Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0502

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200703183/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij onderscheiden besluiten van 26 februari en 5 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel (hierna: het college) aan elk van appellanten vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een windturbine met een ashoogte van 40 m op het in het desbetreffende besluit aangegeven perceel.


Uitspraak

200703183/1. Datum uitspraak: 19 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1.    [appellant sub 1] en 2.    [appellant sub 2], beiden wonend te [woonplaats], 3.    [appellante sub 3], gevestigd te [plaats], 4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], 5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 maart 2007 in de zaken nos. AWB 06/1026, 06/1027, 06/1028, 06/1029 en 06/1030 in het geding tussen: appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel. 1.    Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 26 februari en 5 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel (hierna: het college) aan elk van appellanten vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een windturbine met een ashoogte van 40 m op het in het desbetreffende besluit aangegeven perceel. Bij onderscheiden besluiten van 6 maart 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, de daartegen door de vereniging "It Fryske Gea" (hierna: de vereniging) gemaakte bezwaren gegrond verklaard, die besluiten herroepen en bouwvergunning geweigerd. Bij uitspraak van 29 maart 2007, verzonden 30 maart 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten elk bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Zij hebben de gronden van het beroep aangevuld bij brieven van 22 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 28 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 5 juli 2007 heeft de vereniging een reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2007, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door B. Kroese, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    De bij de besluiten van 26 februari en 5 maart 2002 verleende bouwvergunningen betreffen windturbines met een ashoogte van 40 m. Nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank de besluiten van 7 mei 2003 van het college op de tegen de besluiten van 26 februari en 5 maart 2002 gemaakte bezwaren bij uitspraak van 11 juli 2003 had vernietigd, heeft het college, na appellanten in de gelegenheid te hebben gesteld de bouwplannen aan te passen, de gemaakte bezwaren bij besluiten van 24 oktober 2003 opnieuw gegrond verklaard, de vrijstellingen en bouwvergunningen herroepen en bouwvergunning verleend voor windturbines met een ashoogte van 35 m.    Bij uitspraken van 31 augustus 2004 heeft de rechtbank de daartegen door de vereniging ingestelde beroepen ongegrond verklaard.    Bij uitspraken van 15 juni 2005 in de zaken nrs. 200408327/1, 200408332/1, 200408333/1, 200408334/1 en 200408335/1 heeft de Afdeling de door de vereniging tegen die uitspraken ingestelde hoger beroepen gegrond verklaard, de uitspraken vernietigd, de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 24 oktober 2003 vernietigd.    Daarop heeft het college de hiervoor vermelde bij de rechtbank bestreden besluiten genomen. 2.2.    Appellanten betogen tevergeefs dat de rechtbank, door te overwegen dat de bouwplannen in strijd zijn met het ten tijde van de primaire besluiten geldende bestemmingsplan "Buitengebied-West", heeft miskend dat zij hun oorspronkelijke aanvragen op 16 september 2003 hebben gewijzigd en die gewijzigde aanvragen de oprichting betreffen van windturbines met een masthoogte van 35 m en zodanige windturbines in overeenstemming met dat bestemmingsplan zijn. De Afdeling heeft in voormelde uitspraken van 15 juni 2005 overwogen dat de op 16 september 2003 door appellanten ingediende bouwtekeningen geen wijzigingen van de bouwplannen van ondergeschikte aard betreffen. De rechtbank heeft de gewijzigde bouwtekeningen dan ook met juistheid niet bij de beoordeling van de bij haar bestreden besluiten betrokken. 2.3.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat de bouwplannen in strijd zijn met het ten tijde van de besluiten van 26 februari en 5 maart 2002 geldende bestemmingsplan "Buitengebied-West", heeft miskend dat dit bestemmingsplan de mogelijkheid bood om vrijstelling te verlenen voor windturbines met een ashoogte van 40 m. 2.3.1.    Niet in geschil is dat de bouwplannen in strijd zijn met het ten tijde van de besluiten van 6 maart 2006 geldende bestemmingsplan "Voorschriften bestemmingsplan Buitengebied-West, partiële herziening windenergie". Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 februari 2002 in zaak nr. 200005090/1; AB 2002, 420), dient bij het nemen van een besluit op bezwaar in beginsel het recht te worden toegepast, zoals dat op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering mag het college het ten tijde van het indienen van een aanvraag om bouwvergunning nog wèl, maar ten tijde van het besluit daarop, dan wel ten tijde van de heroverweging in bezwaar daarvan, niet meer geldend bestemmingsplan slechts toepassen, doch slechts indien ten tijde van het indienen van de aanvraag het desbetreffende bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en op dat moment geen voorbereidingsbesluit van kracht was, dan wel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was.    De rechtbank heeft de bouwplannen terecht in strijd geacht met het ten tijde van de aanvragen en de besluiten van 26 februari en 5 maart 2002 geldende bestemmingsplan "Buitengebied-West". Op de percelen van appellanten was ingevolge dat bestemmingsplan oprichting van windturbines met een ashoogte van maximaal 35 m toegestaan. Dat het bestemmingsplan in de mogelijkheid van vrijstelling voor het oprichten van windturbines met een ashoogte tot en met 40 m voorzag, leidt niet tot het oordeel dat de bouwplannen in overeenstemming zijn met dat bestemmingsplan. Voor het oprichten van een windturbine met een ashoogte tot en met 40 m kon slechts bouwvergunning worden verleend, indien vrijstelling van het bestemmingsplan werd verleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, omdat de bouwplannen, waarop de aanvragen zagen, niet in overeenstemming waren met het ten tijde van de indiening geldende bestemmingsplan, voor het college geen aanleiding bestond het bestemmingsplan "Buitengebied-West" daarop toe te passen. 2.4.    Hetgeen appellanten hebben aangevoerd geeft voorts geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college, mede gezien het door het college van gedeputeerde staten van Friesland gevoerde beleid om oprichting van windturbines niet toe te staan, niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan. 2.5.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb     w.g. Van Heusden Voorzitter     ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007 163-430.