Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0496

Datum uitspraak2007-12-11
Datum gepubliceerd2007-12-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707913/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft verweerder beslist bestuursdwang toe te passen ten aanzien van het LPG-tankstation van verzoekster, gelegen aan de [locatie] te [plaats].


Uitspraak

200707913/2. Datum uitspraak: 11 december 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft verweerder beslist bestuursdwang toe te passen ten aanzien van het LPG-tankstation van verzoekster, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 8 november 2007, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [vennoot A] en M. Blankestijn, en verweerder, vertegenwoordigd door W.A. ter Wal en E.J.H. Claassen, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Het bestuursdwangbesluit van 23 oktober 2007 strekt ertoe - kort gezegd - dat verzoekster de overtreding van artikel 17, tweede lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) dient te beëindigen door het buiten gebruik stellen van het LPG-vulpunt, omdat de afstand tussen dat vulpunt en het dichtstbijzijnde kwetsbare object (de woning Molenweg 61) minder bedraagt dan de afstand die voor dit geval is opgenomen in bijlage I bij de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: Revi). 2.2.    Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichting is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. 2.3.    In artikel 17, tweede lid, van het Bevi, voor zover hier van belang, is bepaald dat indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit de afstand van een inrichting tot een kwetsbaar object kleiner is dan de in de bijlage van de Revi vastgestelde afstand tot kwetsbare objecten, het bevoegd gezag ervoor zorg draagt dat binnen drie jaar na dat tijdstip wordt voldaan aan de bij die regeling vastgestelde afstand. 2.4.    Onbestreden is dat de afstand tussen het vulpunt en de woning kleiner is dan ingevolge artikel 17, tweede lid, van het Bevi is vereist, zodat er een saneringssituatie is in de zin van het Bevi en de huidige situatie niet mag blijven voortbestaan. Artikel 17, tweede lid, richt zich echter niet tot de drijver van de inrichting, maar tot het bevoegd gezag. Volgens de voorzitter bevat het Bevi dan ook geen wettelijke verplichting die zich richt tot de vergunninghouder. Van hem kan niet worden gezegd dat hij iets doet, houdt of nalaat in strijd met een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichting. Artikel 17, tweede lid, van het Bevi biedt daarom geen grondslag om handhavend op te treden tegen de drijver van de inrichting. Om die reden gaat de voorzitter er vooralsnog vanuit dat het besluit in bezwaar niet ongewijzigd in stand kan blijven. Hij ziet daarin, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding de hierna onder 3 weergegeven voorlopige voorziening te treffen. 2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen van 23 oktober 2007, kenmerk U.07.23985/AP, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist; II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 375,00 (zegge: driehonderdvijfenzeventig euro), waarvan een gedeelte groot € 300,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hoogeveen aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III.    gelast dat de gemeente Hoogeveen aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen     w.g. Stolker Voorzitter     ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2007 157.