uitmaakt van de EHS en dat de aanleg van de randweg leidt tot een significante aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van de polder.
2.5.2. Voor de vaststelling van het plan is de Nota Ruimte in werking getreden. Ingevolge de Nota Ruimte is het ruimtelijk beleid voor de EHS-gebieden gericht op behoud, herstel en de ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. De bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader, het "nee, tenzij"-regime. Binnen de gebieden waar dit regime van kracht is, zijn nieuwe plannen, projecten of handelingen niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Voor ingrepen die aantoonbaar aan de criteria voldoen geldt het vereiste dat de schade zoveel mogelijk moet worden beperkt door mitigerende maatregelen, en waar dat niet volstaat, dient te worden gecompenseerd door het realiseren van gelijkwaardig gebied, liefst in of nabij het aangetaste gebied.
Het vorenstaande regime is tevens in het Streekplan Friesland 1994 neergelegd en daarmee tevens tot provinciaal beleid gemaakt.
2.5.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Van Ommenpolder een begrensd beheersgebied is waarop het "nee, tenzij"-regime niet van toepassing is. Niettemin heeft verweerder ingestemd met de keuze van de gemeenteraad om bij de vaststelling van het plan het "nee, tenzij"-regime, met de daarbij behorende compensatieverplichting, toe te passen.
2.5.4. De Afdeling stelt vast dat de vraag of het "nee, tenzij"-regime ingevolge de Nota Ruimte dan wel het Streekplan Friesland 1994 in het onderhavige geval diende te worden toegepast, in het midden kan blijven, nu de toepassing van dit regime door de gemeenteraad tussen partijen niet in geschil is. Wel houdt de vraag of aan alle in dat beleid geformuleerde voorwaarden wordt voldaan, partijen verdeeld.
2.5.5. In de plantoelichting is hierover vermeld dat de redenen van groot openbaar belang zijn gelegen in verkeersveiligheid en leefbaarheid alsmede in het handhaven van het huidige niveau van toeristische bestedingen. Daarbij is opgemerkt dat het toerisme voor Heeg van levensbelang is en dat maar liefst de helft van alle toeristische bestedingen in de gemeente Wymbritseradiel plaatsvindt in Heeg.
In de plantoelichting is voorts vermeld dat het plan deel uitmaakt van het Friese Merenproject. Dit is een project waarin onder meer de provincie, Friese gemeenten en waterschappen samenwerken. Doel van dit project is om de Friese meren aantrekkelijker te maken voor watersportliefhebbers, recreanten en bewoners van het gebied. Volgens de plantoelichting geeft de provincie hieraan mede vorm via subsidiebijdragen vanuit het Kompas voor het Noorden. Volgens de rapportage "Heeg randweg, toeristisch recreatieve belang" is het Kompas voor het Noorden een programma met maatregelen voor Noord-Nederland gericht op de versterking van de economische structuur en betekent de omstandigheid dat de subsidieaanvraag voor de randweg is gehonoreerd dat het Samenwerkingsverband Noord-Nederland van mening is dat de randweg bijdraagt aan de versterking van de economische structuur.
2.5.6. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.3. is overwogen, acht de Afdeling het aannemelijk dat zich in het centrum van Heeg verkeers(veiligheids)problemen voordoen. Gelet hierop, alsmede gelet op de belangrijke functie van het toerisme in Heeg, zoals in de plantoelichting nader onderbouwd, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de dwingende reden van groot openbaar belang is gelegen in de verbetering van de verkeersveiligheid en de leefbaarheid van Heeg, mede in relatie tot de recreatieve betekenis en ontwikkelingsmogelijkheden van deze kern. Voorts heeft verweerder zich, zoals overwogen onder 2.4.3., in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat reële alternatieven voor de in het plan voorziene randweg ontbreken.
2.5.7. In de plantoelichting is vermeld dat het plangebied behoort tot het Belvedèregebied "De Hemmen". Volgens de plantoelichting is het karakteristieke kenmerk van "De Hemmen" de onregelmatige blokverkaveling van de veenweiden, waarbij de landelijke en stedelijke structuur op het water zijn georiënteerd. Daarbij is opgemerkt dat voor de aanleg van de randweg erop gelet moet worden dat de cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk in stand worden gehouden. Om te bewerkstellingen dat het aanzicht zo min mogelijk wordt gewijzigd wordt volgens de plantoelichting de voorkeur gegeven aan een weg die zoveel mogelijk op maaiveld ligt en die, vanwege de openheid van de polder, niet door een wegbeplanting zal worden begeleid. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat de bruggen zo laag mogelijk moeten worden uitgevoerd en zodanig ontworpen moeten worden dat ze het landschapsbeeld niet gaan overheersen.
Vast staat dat aan het plangebied cultuurhistorische waarde toekomt en dat de aanleg van de randweg deze waarde aantast. Gelet op de landschappelijke inpassing van de randweg zoals in de plantoelichting beschreven, heeft verweerder zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze aantasting beperkt is. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder aan het behoud van de cultuurhistorische waarden in het plangebied een groter gewicht diende toe te kennen dan aan de belangen bij de randweg.
2.5.8. Volgens de plantoelichting wordt bijna 3,9 hectare van het areaal EHS gebruikt voor de aanleg van de randweg, de begeleidende boezemvaart en de resterende overhoek die na uitvoering van het plan ligt ingeklemd tussen de randweg en de Tsjerkesleat. In dat kader heeft de gemeenteraad een compensatie- en mitigatieplan (hierna: compensatieplan) opgesteld dat als bijlage 9 bij de plantoelichting is gevoegd. In dit compensatieplan is aangegeven dat het plangebied (in het Gebiedsplan De Zuidwesthoek) thans is aangewezen als beheersgebied met weidevogeldoelstelling en dat met de eigenaar beheerspakketten zijn afgesloten. De compensatie vindt plaats door een perceel van 4,1 hectare ten zuidwesten van Heeg, direct grenzend aan de EHS, onder de werkingssfeer van de EHS te brengen. Daartoe zijn deze gronden in het plan voorzien van de bestemming "Agrarische doeleinden" met de aanduiding "grasland" en wordt tevens voorzien in overeenkomsten ten behoeve van agrarisch natuurbeheer. Volgens de beschrijving in hoofdlijnen, zoals opgenomen in artikel 6 van de planvoorschriften, wordt voor gronden met de aanduiding "grasland" onder meer gestreefd naar het in stand houden, indien mogelijk herstellen en verder ontwikkelen van de broedbiotoop ten behoeve van de weidevogelpopulatie alsmede het behouden, indien mogelijk herstellen en verder ontwikkelen van de waarde als rust- en foerageergebied voor trekvogels en overwinterende vogels. Voorts heeft de gemeenteraad voorzien in een financiële compensatie van bijna € 27.000,-- teneinde de gronden geschikt te maken als weidevogelgebied. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de compensatie financieel en planologisch niet voldoende verzekerd is.
Voor zover de Stichting Van Ommenpolder betoogt dat het compensatiegebied niet geschikt is voor de Noordse woelmuis, de Waterspitsmuis en vleermuizen, overweegt de Afdeling dat de compensatieverplichting in het kader van de EHS betrekking heeft op het realiseren van gelijkwaardig gebied, dat wil zeggen een gebied dat kan dienen ter vervanging van het begrensd beheersgebied Van Ommenpolder als weidevogelgebied.
2.6. [appellanten sub 1], de Stichting Van Ommenpolder en [appellant sub 3] voeren verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met de Flora- en faunawet. Daartoe voeren zij aan dat het uitgevoerde onderzoek ondeugdelijk is en dat de stelling dat eventueel benodigde ontheffingen kunnen worden verleend, niet is onderbouwd.
2.6.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan ten aanzien van de in het plangebied aanwezige soorten een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
2.6.2. In het kader van de planvaststelling zijn drie ecologische onderzoeken uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de rapporten "Ecologisch onderzoek in het kader van de verkeersstudie Heeg", van Bügel Hajema Adviseurs van 10 september 2003, "Inventarisatie van de Noordse woelmuis en Waterspitsmuis ten behoeve van de rondweg ten westen van Heeg in het kader van de Flora- en faunawet" van Koeman en Bijkerk Ecologisch Onderzoek en Advies van 2 november 2004 en "Inventarisatie vleermuizen ten westen van Heeg", van Bügel Hajema Adviseurs van 16 november 2004.
2.6.3. Uit het rapport "Inventarisatie van de Noordse woelmuis en Waterspitsmuis ten behoeve van de rondweg ten westen van Heeg in het kader van de Flora- en faunawet" blijkt dat in de zuidoostpunt van de Van Ommenpolder de Waterspitsmuis voorkomt. De Noordse woelmuis is volgens dit rapport niet aangetroffen. In het rapport is wel vermeld dat volgens gegevens van het Natuurloket de soort in 1995 nog is waargenomen in het plangebied. Uit het rapport blijkt voorts dat door bij de aanleg van het tracé rekening te houden met het handhaven van de geïsoleerde ligging van de polder, de nieuwe situatie geen gevolgen zal hebben voor de Noordse woelmuis, voor zover die aanwezig zou zijn, en de Waterspitsmuis.
In de brief van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 2 mei 2007 is vermeld dat op de locaties waar het tracé de polder in- en uitgaat, geen waterspitsmuizen zijn aangetroffen en dat bij de aanleg van het tracé de oevervegetatie in de zuidoosthoek van de polder onaangetast kan blijven. Volgens de brief is derhalve voor de Waterspitsmuis geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist.
Voor zover [appellanten sub 1] alsmede de Stichting Van Ommenpolder ter zitting een concept-rapport hebben aangeboden waaruit zou blijken dat de Noordse woelmuis wel in het plangebied voorkomt, overweegt de Afdeling dat deze rapportage wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het slechts een voorlopige rapportage betreft. Bovendien is niet gebleken dat het onderzoek dat tot de voorlopige rapportage heeft geleid, niet eerder had kunnen worden uitgevoerd. Daarbij betrekt de Afdeling dat appellanten ter zitting hebben gesteld dat onderzoek naar het voorkomen van de Noordse woelmuis het beste kan plaatsvinden in het najaar. Blijkens de stukken heeft de Zoogdiervereniging VZZ in haar brief van 26 juli 2007 namens appellanten aangegeven dat het eerdere onderzoek dat heeft geleid tot het rapport "Inventarisatie van de Noordse woelmuis en Waterspitsmuis ten behoeve van de rondweg ten westen van Heeg in het kader van de Flora- en faunawet" van 2 november 2004 op de juiste wijze en in het optimale jaargetijde is uitgevoerd. Gelet hierop, en gelet op hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport zodanige onjuistheden of leemten in kennis bevat dat verweerder zich bij het nemen van zijn besluit hierop niet had mogen baseren.
2.6.4. Voor zover ter zitting van de zijde van [appellant sub 3] is betoogd dat tijdens de baggerwerkzaamheden in 2006 de oevervegetatie in de zuidoosthoek van de Van Ommenpolder is aangetast, overweegt de Afdeling dat genoegzaam is gebleken dat deze baggerwerkzaamheden in het kader van reguliere onderhoudswerkzaamheden en niet in het kader van de aanleg van de randweg hebben plaatsgevonden en dat voor zover daarbij is gehandeld in strijd met het bepaalde in de Flora- en faunawet, dit een handhavingsaspect betreft dat buiten het toetsingskader van deze procedure valt.
2.6.5. Uit het rapport "Inventarisatie vleermuizen ten westen van Heeg" blijkt dat zich in het plangebied enkele kolonies Meervleermuizen, Laatvliegers en Gewone dwergvleermuizen bevinden. Uit het rapport blijkt voorts dat wanneer rekening wordt gehouden met de vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van de vleermuizen, het plan niet leidt tot aantasting of verstoring van de vleermuizen.
In de brief van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 2 mei 2007 is vermeld dat indien rekening wordt gehouden met de lichtgevoeligheid van de Meervleermuis, voor deze soort geen ontheffing behoeft te worden aangevraagd. In dat kader is van belang dat van de zijde van de gemeenteraad onweersproken is gesteld dat de randweg in de polder geen wegverlichting krijgt en diverse maatregelen worden getroffen om eventuele negatieve effecten van de randweg op de vleermuizen weg te nemen.
2.6.6. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op voorhand in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
2.7. [appellant sub 3] voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005). Daartoe voert zij aan dat in het onderzoek naar de luchtkwaliteit het aantal overschrijdingen van de grenswaarden voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) en de uurgemiddelde concentratie voor stikstofdioxide niet is betrokken en dat het onderzoek inzichtelijke en herleidbare berekeningen ontbeert.
2.7.1. Ten behoeve van het plan heeft een onderzoek naar de luchtkwaliteit plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in bijlage 5 van de plantoelichting. Uit de kolommen 5 en 9 van de bijlage blijkt dat de uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide en de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) bij het onderzoek zijn betrokken. Uit deze bijlage blijkt dat geen sprake is van overschrijding van de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden. In bijlage 5 van de plantoelichting zijn voorts de uitgangspunten van het onderzoek weergegeven. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek inzichtelijke en herleidbare berekeningen ontbeert.
2.8. [appellant sub 1A] voert aan dat het plan leidt tot een verkeersonveilige situatie ter hoogte van de uitrit van zijn perceel en verwijst daarbij naar een brief van het Meldpunt Verkeersonveiligheid Fryslân van 6 oktober 2006. In verband met het vorenstaande wenst appellant een meer zuidelijke ligging van de randweg.
In de brief van het Meldpunt Verkeersonveiligheid Fryslân staat dat bij de herinrichting van het kruispunt zoals in het voorliggende plan is opgenomen, het uitzicht op en vanuit de inrit van appellant beperkt wordt door de monumentale bomenrij. Daarbij is geadviseerd de randweg een aantal meters in zuidelijke richting te verschuiven.
2.8.1. Blijkens de "Notitie Tracékeuze" dat als bijlage 7 bij de plantoelichting is gevoegd, wordt het wenselijk geacht de randweg in het verlengde van de Tollewei te situeren, teneinde een optimale verkeersdoorstroming tussen de Tollewei en de randweg te kunnen bewerkstelligen.
Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de verkeerskundige aspecten van de ligging van de randweg dan aan het belang van appellant bij een meer zuidelijke ligging van de randweg. Daarbij wordt van belang geacht dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verkeersveiligheid ter plaatse van zijn uitrit zodanig afneemt dat verweerder aan dit belang meer gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. In dat verband heeft verweerder in redelijkheid aan de brief van het Meldpunt, gelet op de bewoordingen van het hierin opgenomen advies, voorbij kunnen gaan.
2.9. [appellant sub 1A] stelt voorts onder verwijzing naar een brief van de Bomenstichting van 28 februari 2006, dat het plan leidt tot een aantasting van de monumentale bomen aan de Singel. Verder stelt [appellant sub 1A] dat het plan leidt tot aantasting van zijn woon- en leefklimaat.
2.9.1. In genoemde brief van de Bomenstichting is vermeld dat eventuele bemaling een sterk negatief effect kan hebben op de conditie van de bomen aan de Singel op het perceel van appellant.
De gemeenteraad heeft echter onweersproken gesteld dat de waterhuishoudkundige situatie in het gebied niet zal veranderen. Ter zitting heeft de gemeenteraad verklaard dat er eenmalig kortdurend, gedurende twee dagen, extra bemaling heeft plaatsgevonden. De bemaling die tijdens de aanleg van de weg plaatsvindt is voor het overige zodanig dat de grondwaterstand ter plaatse niet onevenredig wordt beïnvloed. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de randweg geen schade zal toebrengen aan de desbetreffende bomen.
Voor zover appellant vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze aantasting beperkt zal zijn. Hierbij heeft verweerder in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat de aan te leggen weg langs het perceel van appellant uitgevoerd zal worden als 30 kilometer-zone en dat het perceel van appellant visueel wordt afgeschermd door een bomenrij.
2.10. [appellant sub 3] stelt dat onvoldoende inzicht is verschaft in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. [appellanten sub 1] stellen voorts dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. In dat kader stellen zij dat de benodigde subsidie onzeker is en geen rekening is gehouden met planschadeclaims.
2.10.1. Door de gemeenteraad is onderzoek verricht naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Paragraaf 6 van de plantoelichting biedt inzicht in de uitkomsten van het onderzoek en de elementen die in dat onderzoek zijn betrokken. Daarbij is vermeld dat een belangrijk deel zal worden gesubsidieerd in het kader van het Friese Merenproject.
In de nadere memorie van de gemeenteraad van 15 mei 2007 staat dat het Samenwerkingsverband Noord-Nederland een zogeheten Kompassubsidie heeft toegekend voor de aanleg van de randweg. Daarbij is vermeld dat aanvankelijk werd beoogd het project voor 1 april 2008 af te ronden maar dat de projectperiode inmiddels is verlengd van 1 april 2008 tot 1 juli 2008. In de nadere memorie is voorts vermeld dat in de exploitatie rekening is gehouden met eventuele planschadeclaims.
Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt en dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.
2.11. [appellant sub 1B] voert verder aan dat het plan niet binnen de planperiode kan worden gerealiseerd aangezien hij eigenaar is van een deel van de gronden in het plangebied en een onteigeningstitel ontbreekt.
2.11.1. Appellant stelt door middel van verjaring eigenaar te zijn geworden van de gronden gelegen aan de noordkant van zijn perceel aan de [locatie]. Deze gronden hebben in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming "Groenvoorzieningen" met de nadere aanduiding "opgaande beplanting". Niet in geschil is dat zich op deze strook reeds opgaande beplanting bevindt, zodat het plan in zoverre de bestaande situatie respecteert. Uit de omstandigheid dat het plan de bestaande situatie respecteert, volgt dat de bestemming reeds is verwezenlijkt. De vraag wie eigenaar is van de gronden speelt in zoverre in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan geen rol.
Eindconclusie
2.12. De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.
2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Buuren w.g. Van Dorst
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007
357-525.