Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0497

Datum uitspraak2007-12-19
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200706460/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 20 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer, de revisievergunning van 21 september 2001 gewijzigd die is verleend aan [appellante B]. Dit besluit is op 30 juli 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200706460/1. Datum uitspraak: 19 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante A], handelend onder de naam [appellante B], gevestigd te [plaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 20 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer, de revisievergunning van 21 september 2001 gewijzigd die is verleend aan [appellante B]. Dit besluit is op 30 juli 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft [appellante A] bij brief van 6 september 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2007, beroep ingesteld. Bij brief van 28 september 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. [appellante A] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2007. Partijen zijn niet ter zitting verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Bij brief van 9 november 2007 heeft [appellante A] haar beroepsgrond inzake vergunningvoorschrift 4.5.1 ingetrokken. 2.2.    Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.    Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepaling komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. 2.3.    In het bij het bestreden besluit aan de vergunning van 21 september 2001 verbonden voorschrift 2.2.1, voor zover hier van belang, is het volgende bepaald: "Vóór 1 december 2007 dient overeenkomstig het gearceerde gedeelte van de tekening 5.027 behorende bij de veranderingsaanvraag van de gehele vloer een geldige PBV-Verklaring Vloeistofdichte Voorziening afgegeven te zijn." 2.4.    [appellante A] voert aan dat het college in voorschrift 2.2.1 de termijn voor het verkrijgen van een PBV-verklaring Vloeistofdichte Voorziening voor de in dit voorschrift bedoelde vloeistofdichte vloer ten onrechte heeft beperkt tot 1 december 2007. 2.4.1.    Volgens het college is beoogd een termijn tot 19 oktober 2008 op te nemen in voorschrift 2.2.1. Hij heeft echter verzuimd deze termijn in het voorschrift neer te leggen. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. 2.5.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover het betreft de zinsnede "1 december 2007" in voorschrift 2.2.1. De Afdeling zal ten aanzien van dit voorschrift op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover dit is vernietigd. 2.6.    Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten veroordeeld. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het beroep gegrond; II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 juli 2007, kenmerk 1316629, voor zover het betreft de zinsnede "1 december 2007" in voorschrift 2.2.1; III.    bepaalt dat voorschrift 2.2.1, voor zover het de zinsnede "1 december 2007" betreft, komt te luiden als: "19 oktober 2008"; IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd; V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellante A] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellante A] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat. w.g. Schaafsma     w.g. Kuipers lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007 271-542.